De telefoon in het net
De telefoon lag op tafel tussen twee koffiebekers en een schaal met kruimels.
Mara keek ernaar alsof het ding ieder moment opnieuw kon spreken.
Daan stond bij het keukenraam. Buiten liep Henk Wagemans terug naar zijn busje. Hij keek nog één keer om, alsof hij spijt had dat hij de telefoon niet gewoon terug in zee had gegooid.
“Hij had hem beter niet kunnen meenemen,” zei Mara.
Daan draaide zich om.
“Dat weet Henk niet.”
“Nu wel.”
“Hij denkt waarschijnlijk dat hij een bijzondere visweegschaal heeft gevonden.”
Mara keek naar het gebarsten scherm.
De opname speelde niet opnieuw af.
De telefoon lag stil.
Te stil.
“Mara,” zei Daan voorzichtig, “we bellen Noor.”
“Dat weet ik.”
“Nu.”
Mara pakte haar eigen telefoon.
Noor nam na één keer overgaan op.
“Smit.”
“Er is een telefoon uit een visnet gekomen.”
Een korte stilte.
“Dat klinkt niet als een normale opening.”
“Dat is het ook niet.”
“Waar ben je?”
“Thuis.”
“Is er iemand bij je?”
“Daan.”
“Goed. Raak de telefoon niet meer aan. Ik kom eraan.”
“Hij heeft een bericht afgespeeld.”
“Van wie?”
“Dat weet ik niet.”
“Wat zei het?”
Mara keek naar de natte telefoon.
“Dat ze denken dat ze haar hebben verdronken.”
Aan de andere kant werd het stil.
Toen zei Noor: “Ik ben onderweg.”
Noor arriveerde met Bas en Inge van de technische recherche.
Inge droeg opnieuw haar zwarte koffer. Mara begon zich af te vragen of die vrouw ooit zonder koffer ergens naartoe ging.
“Waar is hij?” vroeg Inge.
“Op tafel,” zei Mara.
“Goed. Niemand aangeraakt?”
“Na de eerste keer niet.”
Inge keek naar Daan.
Daan stak zijn handen op.
“Ik heb alleen koffie gezet.”
“Dat is geen probleem,” zei Inge.
Daan keek trots.
Mara keek hem aan.
“Je krijgt tegenwoordig wel heel makkelijk complimenten.”
“Dat is omdat ik goed werk lever.”
Inge trok handschoenen aan en bekeek de telefoon.
Het was een oud model. Zwart. Zwaar. De randen zaten onder zout en kleine schelpjes. Op het scherm liep een barst als een bliksemschicht.
“Dit ding is jaren oud,” zei ze.
“Maar het bericht is van vanmorgen,” zei Mara.
“Dat zegt de tijdstempel.”
“Dus?”
Inge keek op.
“Dus dat is vreemd.”
“Noor,” zei Mara. “Ze gebruikt jouw taal.”
Noor negeerde haar.
“Kan hij naar het lab?”
“Ja,” zei Inge. “Maar ik wil hem eerst in een afgeschermde hoes. Als er nog verbinding actief is, wil ik weten waar die vandaan komt.”
Bas pakte een kaart van de kust erbij.
“Waar vond Henk hem precies?”
“Bij de noordelijke zandbank,” zei Mara. “Dat zei hij.”
“Noordelijke zandbank,” herhaalde Noor.
Bas keek op.
“De Blekersplaat.”
Mara trok haar wenkbrauwen op.
“Dat klinkt niet gezellig.”
“Dat is het ook niet,” zei Bas. “De bank ligt net buiten de vaarroute. Bij laagwater komt een deel droog te liggen. Bij hoogwater verdwijnt hij bijna helemaal.”
“Zijn er veel schepen gezonken?” vroeg Daan.
Bas keek naar zijn scherm.
“Een paar. Vooral oude vissersboten.”
“Noor,” zei Mara, “ik vind het niet prettig dat je naar een gezonken boot gaat kijken.”
Noor keek haar aan.
“Ik ook niet.”
“Maar?”
“Maar we gaan wel.”
Twee uur later zat Mara in een politieauto op weg naar de haven.
De telefoon was mee naar het lab genomen. Het bericht was veiliggesteld. De vrouw op de opname had een onmiskenbare stem gehad, zei Inge.
Jong.
Bang.
En levend.
“Hoe weet ze dat?” vroeg Mara.
Noor zat naast Bas voorin.
“Ademhaling. Spanning in de stem. Geen oude opnamekwaliteit.”
“Dus de vrouw leeft.”
“Waarschijnlijk.”
Mara keek naar Daan.
Daan keek terug.
“Dat woord blijft terugkomen,” zei ze.
“Dat komt omdat het een goed woord is,” zei Noor.
“Je hebt het van tevoren bedacht.”
“No.”
“Jawel.”
Bas hield zijn ogen op de weg.
“Ik ga hier niets over zeggen.”
“Verstandig,” zei Noor.
Bij de haven lag een kleine politieboot klaar.
Henk Wagemans stond op de kade met zijn handen in zijn jaszakken. Hij zag er minder ontspannen uit dan die ochtend.
“Daar,” zei hij en wees naar zee. “Bij de Blekersplaat.”
“Was je daar alleen?” vroeg Noor.
“Ja.”
“Heb je iets gezien?”
“Alleen mijn net. En die telefoon.”
“Een boot? Mensen? Licht?”
Henk dacht na.
“Er was mist. Maar ik hoorde iets.”
“Wat?”
Henk keek naar Mara.
“Een vrouw, denk ik.”
Mara voelde haar nek koud worden.
“Wat zei ze?”
Henk wreef over zijn kin.
“Ik kon het niet goed verstaan. Het klonk alsof iemand onder water praatte.”
Niemand zei iets.
Henk haalde zijn schouders op.
“Dat klinkt gek, hè?”
“No,” zei Mara zacht. “Niet meer.”
De Blekersplaat lag als een bleke strook zand in de zee.
De wind was gaan liggen. Daardoor leek het water kalm.
Mara vertrouwde kalm water inmiddels niet meer.
Noor stond naast haar op de politieboot. Daan zat achter hen bij Bas en hield de reling vast. Niet omdat hij zeeziek was, beweerde hij. Alleen omdat “boten onverwacht veel kanten op konden”.
“Dat is waar,” zei Mara.
“Dank je.”
Duikers van de kustwacht waren al in het water.
Een van hen kwam na een paar minuten boven.
Hij trok zijn masker af.
“Er ligt iets,” riep hij.
Noor pakte haar portofoon.
“Wat voor iets?”
“Een bootwrak. Klein. Houten romp. Half onder het zand.”
Mara keek naar de grijze golven.
“Hoe oud?”
De duiker keek naar zijn collega.
“Jaren. Misschien langer.”
“Kan iemand erin zitten?” vroeg Noor.
De duiker keek naar het water.
“Er is een kajuit.”
Mara voelde haar hart bonzen.
De telefoon.
De stem.
De vrouw die niet verdronken was.
Noor gaf een teken aan de duikers.
“Voorzichtig. Eerst de buitenkant. Geen ramen openbreken.”
De duiker knikte en verdween weer onder water.
Mara keek naar Daan.
“Ze zit daar.”
Daan pakte haar hand.
“We weten het niet.”
“Ze zit daar.”
Daan zei niets.
Onder hen bewoog de zee zacht tegen de boot.
Toen piepte Bas’ telefoon.
Hij keek op.
“Inspecteur.”
Noor draaide zich om.
“Wat?”
“De telefoon uit het net.”
“Wat is ermee?”
“Hij heeft opnieuw een bericht ontvangen.”
Mara voelde haar adem stokken.
Bas zette het bericht op luidspreker.
Dezelfde vrouwenstem klonk over het water.
Deze keer nog zachter.
“Als jullie de boot vinden…”
Een golf sloeg tegen de romp.
De stem ging verder.
“…open dan niet de rode deur.”
De opname stopte.
Iedereen keek naar de zee.
Op datzelfde moment kwam één van de duikers boven.
Hij trok zijn masker af.
Zijn gezicht was bleek.
“Inspecteur,” zei hij.
Noor liep naar de rand van de boot.
“Wat is er?”
De duiker keek naar Mara.
“Er zit inderdaad een deur in de kajuit.”
Hij slikte.
“En hij is rood.”