Kamer 303

Mara werd wakker van een piano.

Niet van een echte piano.

Van haar telefoon.

Het geluid stond ingesteld als wekker sinds Daan een keer had gezegd dat haar oude alarmtoon klonk als “een rookmelder met een midlifecrisis”.

Mara opende één oog.

Het was half negen.

Naast haar lag Daan al wakker.

Hij keek naar het plafond.

“Dat lied,” zei hij.

Mara pakte haar telefoon.

“Wat?”

“Je wekker.”

“Wat is ermee?”

“Het zijn drie lage tonen. Daarna dat snelle stukje.”

Mara luisterde.

Daan had gelijk.

“Dat is gewoon een standaardmelodie.”

“Misschien.”

“Je doet geheimzinnig.”

“Dat leer ik van jou.”

Mara zette de wekker uit.

Op dat moment ging haar telefoon opnieuw.

Noor Smit.

Mara nam op.

“Met Mara.”

“Mara, heb jij ooit iets met Hotel Bellavista te maken gehad?”

Mara ging rechtop zitten.

“Nee.”

“Een foto gekregen? Een brief? Een sleutel?”

“Nee.”

Daan keek haar aan.

Mara schudde haar hoofd.

Noor bleef even stil.

“Goed,” zei ze. “Blijf thuis.”

“Dat klinkt niet goed.”

“Dat is het ook niet.”

“Wat is er gebeurd?”

“De nachtwaker heeft vannacht iets gezien. Of denkt dat hij iets heeft gezien.”

“Dat klinkt als een begin van een slecht verhaal.”

“Er lag een sleutel op een piano.”

Mara voelde haar hart sneller gaan.

“En?”

“Aan die sleutel hing een label.”

“Wat stond erop?”

Noor zuchtte heel zacht.

“Voor Mara Witte.”

De verbinding werd verbroken.

Daan keek naar Mara.

“Geen slippers,” zei hij.

Mara stapte uit bed.

“Geen beloftes.”


Hotel Bellavista stond hoog boven de duinen.

Overdag zag het er minder spookachtig uit dan ’s nachts.

Niet vriendelijker.

Maar minder spookachtig.

De gevel was ooit crème geweest. Nu was hij grijs van regen en wind. De letters boven de ingang ontbraken deels.

BELLAVI…TA

De laatste twee letters lagen waarschijnlijk ergens in de duinen.

Noor stond bij de voordeur met Bas. Pieter Koster was er ook, tot Noors zichtbare ergernis.

“Ik ben hier op verzoek van de eigenaar,” zei Pieter.

“Dat geloof ik niet,” zei Noor.

“Het hotel is historisch belangrijk.”

“Dat is geen reden om in een lopend onderzoek te staan.”

“Het is wel een uitstekende reden.”

Mara en Daan liepen naar hen toe.

Meneer Van Alst stond iets verderop onder een paraplu. Hij was een magere man met een grijze snor en een jas die te groot voor hem was.

Toen hij Mara zag, knikte hij alsof hij haar al verwachtte.

“U bent dus Mara Witte.”

“Dat ben ik.”

“U lijkt niet op een rechercheur.”

“Dat ben ik ook niet.”

“Dat zei inspecteur Smit al.”

Noor keek hem aan.

“U vertelde dat u een vrouw bij de piano zag.”

Meneer Van Alst kneep zijn paraplu steviger vast.

“Dat heb ik verteld, ja.”

“En u herkende haar?”

“Niet meteen. Maar ik heb oude foto’s gezien.”

Pieter pakte een map uit zijn tas.

Hij haalde een zwart-witfoto tevoorschijn.

Een vrouw achter een piano.

Donker haar. Lange vingers. Een rustige blik.

“Clara Bellavista,” zei hij. “De pianiste.”

Meneer Van Alst keek naar de foto.

“Dat was haar.”

Mara keek van de foto naar het hotel.

“Maar zij is dertig jaar dood.”

“Dat weet ik,” zei de nachtwaker. “Daarom heb ik slecht geslapen.”

Noor keek naar Mara.

“Kom.”


De balzaal was groter dan Mara had verwacht.

Hoge ramen. Een donker plafond. Een houten vloer die kraakte onder iedere stap.

Aan de muren hingen vergulde spiegels, dof van stof.

In het midden stond de zwarte piano.

Hij was mooi.

Te mooi voor een verlaten hotel.

De lak glansde nog. De toetsen waren schoon. Alsof iemand hem onlangs had afgestoft.

“Nooit gestemd,” zei Pieter. “Niet sinds 1996.”

“Dat weet u zeker?” vroeg Daan.

Pieter keek beledigd.

“Jongeman, ik weet alles van de piano van Bellavista.”

“Dat lijkt me een zware last.”

Pieter keek weer naar de piano.

“Het is een bijzondere piano.”

Noor wees naar het deksel.

Daar lag een zwarte sleutel.

Aan de sleutel hing een klein, vergeeld label.

KAMER 303

Daarnaast lag een witte envelop.

Bas had hem nog niet geopend.

Op de voorkant stond Mara’s naam.

Mara voelde haar maag samenknijpen.

“Dit is niet toevallig,” zei ze.

“No,” zei Noor. “Dat is het niet.”

Inge was er ook. Natuurlijk met haar zwarte koffer.

Ze maakte foto’s van de sleutel, de piano en de envelop.

“De envelop is nieuw,” zei ze. “Het papier niet. Maar de vouwranden wel.”

“Wat betekent dat?” vroeg Mara.

“Dat iemand oud papier heeft gebruikt.”

“Waarom?”

Inge keek naar de zwarte piano.

“Omdat sommige mensen graag toneel spelen.”

Noor knikte naar de envelop.

“Openen.”

Inge sneed hem voorzichtig open.

Er zat één vel papier in.

Een stuk oude bladmuziek.

Bovenaan stond de titel:

Nachtlied voor zee en stilte

Onder de noten stond met blauwe inkt een boodschap.

Mara,

Clara speelde haar laatste lied niet voor zichzelf.
Zoek kamer 303 voordat hij terugkomt.

M.

Mara keek naar de letter.

“M.”

“No,” zei Daan. “Dat is niet genoeg.”

“Dat weet ik.”

Noor pakte de sleutel op met een pincet.

“Kamer 303,” zei ze. “We gaan kijken.”


De lift deed het niet.

Dat was volgens Pieter “historisch passend”.

Volgens Mara was het vooral onpraktisch.

De trap naar de derde verdieping was smal en stoffig. Op de tweede verdieping hingen nog oude hotelborden aan de muren.

KAMERS 201–214
ONTBIJTZAAL
DAMESKAPSELON

Op de derde verdieping was het donkerder.

De gang rook naar oud tapijt en gesloten ramen.

Kamer 303 zat aan het einde.

De deur was zwart geverfd.

Geen rood.

Dat vond Mara bijna teleurstellend.

Noor stak de sleutel in het slot.

Hij draaide soepel.

De deur ging open.

Binnen stond een bed.

Een kaptafel.

Een stoel bij het raam.

En een zwarte piano.

Kleiner dan die in de balzaal.

Op de muziekstandaard lag een vel papier.

Mara zag het meteen.

Verse inkt.

Noor deed haar zaklamp aan.

Op het vel stonden drie woorden.

ZE IS NIET DOOD.

Daan keek naar Mara.

Mara keek naar de piano.

Toen klonk beneden, vanuit de balzaal, één lage pianotoon.

Lang.

Zwaar.

Alsof iemand op een deur klopte.