De foto op de mat

De bruid op de foto was dood.

Daar was Mara Witte zeker van.

Niet omdat zij haar persoonlijk had gekend. Anna de Jong was zes jaar geleden begraven, toen Mara nog in Utrecht woonde. Maar tante Jo had over de begrafenis verteld.

Heel Zandwijk had erover verteld.

Anna was jong geweest. Mooi. Verloofd. Net een huis gekocht aan de rand van het dorp. Volgens de verhalen had ze altijd gelachen alsof ze ergens een geheim wist dat de rest van de wereld nog moest ontdekken.

Toen was ze gestorven.

Een auto-ongeluk, had de politie gezegd.

Een tragisch ongeluk, had iedereen herhaald.

Nu stond Anna op een trouwfoto.

In een witte jurk.

Met een sluier.

En een glimlach.

Mara zat aan de keukentafel van nummer twaalf aan de Havenstraat. Buiten lag een dun laagje sneeuw op de straat. Binnen stond Daan bij het koffieapparaat.

Hij keek naar de foto.

“Ze lijkt niet dood,” zei hij.

“Dat is precies het probleem.”

“Ze lijkt ook niet zes jaar ouder.”

“Dat is nog meer het probleem.”

Daan schonk koffie in.

“Echte?”

Mara keek hem aan.

“Je bent onmogelijk.”

“Dat is geen antwoord.”

“Echte.”

Hij zette de beker voor haar neer.

De foto lag tussen hen in.

Anna stond op de kade van Zandwijk. Achter haar hingen witte lampjes tussen de palen. Er stonden bloemen in glazen potten. De haven lag donker en stil.

Naast haar stond Thomas Vermeer.

Donker pak. Witte stropdas. Brede glimlach.

De datum op de achterkant was van gisteren.

18 december.

“Misschien is het een oude foto met een nieuwe datum,” zei Daan.

“Anna heeft geen oude trouwfoto. Ze is nooit getrouwd.”

“Misschien een verkleedfeest.”

Mara keek hem aan.

“Op een besneeuwde kade. Met een sluier. En Thomas, die zes jaar na haar begrafenis terug is in Zandwijk?”

Daan pakte zijn koffie.

“Als je het zo zegt, klinkt mijn idee minder goed.”

“Dank je.”

De bel ging.

Mara keek naar Daan.

Daan keek naar Mara.

“Jij,” zei hij.

“Waarom?”

“Jouw huis.”

“Jouw koffiemolen.”

“Dat blijft geen juridisch argument.”

Mara liep naar de voordeur.

Noor stond op de stoep.

Ze droeg een donkere jas en had sneeuwvlokken in haar haar.

“Je hebt de foto nog,” zei ze.

“Goedemorgen, Noor.”

“Goedemorgen. Heb je hem aangeraakt?”

Mara keek naar haar hand.

“Een beetje.”

Noor sloot haar ogen.

“Dat had ik kunnen weten.”

“Je kent me.”

“Dat is precies het probleem.”

Bas stond achter haar met een bewijszakje en een camera.

Daan deed de deur verder open.

“Willen jullie koffie?”

Noor keek naar hem.

“Echte?”

“Echte.”

“Dan wil ik koffie.”


Tien minuten later lag de foto in een plastic hoes op tafel.

Bas maakte foto’s. Noor bekeek de achterkant met een klein lampje.

“De afdruk is nieuw,” zei ze.

“Dus gisteren gemaakt,” zei Mara.

“Waarschijnlijk.”

Mara keek haar aan.

Noor trok één wenkbrauw op.

“Goed. Hij is zeer recent afgedrukt.”

“Dank je.”

“Niet aan wennen.”

Bas kwam naast haar staan.

“De datum is met dezelfde printerinkt aangebracht als de tekst.”

“Dus iemand heeft hem gisteren gemaakt,” zei Daan.

“Ja,” zei Bas.

“Waar?”

“Dat moeten we uitzoeken.”

Noor keek naar Mara.

“Wie wist dat Anna en Thomas verloofd waren?”

“Het hele dorp?”

“Wie wist dat Thomas weer terug is?”

“Waarschijnlijk ook het hele dorp.”

Noor knikte.

“Dat is het nadeel van Zandwijk.”

“Dat vind ik meestal het voordeel,” zei Mara.

“Tot er een dode bruid op je deurmat ligt.”

Mara keek naar de foto.

Anna glimlachte nog steeds.

De foto was scherp genoeg om haar gezicht goed te zien.

Er zat een klein litteken boven haar linkerwenkbrauw.

Mara kende dat detail niet.

Maar ze wist zeker dat Thomas het wel zou kennen.

“Heb je hem al gesproken?” vroeg ze.

“Thomas?” Noor schudde haar hoofd. “We gaan nu naar hem toe.”

“Waar woont hij?”

Bas keek op zijn tablet.

“Hotel Havenzicht.”

Daan trok een gezicht.

“Met de zeilboten op het tapijt?”

“Hij is pas twee weken terug,” zei Noor. “Hij heeft nog geen huis.”

Mara pakte haar jas.

Noor keek haar aan.

“Je blijft hier.”

Mara keek naar de foto.

Toen naar Noor.

“Thomas staat naast Anna op een foto die gisteren is gemaakt.”

“Dat weet ik.”

“Hij kan uitleggen wat er is gebeurd.”

“Dat is waarom ík hem ga spreken.”

“Maar—”

“No.”

Daan legde een hand op Mara’s schouder.

Mara draaide zich naar hem om.

Hij schudde heel klein zijn hoofd.

Ze wist wat hij bedoelde.

Niet nu.

Niet zonder plan.

Mara haalde diep adem.

“Goed.”

Noor keek verrast.

“Goed?”

“Goed.”

Bas glimlachte.

Noor keek hem aan.

Bas stopte met glimlachen.

“Als Thomas iets zegt,” zei Noor, “bel ik je.”

“Echt?”

“No.”

Mara trok haar wenkbrauwen op.

Noor glimlachte heel even.

“Maar ik laat het je weten.”


Een uur later belde Noor.

Mara en Daan waren naar de haven gelopen. Niet om iets te onderzoeken, had Mara tegen zichzelf gezegd.

Gewoon omdat sneeuw op boten mooi was.

Dat was waar.

Een beetje.

De kade lag er stil bij. Op de meerpalen lag een dun laagje wit. De boten bewogen zacht tegen hun touwen.

Noors stem klonk kort aan de telefoon.

“Thomas heeft de foto gezien.”

“En?”

“Hij zegt dat hij geen idee heeft wanneer die is gemaakt.”

“Gelooft hij dat zelf?”

“Dat weet ik nog niet.”

“Herken je zijn pak?”

“Hij zegt dat hij het pak zes jaar geleden voor de bruiloft heeft gekocht.”

Mara bleef staan.

“Dus hij was van plan met Anna te trouwen.”

“Ja.”

“En toen stierf ze.”

“Een week voor de bruiloft.”

Mara keek naar de haven.

De lampjes op de foto hadden aan deze kant gehangen. Ze herkende de meerpaal. De oude reddingsring. De scheve plank in de kade.

“De foto is hier gemaakt,” zei ze.

Noor werd stil.

“Waar ben je?”

“Aan de haven.”

“Mara.”

“Hij is hier gemaakt. Ik herken het.”

“Noor,” riep Bas op de achtergrond. “We hebben een melding.”

Noor zei iets onverstaanbaars tegen hem.

Toen weer tegen Mara: “Ga niet alleen verder. Blijf waar je bent.”

“Wat is er?”

Noor zweeg een seconde te lang.

“Er is iets gevonden bij de noordsteiger.”

Mara keek naar Daan.

Daan had het blijkbaar aan haar gezicht gezien.

Hij pakte haar hand.

Samen liepen ze richting de noordsteiger.

Niet snel.

Niet rennend.

Dat was een verbetering.

Bij de laatste meerpaal hing iets over de rand.

Wit.

Nat.

Bewegend in de wind.

Een sluier.

Mara bleef staan.

Daan naast haar.

Aan de sluier zat een klein kaartje vast.

Bas kwam vanuit de richting van de parkeerplaats aanrennen.

“Niet aanraken!”

Mara wees.

“Dat waren we niet van plan.”

Bas pakte handschoenen aan.

Hij haalde het kaartje los.

Noor kwam net aanrijden.

Ze stapte uit en liep naar hen toe.

Bas las hardop.

De bruid wacht nog.

Maar de bruidegom liegt.

Noor keek naar Mara.

Mara keek naar de natte sluier.

Op de rand zat een klein rood vlekje.

Niet verf.

Niet lippenstift.

Bloed.