De uitnodiging
De uitnodiging lag tussen een rekening van de energieleverancier en een folder van de plaatselijke fysiotherapeut.
Mara zag hem pas toen Daan vroeg waarom ze zo stil was.
“Wat is dat?” vroeg hij.
Mara hield het kaartje omhoog.
Het was donkerblauw. Dik papier. Geen postzegel. Geen afzender.
Op de voorkant stond een kleine zilveren ster.
Aan de binnenkant stond één zin.
De sterrenkamer is weer open.
Kom om 03.17 uur.
Daan keek naar de klok.
“Dat is over vier uur.”
“Ja.”
“Dat is geen normale tijd voor een uitnodiging.”
“Dat is blijkbaar het idee.”
Daan pakte het kaartje aan.
Op de achterkant stond een adres.
Sterrenwacht Zandwijk
Duinrand 81
“De sterrenwacht,” zei hij.
“Ja.”
“Het gebouw uit Sanne’s foto.”
“Ja.”
Daan keek haar aan.
“Je hebt Noor al gebeld?”
Mara keek naar haar telefoon.
“Nog niet.”
Daan zei niets.
Dat was erger dan wanneer hij wel iets zei.
“Goed,” zei Mara. “Ik bel Noor.”
Noor nam op na twee keer overgaan.
“Smit.”
“Er is een uitnodiging voor de sterrenwacht.”
Een korte stilte.
“Voor jou?”
“Dat staat erop.”
“Waar ben je?”
“Thuis.”
“Is Daan bij je?”
“Ja.”
“Goed. Raak het kaartje niet meer aan.”
“Dat heb ik al gedaan.”
“Uiteraard.”
“Er staat dat de sterrenkamer om 03.17 uur weer open is.”
Noor bleef even stil.
“Dat is het tijdstip waarop Daniël Veldkamp volgens zijn overlijdensakte stierf.”
“Dat weet ik.”
“Hoe?”
“Sanne had het op de achterkant van een foto geschreven.”
“Noor,” zei Noor, “je moet echt vaker dingen aan mij vertellen.”
“Dat zeg jij altijd.”
“Omdat het waar blijft.”
“Kom je?”
“No.”
Mara trok haar wenkbrauwen op.
“Niet?”
“Ik kom met Bas. En jullie blijven thuis tot ik er ben.”
“Maar—”
“Geen discussie.”
De verbinding werd verbroken.
Daan keek naar Mara.
“Je blijft thuis.”
Mara keek naar het kaartje.
“Dat was Noor.”
“Ja.”
“Ze weet dat ik niet goed ben in thuisblijven.”
“Daarom zei ze het.”
Om kwart over drie stond Noor voor nummer twaalf.
Bas zat in de auto met een thermoskan en een tablet. Pieter Koster stond er ook.
Noor keek hem aan.
“Waarom bent u hier?”
Pieter hield zijn jas dicht tegen zich aan.
“De sterrenwacht is cultureel erfgoed.”
“Dat was geen antwoord.”
“Ik hoorde dat jullie naar Duinrand 81 gingen.”
“Van wie?”
Pieter keek naar de overkant.
Mevrouw Van Dongen deed net haar gordijn dicht.
Noor sloot haar ogen.
“Natuurlijk.”
Daan kwam naar buiten met vier bekers koffie.
Pieter keek gelukkig.
“Echte?”
“Echte.”
Noor nam haar beker aan.
“Dit is de enige reden dat u mee mag.”
Pieter knikte ernstig.
“Dat begrijp ik.”
De sterrenwacht lag hoog tussen de duinen.
De weg erheen was donker. Sneeuw lag nog in dunne stroken langs het pad. De zee was nergens zichtbaar, maar Mara hoorde hem wel.
Aan het einde van het pad stond de ronde toren.
De koepel bovenop was dicht.
Geen licht.
Geen beweging.
“Ziet er uitnodigend uit,” zei Daan.
“Dat is een woord,” zei Mara.
Noor stapte uit.
“Jullie blijven bij Bas.”
Mara knikte.
Daan keek haar aan.
Mara zuchtte.
“Echt.”
Noor liep met twee agenten naar de ingang.
De voordeur stond op een kier.
Dat vond Mara geen prettig begin.
Binnen klonk een klok.
Tik.
Tik.
Tik.
Bas keek naar zijn horloge.
03.16.
Noor verdween de sterrenwacht in.
Mara stond onderaan het pad met Daan, Pieter en Bas.
De wind trok aan haar jas.
De koepel boven hen bleef donker.
Toen sloeg de klok.
Niet één keer.
Niet twee keer.
Drie keer.
Drie langzame slagen.
03.17 uur.
Op dat moment schoof de koepel open.
Heel langzaam.
Een strook zwarte hemel verscheen boven de toren.
Een licht ging aan.
Niet bovenin.
In de duinen.
Ver weg, aan de rand van het natuurgebied.
Een klein, helder wit licht.
Mara voelde haar hart bonzen.
“Daar,” zei ze.
Bas keek naar zijn tablet.
“Dat is geen sterrenlicht.”
“No,” zei Mara. “Dat weet ik.”
Boven in de sterrenwacht klonk een vrouwenstem.
Niet hard.
Maar duidelijk genoeg.
“Je kijkt de verkeerde kant op.”
Iedereen verstijfde.
Noor kwam via de portofoon door.
“Bas?”
“Ja?”
“Er is niemand boven. Maar de telescoop staat gericht op de duinen.”
“Welke plek?” vroeg Bas.
Noor noemde coördinaten.
Bas keek op zijn kaart.
Zijn gezicht veranderde.
“Inspecteur.”
“Wat?”
“Daar ligt het oude huis van Daniël Veldkamp.”
Mara keek naar het licht in de duinen.
De vrouw had gezegd dat ze de verkeerde kant op keek.
Misschien bedoelde ze de hemel.
Misschien bedoelde ze de doden.
Boven haar draaide de telescoop langzaam.
Niet naar de sterren.
Maar naar het huis in de duinen waar een man zeven jaar geleden was gestorven.