Het doek in het water

Mara werd om kwart voor vier wakker van Noor.

Niet van haar telefoon.

Van Daan.

Hij zat rechtop in bed en keek naar zijn scherm.

“Noor belt,” fluisterde hij.

Mara pakte haar telefoon.

“Smit.”

“Mara, er is een schilderij gevonden bij de haven.”

Mara keek naar het donkerblauwe licht achter de gordijnen.

“Dat klinkt niet meteen als een politiezaak.”

“Er staat een boodschap op.”

“Dat klinkt meer als een politiezaak.”

“En het schilderij is gesigneerd door Willem Nol.”

Mara ging rechtop zitten.

De overleden schilder.

Het doek op haar stoep.

De natte verf.

“Waar ben je?” vroeg Noor.

“Aan de haven.”

“Ik kom.”

“Blijf thuis.”

Mara keek naar Daan.

Daan schudde zijn hoofd.

Mara keek naar de klok.

03.48 uur.

“Dat beloof ik niet,” zei ze.

Noor zuchtte.

“Dat weet ik.”


Tien minuten later stond Mara met Daan bij de oude havenloods.

De politie had lint gespannen langs de kade. Rosa Meijers stond er met Kees de hond aan een veel te korte riem.

Kees blafte naar Bas.

Bas probeerde hem te negeren.

Kees vond dat onacceptabel.

“Hij heeft een goed gevoel voor mensen,” zei Rosa.

Bas keek naar de hond.

“Dat hoop ik.”

Noor stond bij het doek.

Het lag op een plastic zeil. Inge van de technische recherche droeg handschoenen en bekeek de blauwe verf.

Mara bleef achter het lint staan.

Dat was vooruitgang.

Daan keek haar aan.

Mara knikte.

“Ik weet het.”

Het schilderij was groot.

De haven stond erop. De boten. De lampen. De sneeuwresten op de kade.

Maar alles was geschilderd alsof het regende.

In het midden lag een vrouw in een blauwe jas op de grond.

Haar gezicht was half verborgen door haar haar.

Naast haar stond in blauwe verf:

HIJ SCHILDERT WAT ER NOG MOET GEBEUREN.

“Is de verf echt vers?” vroeg Mara.

Inge knikte.

“Ja.”

“Hoe vers?”

“Uren. Geen dagen.”

“En de handtekening?”

Inge wees naar de hoek.

W. Nol

“Ook vers geschilderd,” zei ze. “Maar het lijkt op de oude signatuur.”

“Dus iemand kopieert hem,” zei Daan.

“Dat is mogelijk,” zei Inge.

Mara keek naar Noor.

Noor keek terug.

Mara zei niets.

Rosa kwam iets dichterbij.

“De man boven was oud,” zei ze. “Wit haar. Donkere jas. Hij had verf op zijn hand.”

“Zag u zijn gezicht?” vroeg Noor.

“Nee.”

“Hoorde u hem spreken?”

“Nee.”

“Maar u hoorde een klap bij het water?”

Rosa knikte.

“Toen dreef het doek daar.”

Ze wees naar de ruimte tussen twee boten.

Bas liet een zaklamp over het water schijnen.

Er dreef niets.

Geen jas.

Geen lichaam.

Alleen een lege plastic fles en een stuk zeewier.

“Is er iemand in de loods?” vroeg Mara.

Noor keek naar de donkere ramen.

“We zoeken hem nu.”


De oude havenloods was leeg.

Dat zei Noor twintig minuten later.

Maar iemand had er wel gewerkt.

Op de eerste verdieping stond een ezel. Er lag verse blauwe verf op een palet. Een lamp was nog warm. Op de grond lagen oude kranten uit 1989.

Willem Nols sterfjaar.

“Hij was hier,” zei Mara.

“No,” zei Noor. “Iemand was hier.”

“Je weet wat ik bedoel.”

“Ja.”

Daan stond naast haar bij de open deur van het atelier.

Binnen hing de geur van terpentine.

Aan de muur stonden oude schilderijen onder doeken.

Pieter Koster kwam de trap op, zichtbaar buiten adem.

“Waarom bent u hier?” vroeg Noor.

“Willem Nol was een belangrijk kunstenaar.”

“Dat was geen antwoord.”

“Ik hoorde van Rosa.”

Noor sloot haar ogen.

“Natuurlijk.”

Pieter liep naar een oud schilderij dat tegen de muur stond.

Hij trok het doek er voorzichtig af.

Het was een havengezicht.

Zomer. Zon. Boten. Een groep mensen op de kade.

“Dit is van Nol,” zei hij.

“Hoe weet u dat?” vroeg Daan.

Pieter keek hem aan.

“Jongeman.”

“Sorry.”

Op het schilderij stond een vrouw in een blauwe jas.

Mara voelde haar hart bonzen.

Niet liggend.

Staand.

Ze keek recht naar de schilder.

Pieter pakte zijn bril.

“Dat is bijzonder.”

“Waarom?” vroeg Mara.

“Willem Nol schilderde deze vrouw vaker.”

“Wie is zij?”

Pieter bekeek de onderkant van het doek.

Daar stond een titel.

De blauwe vrouw — 1988

“Hij noemde haar nooit bij naam,” zei Pieter. “Maar er gingen verhalen.”

“Wat voor verhalen?” vroeg Noor.

“Dat zij zijn muze was. Of zijn vrouw. Of zijn moordenaar.”

Mara keek naar de geschilderde vrouw.

“Dat zijn nogal verschillende opties.”

“Dat waren de jaren tachtig,” zei Pieter.

Bas kwam vanaf de trap aanlopen met zijn telefoon.

“Inspecteur.”

Noor draaide zich om.

“Wat?”

“Er is een melding van een vermissing.”

“Wie?”

Bas keek naar het scherm.

“Eva Nol.”

Pieter liet zijn bril zakken.

“Eva?”

“Wie is dat?” vroeg Mara.

Pieter keek naar het schilderij.

“De kleindochter van Willem Nol.”

Bas ging verder.

“Zesendertig jaar. Conservator bij een kunstgalerie in Utrecht. Ze was gisteren in Zandwijk voor een afspraak.”

“Wanneer is ze voor het laatst gezien?” vroeg Noor.

“Gisteravond. Bij de haven.”

“Wat droeg ze?” vroeg Mara.

Bas keek opnieuw.

Zijn gezicht werd strak.

“Een blauwe jas.”

Buiten begon Kees de hond te blaffen.

Hard.

Alsof hij de vrouw op het schilderij ook had herkend.