Het Lantaarnfeest
Mara had zich voorgenomen om niet naar de pier te gaan.
Dat voornemen hield precies negen minuten stand.
Ze probeerde eerst thee te zetten. Dat mislukte omdat ze de waterkoker niet kon vinden. Daarna probeerde ze de keukenla op te ruimen. Dat mislukte omdat tante Jo blijkbaar zevenentwintig soorten elastiekjes had bewaard, waaronder een exemplaar dat vermoedelijk uit 1998 stamde.
Toen ging de bel.
Mara schrok zo hard dat ze een lepel op de grond liet vallen.
Op de stoep stond mevrouw Van Dongen. Zij droeg een rode regenponcho, een paarse gebreide muts en een blik dat aankondigde dat er nieuws was.
Mevrouw Van Dongen woonde drie huizen verderop. Vroeger had zij Mara steevast een pepermuntje gegeven, gevolgd door een vraag die veel te persoonlijk was.
Daar was blijkbaar niets aan veranderd.
“Mara, kind,” zei ze. “Je bent er.”
“Dat schijnt.”
“Wat fijn. Wat vreselijk. Wat fijn dat je er bent, bedoel ik. En wat vreselijk van Jo.”
“Dank u.”
Mevrouw Van Dongen kneep haar lippen samen. “Ze wilde geen bloemen.”
“Dat klinkt als tante Jo.”
“Ze zei dat bloemen doodgaan en dat je er dan nóg iets bij hebt om verdrietig over te zijn.”
Mara glimlachte, ondanks zichzelf. “Dat klinkt inderdaad als tante Jo.”
De vrouw keek langs Mara de gang in.
“Je blijft toch wel een paar dagen?”
“Dat weet ik nog niet.”
“Je huis moet worden opgeruimd.”
“Het is niet mijn huis.”
“Dat wordt het misschien wel.”
“Volgens de notaris niet.”
Mevrouw Van Dongen knikte alsof notarissen vooral mensen waren die de sfeer bedierven.
Toen boog ze iets naar voren.
“Ga je nog naar het Lantaarnfeest?”
“Nee.”
“Ach. Dat dacht ik al.”
Mara trok een wenkbrauw op. “Waarom vraagt iedereen het dan?”
“Omdat iedereen hoopt dat je van gedachten verandert.”
“Waarom?”
De glimlach van mevrouw Van Dongen verdween heel even.
“Zandwijk is klein, kind. Als iemand terugkomt, wil iedereen weten waarom.”
“Dan kunnen ze hun fantasie gebruiken.”
“Dat doen ze al jaren.”
Daar had Mara niets tegenin te brengen.
Mevrouw Van Dongen keek naar de regen, die nu iets harder tegen de straat tikte.
“Als je tóch gaat,” zei ze, “doe dan voorzichtig.”
“Waarmee?”
“Met mensen die zeggen dat ze blij zijn je te zien.”
Ze draaide zich om en liep weg, zonder afscheid te nemen.
Mara bleef in de deuropening staan.
De straat glom zwart in het licht van de lantaarns. Aan het eind van de Havenstraat liepen groepjes mensen richting de zee. Sommigen droegen papieren lampionnen. Anderen hielden paraplu’s boven hun hoofd. Kinderen renden heen en weer, omdat kinderen zelfs bij regen een reden vinden om te rennen.
Binnen op de keukentafel lag het briefje.
Ga vanavond niet naar de pier. Ze weten dat je terug bent.
Mara wilde het niet toegeven, maar haar nieuwsgierigheid was altijd sterker geweest dan haar verstand.
Dat was vroeger al zo.
Het was ook de reden dat ze op haar zestiende in het afgesloten schuurtje van de burgemeester had ingebroken. Ze had daar niets gevonden, behalve een kapotte grasmaaier en een doos met belastingpapieren. Toch had ze er drie weken huisarrest aan overgehouden.
Tante Jo had toen gezegd: “Nieuwsgierigheid is geen slechte eigenschap. Je moet alleen leren wanneer je een zaklamp meeneemt.”
Mara liep naar de kapstok.
Ze pakte tante Jo’s gele regenjas.
De jas was een maat te groot en rook vaag naar lavendel. In de linkerzak vond ze een pakje pepermunt. In de rechterzak zat een klein zakmes, een stukje touw en een opgevouwen folder van de plaatselijke dierenarts.
“Voorbereid op alles,” mompelde Mara.
Daarna trok ze de deur achter zich dicht en liep naar de pier.
Het Lantaarnfeest was al tientallen jaren een traditie in Zandwijk. Aan het einde van de zomer bracht iedereen een lantaarn naar de haven. Men schreef een wens op een strookje papier, stopte die in de lantaarn en liet hem na zonsondergang te water.
Volgens de officiële uitleg bracht dat geluk.
Volgens tante Jo belandden er vooral veel natte wensen in de Noordzee.
Bij de haven stond een kraampje met warme chocolademelk. Daarnaast verkocht de slager broodjes worst. De geur van kaneel, natte jassen en gebakken uien mengde zich met de zilte lucht.
Mara bleef aan de rand van de drukte staan.
Niemand zag haar meteen.
Dat was prettig.
Toen zwaaide iemand.
Niet subtiel.
“Mevrouw Witte!”
Mara keek op.
Achter het kraampje met chocolademelk stond Fien de Graaf. Fien was een jaar jonger dan Mara en vroeger had ze altijd ruzie met haar gehad over dingen die achteraf volkomen onbelangrijk waren. Een jongen met een brommer. Een rol in de schoolmusical. De vraag wie als eerste een neppe sigaret had geprobeerd achter het dorpshuis.
Fien droeg nu een roze schort en een zilveren brilletje aan een koord.
Ze kwam meteen om het kraampje heen.
“Je bent terug,” zei Fien.
“Ik begin te vermoeden dat dit dorpsnieuws sneller gaat dan internet.”
“Internet heeft hier ook geen kans. Mijn moeder zag je auto. Zij belde mijn tante. Mijn tante belde mij. En ik vertel het nu aan jou, zodat je weet hoe het werkt.”
“Handig.”
Fien keek Mara aandachtig aan. “Hoe lang blijf je?”
“Ik weet het niet.”
“Dat weet niemand hier. Daarom is het interessant.”
Mara nam een beker chocolademelk aan die Fien haar zonder te vragen in de hand drukte.
“Dank je.”
“Je tante was dol op je.”
“Dat zei Daan ook.”
“Daan zegt tegenwoordig heel veel verstandige dingen. Het is vermoeiend.”
Mara wilde vragen hoe het met hem ging, maar op dat moment klonk er een stem achter haar.
“Nou, nou. De verloren dochter is terug.”
Mara verstijfde.
Ze draaide zich om.
Cees Ruiter stond een paar meter verderop, onder een zwarte paraplu. Hij droeg een donkerblauwe jas, glanzende schoenen en een glimlach die nergens warm werd.
Cees was makelaar. Hij verkocht huizen, vakantiewoningen en volgens sommige mensen ook zijn eigen grootmoeder, als die gunstig aan de markt lag.
Vroeger was hij de vriend van Mara’s vader geweest.
Vroeger, vóór alles misging.
“Meneer Ruiter,” zei Mara.
“Cees, alsjeblieft. We zijn geen vreemden.”
“Dat weet ik nog niet.”
Zijn glimlach werd breder, maar zijn ogen bleven koud.
“Gecondoleerd met Jo. Bijzonder mens.”
“Dat was ze.”
“Ik sprak haar nog vorige week. Over het huis.”
Mara voelde haar vingers strakker om de kartonnen beker sluiten.
“Dat huis staat niet te koop.”
“Alles staat te koop. Het is alleen een kwestie van prijs en timing.”
“Dan hebt u vandaag pech met allebei.”
Cees keek haar een moment zwijgend aan. De muziek van de fanfare kwam vanaf het plein. Iemand lachte hard. Een kind huilde omdat zijn lantaarn was ingedeukt.
“Je vader was ook nooit goed met timing,” zei Cees zacht.
Mara zette haar beker op het kraampje.
“Zeg niet nog één woord over mijn vader.”
Fien, die tot dan toe opvallend druk bezig was geweest met een stapel servetten, keek op.
Cees hief zijn handen. “Rustig maar. Ik bedoelde er niets mee.”
“Dat maakt het meestal erger.”
“Je bent nog steeds scherp.”
“U bent nog steeds vervelend.”
Cees liet een kort lachje horen. Daarna draaide hij zich om en liep richting de pier.
Mara keek hem na.
Fien blies hoorbaar uit.
“Wat wil hij met het huis?” vroeg Mara.
“Geen idee. Maar hij wil het al jaren.”
“Waarom?”
“Dat weet Jo misschien.”
“Jo is dood.”
Fien keek naar de grond. “Ja. Dat is lastig aan dode mensen.”
Een harde windstoot kwam vanaf zee. De lantaarns langs de kade flakkerden.
Boven de ingang van de pier hing een groot bord: WELKOM BIJ HET LANTAARNFEEST.
Daaronder stond Daan.
Hij praatte met een vrouw in politie-uniform. Mara herkende haar pas toen de vrouw zich omdraaide.
Inspecteur Noor Smit.
Noor had bij Mara in de klas gezeten. Ze was toen al het soort meisje geweest dat haar huiswerk op tijd af had, haar fietslicht repareerde zonder hulp en geen enkele reden zag om ooit te laat te komen.
Nu had ze donker haar in een strakke staart en een gezicht waar weinig aan te ontsnappen viel.
Daan zag Mara als eerste.
“Je bent toch gekomen,” zei hij.
“Vertel het niet door.”
“Te laat.”
Noor liep naar haar toe.
“Mara Witte.”
“Noor Smit.”
“Gecondoleerd.”
“Dank je.”
Noor knikte naar de gele regenjas. “Die jas herken ik nog.”
“Hij heeft meer karakter dan ik.”
“Dat lijkt me sterk.”
Mara keek naar de agenten verderop. “Is er iets aan de hand?”
“Niet echt. Drukte, drank en een wethouder die wil bewijzen dat hij een lantaarn kan oplaten zonder zijn wenkbrauwen te verliezen.”
“Ambitie is belangrijk.”
Noor keek even naar Daan. “Daan zei dat je pas vandaag bent aangekomen.”
“Dat klopt.”
“En je bent meteen naar de pier gekomen.”
“Dat klopt ook.”
“Je hebt dus weinig geleerd.”
Mara glimlachte flauwtjes. “Jij ook niet. Je stelt nog steeds vragen waarop je het antwoord al weet.”
Noor wilde iets terugzeggen, maar een geschreeuw onderbrak haar.
Niet het vrolijke geschreeuw van kinderen.
Dit was één scherpe, volwassen kreet.
Iedereen draaide zich om.
Aan het einde van de pier, waar de houten planken donker werden van de regen, stond een meisje met een rode lantaarn in haar hand. Ze wees naar beneden.
“Daar!” riep ze. “Er ligt iemand!”
De muziek stopte.
Heel even was alleen de wind te horen.
Toen rende Noor.
Daan volgde haar. Mara twijfelde geen seconde en ging erachteraan.
De pier schudde onder de voeten van de mensen die opzij stapten. Regen sloeg in Mara’s gezicht. Aan weerszijden lag de zee zwart en onrustig tegen de palen te klotsen.
Bij de reling stond Noor al op haar knieën.
“Blijf achter de lijn!” riep ze.
Er was geen lijn.
Toch bleef iedereen staan.
Mara wrong zich langs Daan naar voren.
“Niet doen,” zei hij zacht.
“Te laat.”
Toen zag ze het.
Onder de pier, tussen de zware houten balken, hing een man aan een touw.
Zijn voeten raakten het water.
Zijn hoofd hing voorover.
Zijn zwarte paraplu dreef een paar meter verderop, opengeklapt als een gebroken vogel.
Een lantaarn dobberde naast hem op de golven.
Op het natte papier stond, in dikke zwarte letters, één woord.
LEUGENAAR.