Een vrouw op het strand
Drie maanden na de arrestatie van Leon Verbruggen had Mara Witte een nieuwe voordeur.
Hij was blauw.
Niet lichtblauw. Niet grijsblauw. Niet het soort blauw dat mensen “subtiel maritiem” noemden wanneer ze niet durfden te zeggen dat het eigenlijk een beetje saai was.
Deze deur was helder blauw.
Tante Jo zou hem verschrikkelijk hebben gevonden.
Mara vond dat een uitstekend teken.
Ze stond in de gang van nummer twaalf aan de Havenstraat en keek naar een ladder, drie verfblikken en een man die zichzelf Ad noemde, maar volgens zijn werkbus officieel Adriaan heette.
“Dus,” zei Ad, terwijl hij met een meetlint naar de muur keek, “hier komt de boekenkast.”
“Ja.”
“En hier de lamp.”
“Ja.”
“En hier een stopcontact.”
“Dat hoop ik.”
Ad keek haar aan.
“Dat is niet hoe elektriciteit werkt.”
“Dat weet ik. Maar dit huis heeft me al vaker verrast.”
Ad knikte ernstig.
“Huizen uit deze straat doen dat. De muren zijn oud. De leidingen ook. De bewoners meestal niet.”
“Dank je.”
“Graag gedaan.”
Hij liep naar de woonkamer.
Mara bleef even in de gang staan.
Aan de kapstok hing haar regenjas. Daaronder stonden twee paar laarzen. Eén paar van haar. Eén paar van Daan, die ze hier had laten staan nadat hij had beweerd dat het “handig” was.
Mara wist niet of ze daar al iets van vond.
Ze vond vooral dat het inderdaad handig was.
Op de kleine tafel naast de voordeur lag de foto.
De foto van de vrouw in de rode jas.
Mara had hem in een lijstje gedaan. Niet omdat ze de vrouw wilde eren. Ze wist immers niet wie ze was. Maar omdat ze de foto niet in een la wilde stoppen en daarna wilde doen alsof hij niet bestond.
De vrouw stond met haar rug naar de camera.
Rode jas.
Donkere duinen.
Grijze zee.
Op de achterkant stond nog steeds die ene zin.
Niet iedereen die verdwijnt, is dood.
De bel ging.
Mara keek naar de foto.
Toen naar de voordeur.
“Als dit weer een anonieme brief is,” mompelde ze, “ga ik verhuizen naar een flat zonder ramen.”
“Dat lijkt me onhandig,” riep Ad vanuit de woonkamer. “Dan heb je ook geen uitzicht.”
Mara deed de deur open.
Daan stond op de stoep met een kartonnen bekerhouder in zijn ene hand en een papieren zak in de andere.
Hij droeg zijn werkjas. Zijn haar was nat van de motregen.
“Je hebt koffie,” zei Mara.
“Ik heb koffie.”
“Echte?”
“Echte.”
“En wat zit er in de zak?”
“Broodjes.”
“Je bent te laat.”
Daan trok een wenkbrauw op.
“Te laat waarvoor?”
“Om te doen alsof je alleen voor de koffie komt.”
Hij glimlachte.
“Dat was ik ook niet van plan.”
Daan stapte naar binnen en bleef staan toen hij de ladder en de verfblikken zag.
“Renovatie.”
“Adriaan zegt dat de muur hier geen stopcontact wil.”
“Dat is een muur. Die heeft geen mening.”
“Je kent dit huis niet.”
Daan gaf haar een beker koffie.
Mara nam een slok.
Ze sloot haar ogen.
“Dit is goed.”
“Dat weet ik.”
“Niet te zelfverzekerd worden.”
“Dat zeg je elke keer.”
“Omdat het nodig blijft.”
Daan keek naar de foto op het tafeltje.
Zijn glimlach verdween.
“Heb je Noor al gebeld?”
“Nee.”
“Mara.”
“Ze heeft genoeg aan haar hoofd.”
“Een vrouw in een rode jas op een anonieme foto is precies het soort hoofd waar Noor iets aan heeft.”
“Dat klinkt niet vriendelijk.”
“Het is ook niet vriendelijk. Het is wel waar.”
Mara zette haar koffie neer.
“Ik weet niet wat ik moet zeggen. Hallo Noor, ik heb een mysterieuze foto ontvangen van iemand die misschien dood is, maar misschien ook gewoon een slechte smaak in jassen heeft?”
“Je kunt beginnen met de foto.”
“En dan?”
“Dan laat je Noor haar werk doen.”
Mara keek hem aan.
“Jij en Noor gebruiken opvallend vaak dezelfde zinnen.”
“Dat komt omdat wij gelijk hebben.”
“Dat is heel vervelend.”
“Voor jou vooral.”
Adriaan kwam de gang in met een potlood achter zijn oor.
“Mevrouw Witte, mag ik—”
Hij stopte toen hij Daan zag.
“Ah. De koffieman.”
“Dat ben ik,” zei Daan.
Adriaan knikte naar de broodjes.
“Goed werk.”
“Dank je.”
“Mag ik de trap gebruiken?”
“Welke trap?” vroeg Mara.
“De trap naar boven.”
“Waarom?”
“Om te kijken of de lekkage in de badkamer van boven komt.”
Mara keek naar het plafond.
Er zat inderdaad een bruine kring boven de gang.
“Die was er gisteren niet.”
“Nee,” zei Adriaan. “Dat bedoel ik.”
Daan keek omhoog.
“Wil je dat ik help?”
Adriaan keek naar zijn stevige werklaarzen.
“Nee.”
“Dat was snel.”
“Ik ken jouw soort. Je zegt dat je één schroef vasthoudt en voor je het weet heb je een halve muur gesloopt.”
Daan keek naar Mara.
“Hij kent me niet eens.”
“Hij leest mensen goed,” zei Mara.
De mannen verdwenen naar boven.
Mara pakte haar telefoon.
Ze zocht Noors nummer.
Toen aarzelde ze.
Op dat moment klonk buiten een harde klap.
Geen donder.
Geen autoportier.
Iets dat tegen de blauwe voordeur was gegooid.
Mara stapte naar het raam.
Op de stoep lag een rode knoop.
Ze deed de deur open.
De knoop was groot, rond en nat van de regen. Rood wol. Vier kleine gaatjes in het midden.
Mara keek de straat in.
Aan het einde van de Havenstraat liep iemand weg.
Een vrouw.
Rode jas.
Mara liet de deur openstaan en rende achter haar aan.
“Mara!” riep Daan vanaf de trap.
Maar Mara hoorde hem nauwelijks.
De vrouw liep snel. Te snel voor iemand die niet gezien wilde worden, dacht Mara. Ze sloeg de hoek om naar de Dorpsweg.
Mara volgde haar.
De regen werd harder.
Mensen keken op toen ze voorbij rende. Mevrouw Van Dongen stond onder haar paraplu bij de oversteekplaats.
“Mara!” riep ze. “Je deur staat open!”
“Daan is daar!” riep Mara terug.
“Dat zegt niets!”
Mara rende door.
Voor haar zag ze de rode jas opnieuw, vlak bij het pleintje achter de bakker. De vrouw draaide haar hoofd.
Mara kreeg geen gezicht te zien.
Alleen een bleke wang.
Donker haar.
Toen gleed de vrouw tussen twee geparkeerde auto’s door.
Mara bereikte het pleintje.
Er was niemand.
Alleen een natte straat. Een fietsenrek. Een vuilnisbak. De geur van vers brood.
Ze draaide langzaam rond.
“Hallo?” riep ze.
Geen antwoord.
Achter haar kwam Daan aanrennen.
Hij hijgde nauwelijks. Dat vond Mara onredelijk.
“Wat doe je?” vroeg hij.
“Er was een vrouw.”
“Dat zie ik niet.”
“Rode jas. Ze liep hierheen.”
Daan keek de straat af.
“Waarheen?”
“Dat weet ik niet.”
“Mara.”
“Ik zag haar.”
“Dat geloof ik.”
“Je klinkt alsof je denkt dat ik een natte jas heb achtervolgd.”
“Ik denk dat je een vrouw hebt achtervolgd zonder jas, telefoon of nadenken.”
Mara keek omlaag.
Hij had gelijk.
Ze droeg haar slippers.
In de regen.
Over straatstenen.
“Mijn telefoon ligt thuis,” zei ze.
“Dat zag ik.”
“Je hoeft niet zo tevreden te klinken.”
“Ik ben niet tevreden. Ik ben bezorgd.”
Dat maakte haar stil.
Daan pakte voorzichtig haar arm.
“Kom,” zei hij. “We gaan terug. Dan bel je Noor.”
Mara wilde protesteren.
Toen zag ze iets onder het fietsenrek.
Een witte handschoen.
Nat. Modderig. Met een rode draad langs de rand.
Ze bukte zich.
Daan zuchtte.
“Niet aanraken.”
“Ik weet het.”
“Dat zeg je nu sneller.”
Mara haalde haar hand terug.
Op de grond naast de handschoen lag een opgevouwen stuk krant.
De regen had de randen zacht gemaakt, maar de kop was nog leesbaar.
VROUW VERMIST NA NACHTELIJKE WANDELING OP HET STRAND
Daaronder stond een korrelige foto.
Een jonge vrouw met donker haar.
Ze glimlachte voorzichtig naar de camera.
Mara kende dat gezicht niet.
Maar ze kende de jas.
De rode jas.
Onder de foto stond een naam.
Lotte de Vries, 29, voor het laatst gezien op 14 november 2014.
Daan keek over Mara’s schouder mee.
“Lotte de Vries,” las hij.
Mara keek naar de lege straat.
De vrouw op de foto was twaalf jaar geleden verdwenen.
Toch had Mara haar zojuist door Zandwijk zien lopen.
Of iemand wilde heel graag dat ze dat dacht.