De sluier aan de steiger

De sluier was van Anna de Jong.

Dat bevestigde haar moeder diezelfde middag.

Mevrouw De Jong woonde nog steeds in het huis waar Anna was opgegroeid. Een rijtjeshuis aan de rand van Zandwijk, met een netjes geveegde stoep en kerstverlichting die ook overdag bleef branden.

Ze zat aan de eettafel met haar handen om een kop thee.

Noor had de foto van de sluier op haar tablet geopend.

Mevrouw De Jong keek ernaar.

Toen begon ze te huilen.

Niet luid.

Niet dramatisch.

Gewoon alsof haar lichaam al wist wat haar hoofd nog niet kon begrijpen.

“Die heb ik zelf gemaakt,” zei ze. “Voor Anna.”

Mara zat naast Daan op de bank.

Ze voelde zich een indringer.

Maar mevrouw De Jong had gevraagd of ze bleef.

“Hoe weet u dat zo zeker?” vroeg Noor zacht.

“De rand.” Mevrouw De Jong wees naar het kant. “Daar zit een klein foutje. Eén lus is verkeerd gehaakt. Anna zei dat het geluk bracht.”

“Waar was de sluier de afgelopen zes jaar?” vroeg Bas.

Mevrouw De Jong keek op.

“In een doos. Op zolder.”

“Is de doos er nog?”

Ze knikte.

“Ja.”

Bas ging met haar mee naar boven.

Noor bleef aan tafel zitten.

“Mevrouw De Jong, is er ooit DNA afgenomen van Anna?”

De vrouw keek naar haar handen.

“Na het ongeluk.”

“Van haar lichaam?”

“Niet dat ik weet.”

“Van persoonlijke spullen?”

“Ze hadden haar tandenborstel. Haar haarborstel. De politie zei dat het niet nodig was. Thomas en mijn man hadden haar herkend.”

Mara voelde een rilling.

“Was haar lichaam erg beschadigd?” vroeg ze zacht.

Mevrouw De Jong sloot haar ogen.

“De auto lag in een sloot. Het had geregend. Het was donker. De politie zei dat het sneller was om niet alles uit te leggen.”

Noor keek haar aan.

“Begrijpelijk.”

Maar Mara hoorde iets anders in haar stem.

Niet begrijpelijk.

Onvoldoende.

Bas kwam terug met een grote kartonnen doos.

Hij zette hem op tafel.

Binnen lag een opgevouwen trouwjurk.

Wit satijn.

Een paar oude schoenen.

En een lege plek tussen het vloeipapier.

“De sluier is weg,” zei mevrouw De Jong.

“Hoe lang al?” vroeg Noor.

De vrouw schudde haar hoofd.

“Ik kijk daar niet vaak. Misschien maanden. Misschien langer.”

Bas pakte de trouwjurk met handschoenen aan.

Op de zoom zat een klein label.

Anna — 18 december

Mara keek naar de datum.

Gisteren.

De datum op de foto.

“Ze zou gisteren trouwen,” fluisterde mevrouw De Jong.

Noor keek op.

“Was de bruiloft op achttien december gepland?”

De vrouw knikte.

“Zes jaar geleden. De haven. Lampjes. Bloemen. Alles.”

Mara dacht aan de foto.

De witte lichtjes.

De kade.

De glimlach van Anna.

Het was geen willekeurige datum.

Iemand had de bruiloft opnieuw nagespeeld.


De bloedvlek op de sluier ging meteen naar het lab.

Noor vertelde Mara en Daan dat zij ondertussen niet naar Thomas Vermeer mochten gaan.

“Waarom niet?” vroeg Mara.

“Omdat ik hem al drie keer heb gesproken vandaag.”

“En?”

“Hij zegt dat hij niet weet wie de sluier heeft neergelegd.”

“Geloof je hem?”

Noor keek haar aan.

“Dat weet ik nog niet.”

“Je wordt voorspelbaar.”

“Jij ook.”

Daan stond bij het keukenraam van nummer twaalf met twee bekers koffie.

“Thomas had Anna herkend na het ongeluk,” zei hij.

“Ja.”

“Maar haar moeder niet?”

“Nee.”

“Waarom niet?”

Mara keek naar de haven in de verte.

“Omdat de politie zei dat het niet nodig was.”

“Dat is geen fijne zin.”

“Nee.”

De telefoon ging.

Noor.

Mara nam op.

“Smit,” zei Noor. “De eerste uitslag van het bloed is er.”

Mara ging rechtop zitten.

“Van wie is het?”

“Vrouwelijk bloed.”

“Anna?”

“Dat kunnen we nog niet definitief zeggen.”

Mara hield haar adem in.

“Maar?”

“Het DNA-profiel past bij het haar uit Anna’s haarborstel.”

Daan keek haar aan.

Mara voelde haar hart bonzen.

“Dus het is Anna’s bloed.”

“Waarschijnlijk.”

“Noor.”

“Goed. Het is vrijwel zeker Anna’s bloed.”

“Maar Anna is dood.”

“Dat is wat we dachten.”

Mara keek naar de lege plek in de doos van mevrouw De Jong.

Naar de trouwjurk die nooit gedragen was.

Naar de foto van een levende bruid.

“Hoe oud is het bloed?” vroeg ze.

Noor bleef even stil.

“Vers.”

De woorden bleven in de keuken hangen.

Daan zette zijn koffie neer.

Mara keek naar de sneeuw buiten.

Anna de Jong was zes jaar geleden begraven.

Maar haar bloed zat gisteren op een sluier bij de haven.

En ergens in Zandwijk wist iemand precies hoe je een dode bruid weer tot leven bracht.