Het huis van Daniël

Het huis van Daniël Veldkamp stond aan de rand van het natuurgebied.

Vanaf de sterrenwacht was het slechts een klein donker blok tussen de duinen geweest.

Van dichtbij zag Mara dat het groter was.

Een oud huis met een ronde serre. Een scheef dak. Een kleine koepel boven de zolder, alsof Daniël zelfs thuis niet kon ophouden naar de hemel te kijken.

In één raam brandde licht.

Noor stond met Bas en twee agenten bij het hek.

Mara en Daan bleven bij de auto.

“Waarom mogen wij niet mee?” vroeg Mara.

“Omdat er mogelijk iemand binnen is,” zei Bas.

“Dat is precies waarom ik mee wil.”

“Dat is precies waarom je niet meegaat.”

Daan knikte.

Mara keek hem aan.

“Jullie hebben afgesproken.”

“We hebben ervaring.”

Noor opende het hek.

Het piepte zacht.

De voordeur van het huis stond open.

Binnen brandde licht in de serre.

Noor gaf een teken.

De agenten gingen naar binnen.

Mara keek naar het huis.

De koepel op zolder stond open.

Daarboven glinsterden sterren.

Niet veel.

De lucht was bewolkt.

Maar genoeg.

Na een paar minuten klonk Noor via de portofoon.

“Begane grond leeg. Recente bewoning.”

Mara keek naar Daan.

“Lydia.”

“Misschien.”

Noor ging verder.

“Er staat eten op tafel. Thee. Een warme kachel.”

“Dus iemand was hier,” zei Bas.

“Ja,” zei Noor.

“Recent?”

Mara keek hem aan.

Bas zuchtte.

“Ja. Recent.”


De serre rook naar kamillethee en stof.

Op tafel stond één kopje. De thee was nog warm. Naast het kopje lag een open schrift.

Noor liet Mara pas binnen nadat de eerste controle klaar was.

“Alleen kijken,” zei ze.

“Dat kan ik.”

“No.”

“Goed. Ik ga mijn best doen.”

Het schrift lag open op een bladzijde vol sterrenkaarten.

Niet netjes getekend.

Met rode cirkels. Pijlen. Data.

Op één plek had iemand een zin geschreven.

HIJ KEKE NOOIT NAAR BOVEN.

Mara boog zich iets naar voren.

“Dat is Lydia’s handschrift?” vroeg ze.

Noor keek naar een oude brief uit het dossier.

“Waarschijnlijk.”

Mara glimlachte flauwtjes.

Noor keek haar aan.

“Niet beginnen.”

“Dat was ik niet van plan.”

Daan stond bij een boekenkast.

Hij wees naar een rij boeken over astronomie.

Tussen de boeken zat een dunne, witte envelop.

“Niet aanraken,” zei Noor.

“Ik weet het.”

Bas pakte de envelop met handschoenen op.

Op de voorkant stond:

Voor Mara Witte.

Mara sloot haar ogen.

“Dat gebeurt te vaak.”

“Daar zijn we het over eens,” zei Noor.

Binnen zat een oude foto.

Daniël Veldkamp stond erop met Lydia.

Hij droeg een dikke trui en keek in een telescoop. Lydia stond naast hem met haar handen in haar jaszakken.

Ze keek niet naar de sterren.

Ze keek naar de grond.

Op de achterkant stond:

Daniël zag dingen die niet bestonden. Lydia zag dingen die hij wilde verbergen.

Noor keek naar de zin.

“Wie stuurde dit?” vroeg Mara.

“Dat weten we niet.”

“Waarom ik?”

“Dat weten we ook niet.”

Mara keek naar de foto.

“Wat stierf Daniël aan?”

Bas pakte het oude dossier erbij.

“Officieel: hartaanval.”

“Waar?”

“In de sterrenwacht.”

“Alleen?”

“Volgens de rapportage wel.”

“Wie vond hem?”

Bas bladerde.

“De gemeentelijke beheerder. Een man genaamd Arend Vos.”

“Leeft hij nog?”

Bas keek op.

“Ja.”

“Waar is hij?”

“Hij woont in het oude beheerdershuis naast de sterrenwacht.”

Mara keek naar Noor.

“Dus hij is dichtbij.”

“No,” zei Noor. “Hij woont dichtbij.”

“Dat is hetzelfde.”

“Niet altijd.”

Boven in het huis klonk een doffe tik.

Iedereen keek op.

Noor pakte haar zaklamp.

“Niemand beweegt.”

Nog een tik.

Tik.

Tik.

Tik.

Mara voelde haar hart bonzen.

“Dat is boven,” fluisterde Daan.

Noor gaf een teken aan Bas.

Zij liepen de trap op.

Mara bleef onderaan staan.

Dat was vooruitgang.

Boven kraakte een deur.

Toen klonk Bas’ stem.

“Inspecteur.”

Noor antwoordde niet.

Een minuut ging voorbij.

Toen kwam Noor naar beneden.

Haar gezicht was strak.

“Er is een kamer op zolder,” zei ze.

“Met iemand erin?” vroeg Mara.

“No.”

“Maar?”

Noor keek naar de koepel boven hen.

“Met een bed dat nog warm is.”

Daan keek op.

“Lydia.”

“Misschien.”

“En de tikken?”

Noor hield iets omhoog.

Een klein metalen voorwerp.

Een horloge.

Het glas was gebarsten. De wijzers stonden stil.

03.17 uur.

“Van Daniël?” vroeg Mara.

Noor draaide het horloge om.

Op de achterkant stond een inscriptie.

Voor Lydia. Kijk niet weg.

Mara keek naar de open koepel.

Naar de sterren.

Naar het warme bed boven.

Lydia Veldkamp leefde misschien.

Ze was misschien in het huis geweest.

En iemand wilde heel graag dat Mara wist dat Daniël niet zomaar naar de hemel had gekeken.