Eva Nol
Eva Nol had haar auto bij de haven geparkeerd.
Een kleine grijze hatchback. Netjes tussen twee bestelbusjes. De ramen beslagen. Een dun laagje sneeuw op het dak.
Bas keek door de voorruit.
“Handtas op de passagiersstoel.”
“Telefoon?” vroeg Noor.
“Niet zichtbaar.”
“Portier open?”
Bas probeerde het.
De deur ging meteen open.
“Dat is niet goed,” zei Mara.
“No,” zei Noor. “Dat is het niet.”
In de auto lag een wollen muts. Een map met papieren. Een halflege fles water.
Op de achterbank stond een platte zwarte koffer.
“Schildermateriaal?” vroeg Daan.
Bas opende de koffer met handschoenen aan.
Er zaten penselen in. Doeken. Een palet. Tubes verf.
En een oude foto.
Willem Nol in zijn atelier.
Hij stond voor een groot doek. Naast hem stond een meisje van een jaar of acht.
Eva.
Op de achterkant had Willem geschreven:
Eva leert kijken. 1993.
Mara keek naar de foto.
“Hij stierf in 1989.”
Pieter, die naast haar stond, werd stil.
Bas draaide de foto om.
De datum stond er echt.
1993.
Noor pakte de foto aan.
“Is dit zijn handschrift?” vroeg ze aan Pieter.
Pieter zette zijn bril op.
Zijn gezicht veranderde.
“Ja.”
“Zeker?”
“Zo zeker als ik kan zijn zonder in een graf te klimmen.”
Mara keek naar de foto.
Willem Nol was officieel in 1989 overleden.
Maar in 1993 had hij blijkbaar nog geschilderd.
Met zijn kleindochter naast zich.
“Noor,” zei Mara.
“Ja.”
“Hij is misschien niet dood.”
“No,” zei Noor. “Hij leefde in 1993.”
“Dat is bijna hetzelfde.”
“Niet helemaal.”
Daan keek naar de foto.
“Wie vertelde Eva dat haar grootvader dood was?”
Pieter keek naar de havenloods.
“Zijn dochter. Eva’s moeder.”
“Leeft zij nog?” vroeg Noor.
Pieter knikte langzaam.
“Marijke Nol. Ze woont in Zandwijk.”
Mara keek naar de blauwe vrouw op het schilderij in haar hoofd.
“Dan moeten we met haar praten.”
Marijke Nol woonde in een appartement boven een kapsalon.
De hal rook naar haarlak en koffie. Op de derde verdieping stond een oude schildersezel naast de voordeur.
Marijke deed open.
Ze was klein, rechtop en droeg een donkerrode trui. Haar grijze haar zat strak opgestoken.
Toen Noor zei dat Eva vermist was, veranderde haar gezicht niet meteen.
Maar haar hand greep de deurpost steviger vast.
“Eva is niet vermist,” zei ze.
“Wanneer hebt u haar voor het laatst gesproken?” vroeg Noor.
“Gisterenmiddag.”
“Waar was ze toen?”
“Bij de oude loods van mijn vader.”
“Waarom?”
“Ze wilde weer graven in dingen die niemand meer wil weten.”
“Wat bedoelt u?” vroeg Mara.
Marijke keek naar haar.
“Jullie zijn zeker Mara Witte en haar gezelschap.”
Daan trok zijn wenkbrauw op.
“Dat ben ik.”
“Zandwijk praat veel,” zei Mara.
“Dat doet het.”
Noor pakte de foto uit Eva’s auto.
Marijke zag hem.
Haar gezicht werd wit.
“Waar heeft u die gevonden?”
“In Eva’s auto.”
Marijke ging langzaam op een stoel zitten.
“Hij was dus terug.”
“Willem Nol?” vroeg Noor.
Marijke knikte.
“Hij stierf niet in 1989.”
“Waarom zei u dat dan?”
“Omdat hij dat wilde.”
“Waarom?”
“Hij had iets gezien.”
Mara voelde haar hart bonzen.
“Wat?”
Marijke keek naar het raam.
“Een moord.”
De kamer werd stil.
“Wie?” vroeg Noor.
“Dat heeft hij mij nooit verteld. Hij schilderde alleen wat hij zag.”
“Wat schilderde hij?” vroeg Mara.
“De haven. De boten. Een vrouw in blauw. Een man met verf aan zijn handen.”
“De blauwe vrouw?” vroeg Pieter.
Marijke knikte.
“Hij zei dat zij niet dood mocht.”
“En toen?”
“Toen brandde zijn atelier af.”
“Was hij daarbinnen?” vroeg Bas.
Marijke schudde haar hoofd.
“Nee. Hij was al weg.”
“Waarheen?”
“Dat weet ik niet. Hij stuurde soms schilderijen. Geen brieven. Alleen schilderijen.”
“Tot wanneer?” vroeg Noor.
“Tot 1998.”
“En daarna?”
“Niets.”
Mara keek naar de foto uit 1993.
“Eva wist dat hij leefde?”
Marijke sloot haar ogen.
“Ze vermoedde het. Daarom zocht ze naar zijn werk.”
“Waarom nu?” vroeg Daan.
Marijke keek naar de tafel.
“Omdat ze vorige week een nieuw schilderij kreeg.”
Noor keek op.
“Van wie?”
Marijke haalde een doek uit een kast.
Het schilderij toonde de oude havenloods.
Nacht. Regen. Een vrouw in een blauwe jas op de kade.
Maar deze keer stond er een man achter haar.
Hij hield een paletmes in zijn hand.
Op de achterkant stond:
EVA, GA NIET NAAR DE HAVEN.
Mara voelde haar maag samenknijpen.
“Wanneer kreeg ze dit?”
“Drie dagen geleden.”
“En toch ging ze.”
“Ze zei dat haar grootvader haar nodig had.”
Noor pakte haar telefoon.
“Bas, laat de loods opnieuw doorzoeken. Alles. Ook onder de vloer, achter de wanden, op het dak.”
Bas knikte.
Marijke keek naar Mara.
“Vind je haar?”
Mara dacht aan de blauwe jas op het schilderij.
Aan natte verf.
Aan Kees die blafte naar het water.
“We gaan haar zoeken,” zei ze.
Op dat moment ging Marijkes vaste telefoon.
Ze keek naar het scherm.
Geen nummer.
Iedereen werd stil.
Marijke nam op.
“Met Marijke Nol.”
Een mannenstem klonk door de kamer.
Niet hard.
Niet dreigend.
Rustig.
“Mevrouw Nol,” zei hij. “Uw vader heeft weer geschilderd.”
Marijke werd bleek.
Mara stapte dichterbij.
De man ging verder.
“Maar dit keer is de blauwe vrouw niet op tijd.”