De man onder de pier
Niemand sprak.
Zelfs de wind leek even te wachten.
Toen kwam alles tegelijk in beweging.
Noor Smit stond op en trok haar portofoon naar haar mond. Haar stem was rustig. Te rustig, vond Mara. Maar misschien was dat precies wat een inspecteur hoorde te zijn wanneer er een dode man onder een pier hing.
“Centrale, met Smit. Stuur direct een ambulance, forensische opsporing en extra eenheden naar de Zandwijkse pier. We hebben een mogelijk misdrijf.”
Een mogelijk misdrijf.
Mara keek opnieuw naar het touw.
De man hing met zijn armen slap langs zijn lichaam. Zijn jas was donker van de regen. Eén schoen was verdwenen. De andere tikte zacht tegen een houten paal wanneer de golven hem heen en weer duwden.
Er stond een klein gezelschap om de reling. Mensen die net nog warme chocolademelk hadden gedronken, stonden nu bleek en zwijgend naast elkaar.
Het meisje met de rode lantaarn huilde.
Een vrouw sloeg haar armen om haar heen.
“Niet kijken, Lieke,” zei ze. “Kom mee.”
“Ik dacht dat het een jas was,” snikte het meisje. “Ik dacht dat iemand een jas had laten vallen.”
Dat vond Mara bijna erger.
Daan raakte haar elleboog aan.
“Mara,” zei hij zacht. “Kom.”
Ze liet zich een paar stappen terugvoeren. Niet omdat ze dat wilde, maar omdat haar benen plotseling niet meer zo betrouwbaar voelden.
Ze keek naar de lantaarn in het water.
LEUGENAAR.
De letters werden vager door de regen.
“Is het Cees?” vroeg ze.
Daan antwoordde niet meteen.
Dat was antwoord genoeg.
Mara slikte.
“Ja,” zei hij uiteindelijk. “Volgens mij wel.”
Noor kwam naar hen toe. Haar regenjas was nat op de schouders. Er zat een streng donker haar los tegen haar wang.
“Jullie gaan nu allebei naar de kade,” zei ze. “En daarna naar huis.”
“Hij is dood,” zei Mara.
Noor keek haar aan.
“Ja.”
“Hoe weet je dat?”
“Dat weet ik niet met zekerheid. Maar ik wil niet dat iemand te dichtbij komt voordat de ambulance er is.”
Mara knikte naar het water. “Die lantaarn. Met dat woord erop.”
“Ik heb hem gezien.”
“Dat lijkt geen wens.”
“Dat lijkt me ook niet.”
Noor keek over Mara’s schouder, naar de menigte.
“Ken je iemand die iets tegen Cees Ruiter had?”
Mara lachte kort. Het geluid klonk verkeerd.
“Dat is een lange lijst.”
“Begin maar met de mensen die hem echt iets zouden willen aandoen.”
“Dat weet ik niet.”
Noor hield haar blik op Mara gericht.
“Hij zei iets over mijn vader,” voegde Mara eraan toe. “Net voordat hij naar de pier liep.”
“Wat zei hij?”
“Dat mijn vader nooit goed was met timing.”
“En wat zei jij?”
“Dat hij zijn mond moest houden.”
“Dreigde je hem?”
“Nee.”
“Raakte je hem aan?”
“Ook niet.”
Noor knikte, alsof ze een vakje in haar hoofd afvinkte.
“Waar was je daarna?”
“Bij Fien de Graaf. Bij het kraampje met chocolademelk. Vraag haar maar.”
“Dat ga ik doen.”
Daan stak zijn handen in zijn jaszakken.
“Ze was bij mij toen het geschreeuw begon,” zei hij.
Noor keek hem aan. “Heb jij Cees gesproken?”
“Niet vanavond.”
“Maar eerder vandaag?”
Daan aarzelde.
Een kleine beweging. Nauwelijks zichtbaar.
Mara zag het toch.
“Daan,” zei Noor.
“Vanmiddag,” antwoordde hij. “Hij kwam langs bij de garage.”
“Waar ging dat over?”
“Hij wilde dat ik een rekening zou tekenen.”
“Welke rekening?”
“Voor werkzaamheden die nooit zijn uitgevoerd.”
Noor fronste haar wenkbrauwen. “Waarom zou hij dat willen?”
“Vraag het hem maar.”
Daan keek naar de pier.
Daar hing Cees nog steeds.
Noor zuchtte zacht.
“Dat wordt lastig.”
In de verte klonk een sirene.
De ambulance reed langzaam door de mensenmassa richting de haven. Blauwe lichten dansten over de natte straatstenen en over de gezichten van de mensen die niet weg wilden gaan.
Mara voelde een rilling, hoewel ze het niet koud had.
Cees Ruiter was geen lieve man geweest.
Dat maakte hem niet minder dood.
En het maakte de persoon die hem daar had opgehangen niet minder gevaarlijk.
Een uur later was het Lantaarnfeest veranderd in een plaats delict.
De politie had lint gespannen bij de ingang van de pier. De kraampjes waren gesloten. De fanfareleden stonden samen onder een afdakje, nog steeds in hun blauwe uniformen. Eén trompettist had zijn instrument onder zijn arm geklemd en keek ernaar alsof hij zich afvroeg waarom hij ooit muziek was gaan maken.
De meeste mensen waren naar huis gestuurd.
De rest stond op veilige afstand te fluisteren.
Mara zat met Daan in zijn auto geparkeerd aan de Havenstraat. Hij had de verwarming hoog gezet. Het rook er naar koffie, motorolie en een muntje dat ergens onder een stoel moest liggen.
Ze hield haar handen rond een kartonnen beker thee die een agent haar had gegeven.
De thee was slap.
Dat voelde op dit moment als een persoonlijke belediging.
“Je hoeft niet te blijven wachten,” zei Daan.
“Noor wil me misschien nog spreken.”
“Ze heeft je al gesproken.”
“Dan wil ze me misschien nog eens spreken.”
“Dat zal ze vast doen. Noor was altijd al iemand die een gesprek als een abonnement behandelde.”
Mara keek hem aan.
Hij glimlachte voorzichtig.
“Sorry,” zei hij. “Ongepaste humor.”
“Niet ongepast. Alleen verrassend.”
“Dat ik humor heb?”
“Dat je nog weet hoe je die moet gebruiken.”
Daan keek naar voren, door de beslagen voorruit.
“Ik heb geoefend.”
Een paar seconden zei niemand iets.
Mara keek naar zijn handen op het stuur. Hij droeg geen ring.
Dat viel haar op.
Ze vond het irritant dat het haar opviel.
“Woon je nog steeds hier?” vroeg ze.
“Boven de garage.”
“Met iemand?”
“Nee.”
“Met een hond?”
Daan draaide zijn hoofd. “Waarom zou ik met een hond wonen?”
“Omdat mensen die alleen wonen vaak een hond nemen om te voorkomen dat ze met hun eigen gedachten moeten praten.”
“Dat klinkt alsof je ervaring hebt.”
“Ik woon in Utrecht. Daar nemen mensen honden omdat ze geen tuin kunnen betalen.”
Daan lachte.
Het was een warm geluid. Kort, maar echt.
Mara voelde hoe een oude herinnering zich voorzichtig roerde. Daan op zijn achttiende, met zand in zijn haar en een te grote glimlach. Daan die haar hand pakte achter de strandtent. Daan die een week later niet kwam opdagen op het station.
Ze duwde de herinnering terug waar hij hoorde.
Niet nu.
Misschien nooit.
Een tik tegen het raam liet haar opschrikken.
Noor stond buiten.
Daan draaide het raam aan zijn kant omlaag.
“Inspecteur,” zei hij.
“Daan. Mara.”
Noor keek van de een naar de ander.
“Er komt morgen een officieel verhoor,” zei ze. “Voor jullie allebei. Niet omdat jullie verdachten zijn.”
“Dat zeg je meestal alleen wanneer iemand mogelijk verdacht is,” zei Mara.
“Je bent terug van weggeweest.”
“Dat is geen misdaad.”
“Dat hangt af van waar je terugkomt.”
Mara keek naar de politielinten bij de pier.
“Is hij inderdaad dood?”
Noor knikte.
“Cees Ruiter. De ambulance kon niets meer doen.”
“Hoe lang hing hij daar?”
“Dat weten we nog niet.”
“Is hij gewurgd?”
Noor keek even naar Daan.
“Dat bespreken we later.”
“Dus ja.”
“Noch ja, noch nee. We onderzoeken het.”
Mara vouwde haar armen over elkaar.
“Wat is er met die lantaarn gebeurd?”
“Die is veiliggesteld.”
“Stond er alleen ‘leugenaar’ op?”
“Voorlopig wel.”
“Voorlopig?”
Noor kneep haar lippen op elkaar. “Mara.”
“Goed. Ik snap het.”
“No, je snapt het niet. En dat is maar goed ook. Ga naar huis. Doe de deur op slot. En als iemand aanbelt die je niet kent, doe je niet open.”
Mara keek haar scherp aan.
“Denk je dat dit met mij te maken heeft?”
“Ik denk dat iemand een man heeft vermoord op een drukke avond, in het zicht van een heel dorp. Dat betekent dat die persoon óf wanhopig is, óf heel zeker van zichzelf.”
“Dat is geen antwoord.”
“Het is het enige antwoord dat ik je nu geef.”
Noor deed een stap achteruit.
“Morgen om tien uur,” zei ze. “Op het bureau.”
Daarna liep ze weg.
Daan draaide het raam weer dicht.
“Ze is charmant gebleven,” zei Mara.
“Ze bedoelt het goed.”
“Dat zeggen mensen vaak wanneer iemand niet charmant is.”
Daan startte de auto.
“Ik breng je naar huis.”
“Ik kan lopen.”
“Dat weet ik. Maar je doet het niet.”
Mara wilde protesteren.
Toen keek ze opnieuw naar de pier.
Het politielint bewoog in de wind.
Ze deed haar gordel om.
“Vooruit dan,” zei ze. “Maar alleen omdat je auto warm is.”
“Dat had ik gehoopt.”
Bij nummer twaalf aan de Havenstraat bleef Daan nog even zitten.
De regen was opgehouden. Op de stoep lagen plassen waarin de straatlantaarns trilden.
“Wil je dat ik binnen even kijk?” vroeg hij.
“Waarom?”
“Of alles in orde is.”
Mara keek naar hem.
“Daan, je weet toch dat ik een vrouw ben van zesendertig?”
“Zevenendertig.”
“Dat is brutaal.”
“Je verjaardag was vorige maand.”
Ze zweeg.
Hij wist het nog.
Dat was erger dan brutaal.
“Alles is in orde,” zei ze uiteindelijk. “Tante Jo had een ketting op de deur en een zakmes in haar jaszak. Ik red me wel.”
Daan knikte.
“Bel me als je toch iets nodig hebt.”
“Ik heb je nummer niet.”
Hij pakte een bonnetje uit het dashboardkastje. Met een pen schreef hij zijn nummer erop.
Toen hield hij het haar voor.
“Nu wel.”
Mara nam het aan.
“Goedenacht, Daan.”
“Goedenacht, Mara.”
Ze stapte uit.
Pas toen ze de voordeur achter zich had gesloten, liet ze haar adem ontsnappen.
Het huis was donker.
Ze deed het licht aan in de gang.
Alles stond precies zoals ze het had achtergelaten. Haar koffer. Tante Jo’s paraplubak. De foto aan de muur van Mara als kind, met een veel te grote rode emmer op haar hoofd.
Toch voelde het anders.
Alsof het huis niet meer leeg was.
Mara keek naar de kapstok.
De gele regenjas hing er niet.
Ze wist zeker dat ze hem daar had opgehangen.
Langzaam liep ze naar de woonkamer.
De deur stond op een kier.
Dat had ze niet gedaan.
Haar hart begon sneller te slaan.
“Meneer Ruiter?” zei ze, en ze haatte zichzelf meteen omdat ze zijn naam gebruikte.
Geen antwoord.
Ze duwde de deur verder open.
De kamer was leeg.
Maar op de salontafel lag een voorwerp dat er eerder niet had gelegen.
Een oude lantaarn.
Van dun metaal en geel glas.
Dezelfde soort lantaarn die die avond op de pier had gedobberd.
Mara kwam dichterbij.
Aan het handvat hing een strookje nat papier.
Ze pakte het vast.
De inkt was uitgelopen, maar de woorden waren nog leesbaar.
Vraag eens waarom Jo jou destijds heeft weggestuurd.