De handschoen
Noor Smit arriveerde twintig minuten later.
Ze stapte uit haar auto, keek naar Mara’s slippers en zei niets.
Dat was erger dan wanneer ze wel iets zei.
Mara stond bij het fietsenrek onder Daans jas. De regen was inmiddels zo hard geworden dat zelfs de bakker zijn stoepbord naar binnen had gehaald.
Bas Meijer hurkte bij de witte handschoen. Hij droeg plastic handschoenen en fotografeerde alles zorgvuldig.
De rode knop lag in een apart bewijszakje.
Het krantenknipsel ook.
Noor kwam naast Mara staan.
“Je hebt iemand gezien,” zei ze.
“Ja.”
“Een vrouw.”
“Ja.”
“Met een rode jas.”
Mara keek haar aan.
“Als je het op die toon herhaalt, klinkt het alsof ik een sprookjesfiguur heb gezien.”
“No,” zei Noor. “Als ik het herhaal, weet ik zeker dat ik het goed begrijp.”
Mara ontspande iets.
“Ze liep vanaf mijn huis richting het centrum. Ik zag haar twee keer. De tweede keer draaide ze haar hoofd. Ik zag donker haar. Een bleke huid. Maar geen gezicht.”
“Hoe oud?”
“Dat weet ik niet. Dertig? Veertig? Ze liep snel.”
“Heb je haar horen praten?”
“Nee.”
“Noemde ze jouw naam?”
“Nee.”
“Raakte ze je aan?”
“Nee.”
Noor knikte.
“Goed.”
“Goed?”
“Het is goed dat je dat weet.”
Daan kwam naast Mara staan met twee bekers koffie.
Hij gaf er één aan haar.
Noor keek naar hem.
“Echte koffie?”
“Echte.”
“Dan neem ik straks een verklaring af in de bakkerij.”
“Waarom in de bakkerij?” vroeg Mara.
“Omdat het droog is. En omdat ik niet wil dat jij verkouden wordt voordat ik je alles heb gevraagd.”
Mara keek omlaag naar haar slippers.
“Daar ben je te laat mee.”
Noor keek ook omlaag.
“Dat had ik al gezien.”
De bakkerij rook naar brood, kaneel en natte jassen.
Mevrouw Bakker, die eigenlijk Sylvia heette maar door iedereen mevrouw Bakker werd genoemd, had een tafel achter in de zaak vrijgemaakt. Ze zette een schaal met boterkoek neer en zei dat de politie “het denkwerk niet op een lege maag moest doen”.
Noor zei daar niets tegen.
Ze nam wel een stuk.
Mara zat tegenover haar. Daan zat iets verderop, bij het raam. Officieel hoorde hij niet bij het verhoor. Onofficieel was hij volgens Mara vooral aanwezig omdat hij niet van plan was haar alleen te laten.
Bas kwam binnen met de bewijszakjes.
“De handschoen is van leer,” zei hij. “Wit leer, met een rode wollen rand. Waarschijnlijk handgemaakt.”
“Dat klinkt duur,” zei Sylvia vanaf de toonbank.
Noor keek op.
Sylvia stak haar handen op.
“Wat? Ik heb ook ogen.”
“Waar is de andere handschoen?” vroeg Mara.
“Dat weten we niet,” zei Bas.
“Is er bloed?”
“No. Wel zand, modder en zout.”
“Dus hij heeft op het strand gelegen,” zei Mara.
“Of iemand heeft hem daar gedragen,” zei Noor.
Mara keek naar het krantenknipsel.
“En Lotte de Vries?”
Noor legde haar pen neer.
“Die naam ken ik.”
Daan keek op.
“Van een oude vermissing?”
Noor knikte.
“Lotte de Vries verdween in november 2014. Ze woonde toen in Utrecht, maar kwam regelmatig naar Zandwijk.”
“Waarom?” vroeg Mara.
“Ze had hier familie. Haar tante woonde in een huis aan de Duinweg.”
“Woont die tante er nog?”
“No. Overleden. Vier jaar geleden.”
“Had Lotte een partner?”
“Een vriend. Voor zover bekend. De relatie was niet stabiel.”
“Dat klinkt als politietaal voor ingewikkeld.”
“Dat klopt.”
Mara leunde naar voren.
“Is ze ooit gevonden?”
“No.”
“Maar op het krantenknipsel staat vermist.”
“Ze is in 2021 officieel doodverklaard.”
Mara voelde opnieuw die vreemde rilling.
De woorden van de anonieme foto.
Niet iedereen die verdwijnt, is dood.
“Waarom werd ze doodverklaard?” vroeg ze.
“Voor haar familie. Voor verzekeringen. Voor een woning. Voor het afsluiten van een leven dat niet afgesloten kon worden.”
Sylvia legde ergens achter de toonbank een schaal neer.
Het geluid was hard in de stilte.
“Was er een verdenking?” vroeg Daan.
Noor knikte langzaam.
“Er waren meerdere mogelijkheden. Zelfmoord. Een ongeluk op het strand. Vrijwillig vertrek. Of een misdrijf.”
“Dat is nogal breed,” zei Mara.
“Dat gebeurt vaak wanneer iemand spoorloos verdwijnt.”
“En haar vriend?”
“Die had een alibi.”
“Een goed alibi?”
Noor keek haar aan.
“Destijds voldoende.”
Mara keek naar de handschoen.
“En nu?”
“Nu hebben we een anonieme foto, een rode knop, een handschoen en een krantenknipsel.”
“En ik heb haar gezien.”
“Ja,” zei Noor. “En jij hebt iemand gezien.”
Mara kneep haar lippen op elkaar.
Ze wist dat Noor gelijk had.
Maar ze wist ook wat ze had gezien.
Rode wol.
Donker haar.
Een vrouw die niet wilde worden gevolgd.
Bas legde een nieuw bewijszakje op tafel.
“Er zit nog iets in de handschoen,” zei hij.
Noor keek op.
“Wat?”
“Een papiertje. Heel klein. Het zat in de voering.”
Mara voelde haar hart sneller gaan.
“Wat staat erop?”
“Het is nog nat. Maar we kunnen een paar woorden lezen.”
Bas liet de foto op zijn telefoon zien.
Het briefje was gescheurd. De inkt was doorgelopen.
Toch waren er twee regels zichtbaar.
… niet naar huis …
… rode jas …
Daan keek naar Mara.
Mara keek naar Noor.
“Dat is geen toeval,” zei ze.
“No,” zei Noor.
“Lotte droeg die jas.”
“Waarschijnlijk.”
“Ze wilde blijkbaar niet naar huis.”
“Of iemand wilde dat wij dat denken.”
Mara zuchtte.
“Je hebt voor alles een nuchtere uitleg.”
“No,” zei Noor. “Ik heb voor alles minstens twee verklaringen. Dat houdt mensen in leven.”
Daan keek naar de regen buiten.
“Waar werd Lotte voor het laatst gezien?”
Noor pakte haar telefoon.
“Op het strand. Bij de noordduinen.”
Mara voelde haar vingers koud worden.
Dezelfde kant als het Lantaarnhuis.
Dezelfde kant waar zoveel oude geheimen waren begonnen.
“Wanneer precies?” vroeg ze.
“Op een stormachtige avond. Ze is na een telefoontje vanuit het huis van haar tante vertrokken. Een buurvrouw zag haar later op het strand. Daarna niets meer.”
“Een telefoontje van wie?”
“Dat is nooit vastgesteld.”
Mara keek naar de foto die op haar telefoon stond.
De vrouw in de rode jas.
De donkere duinen.
De zee.
“Wat was de datum?” vroeg ze.
Noor keek in het oude dossier op haar scherm.
“Veertien november.”
Mara keek naar de kalender boven de toonbank van de bakker.
De datum was omcirkeld.
14 november.
Precies vandaag.
De bel boven de deur ging.
Iedereen keek op.
Een oude vrouw kwam binnen. Ze droeg een transparante regenponcho en hield een plastic tas tegen haar borst gedrukt.
Ze keek rond.
Toen zag ze Noor.
“Politie,” zei ze.
Noor stond op.
“Kan ik u helpen?”
De vrouw knikte.
“Ik hoorde dat er een handschoen is gevonden.”
“Wie bent u?”
“Mevrouw De Vries.”
Mara voelde haar adem stokken.
De vrouw keek naar de foto op Noors telefoon.
Haar gezicht werd wit.
“Dat is Lotte,” fluisterde ze.
“Bent u familie?” vroeg Noor.
“Mijn zus was haar moeder.”
“Mevrouw De Vries,” zei Noor voorzichtig, “Lottes moeder is volgens het dossier overleden.”
De vrouw kneep haar plastic tas steviger vast.
“Ja,” zei ze. “Dat weet ik.”
Ze keek naar Mara.
“Maar Lotte is niet dood.”
Niemand zei iets.
De vrouw haalde iets uit haar tas.
Een rode wollen muts.
Nat van de regen.
Aan de rand zat een witte handschoen vastgespeld.
De andere handschoen.