De rode deur

“Open hem niet.”

Noor zei het rustig.

Maar iedereen op de boot hoorde dat het geen gewone waarschuwing was.

De duiker dreef naast de boot. Zijn handen rustten op de rand. Achter hem bewoog de zee traag over de zandbank.

“De deur zit vast,” zei hij. “Hij is van metaal. Rood geschilderd. Er loopt een kabel vanaf de onderkant naar binnen.”

“Een kabel?” vroeg Bas.

“Ja.”

“Wat voor kabel?”

“Dat zie ik niet goed. Maar als we de deur forceren, kan er iets gebeuren.”

Mara keek naar de golven.

“De vrouw wist dat die deur er was.”

“Ja,” zei Noor.

“Ze wist dat we hem zouden vinden.”

“Ja.”

“Dus ze zit daarbinnen.”

Noor keek haar aan.

“Dat weten we nog niet.”

Mara zuchtte.

Daan kneep zacht in haar hand.

“Laat haar haar werk doen,” fluisterde hij.

“Dat doet ze al.”

“No,” zei Daan. “Ik bedoel: laat haar de juiste mensen laten doen wat nodig is.”

Mara keek naar de duiker.

Naar het water.

Naar de plek waar onder hen een rode deur zat die niemand mocht openen.

Ze haatte dat Daan gelijk had.

Op de boot kwam een tweede duiker boven.

Hij trok zijn masker af.

“Er is lucht,” zei hij.

Iedereen keek op.

“Waar?” vroeg Noor.

“In de kajuit. Achter de deur. Er zit een kleine luchtkamer.”

“Heb je iemand gezien?”

De duiker schudde zijn hoofd.

“Het raam is beslagen van binnen.”

Mara voelde haar hart bonzen.

“Dat betekent dat er iemand ademt.”

“Of dat er recent iemand heeft geademd,” zei Noor.

“Je doet het weer.”

“Ja.”

Bas pakte zijn portofoon.

“Brandweerduikers zijn onderweg. Ook een bergingsteam.”

“Dat duurt te lang,” zei Mara.

De duiker keek naar haar.

“Als we die deur verkeerd openen, loopt de hele ruimte vol.”

Mara kneep haar lippen op elkaar.

Ze wist dat hij gelijk had.

De rode deur was niet alleen een waarschuwing.

Hij was een val.


Het duurde zevenendertig minuten voordat het bergingsteam arriveerde.

Mara wist dat omdat ze iedere minuut telde.

Daan probeerde haar af te leiden door haar te laten kijken naar een meeuw die voortdurend op de reling van de politieboot landde.

“Hij ziet er verdacht uit,” zei hij.

Mara keek naar de meeuw.

De meeuw keek terug.

“Hij weet iets.”

“Dat dacht ik ook.”

Noor stond bij de duikers en overlegde met een man van de kustwacht. Hij heette Jeroen en droeg een gele jas die zo fel was dat Mara er bijna hoofdpijn van kreeg.

“We krijgen een hijskabel onder de romp,” zei Jeroen. “Dan trekken we hem een paar meter omhoog. Niet volledig. Alleen genoeg om de kajuit boven water te krijgen.”

“En de deur?” vroeg Noor.

“Die laten we zitten totdat de druk gelijk is.”

“Hoe lang?”

“Als alles goed gaat, twintig minuten.”

Mara keek naar Daan.

“Alles moet goed gaan.”

Daan keek naar de duikers.

“Daar gaan ze voor zorgen.”

Onder het water verdwenen vier figuren.

De boot bewoog nauwelijks.

Toen kwam er spanning op de kabel.

Heel langzaam.

Bijna onzichtbaar.

De zee rond de zandbank begon te kolken.

De duikers werkten onder water. Boven de golven zag Mara alleen bellen omhoogkomen.

Plotseling klonk er een tik.

Vanuit de boot.

Tik.

Tik.

Tik.

Iedereen werd stil.

Mara greep de reling vast.

“Ze leeft,” fluisterde ze.

Noor draaide zich om.

De tik kwam opnieuw.

Tik.

Tik.

Tik.

De rode deur.

Van binnenuit.

“Rustig,” riep Jeroen naar de duikers. “We hebben contact!”

Mara voelde haar ogen branden.

Niet weer, dacht ze.

Niet nog iemand die jaren moest wachten tot iemand luisterde.

De kabel trok verder.

Een stuk van de houten romp kwam boven water.

Schelpjes en zeewier gleden langs het hout naar beneden.

Toen verscheen de kajuit.

Klein.

Donker.

En aan de zijkant zat de rode deur.

De deur kwam langzaam boven de golven uit.

Er zat een raam in.

Achter het beslagen glas verscheen een hand.

Mager.

Bleek.

Levend.

Mara sloeg haar hand voor haar mond.

“Openen,” zei Noor.

Jeroen schudde zijn hoofd.

“Nog tien seconden.”

“Nu.”

“Inspecteur, als we nu—”

De hand tegen het raam bewoog.

Toen ging hij omlaag.

Mara voelde haar hart stilstaan.

“Nu!” riep ze.

De druk was gelijk genoeg.

Jeroen gaf een teken.

Een duiker draaide voorzichtig aan een metalen hendel naast de deur.

De rode deur ging open.

Niet naar buiten.

Naar binnen.

Een vrouw lag op de vloer van de kajuit.

Ze droeg een donkere trui. Haar haar plakte tegen haar gezicht. Ze bewoog nauwelijks.

Maar toen de duiker haar voorzichtig optilde, opende ze haar ogen.

Mara zag haar lippen bewegen.

De vrouw zei iets.

Niemand verstond het.

De duiker droeg haar naar buiten.

Op de boot werd ze meteen in dekens gewikkeld. Een arts knielde naast haar neer. De vrouw hoestte. Ze probeerde rechtop te komen.

“Noor,” zei Mara. “Wie is ze?”

Noor keek naar de vrouw.

“Dat weten we nog niet.”

De vrouw opende haar ogen opnieuw.

Ze keek langs de arts heen.

Recht naar Mara.

“Mara Witte,” fluisterde ze.

Mara verstijfde.

De vrouw pakte haar pols.

Haar vingers waren ijskoud.

“Niet luisteren,” zei ze.

“Waarnaar?” vroeg Mara.

De vrouw haalde moe adem.

“De stem.”

“Welke stem?”

De vrouw keek naar de rode deur.

Toen naar het water.

“Ze liegt.”

Haar ogen sloten zich.

De arts duwde Mara voorzichtig opzij.

“Mevrouw, geef haar ruimte.”

Mara deed een stap terug.

Daan stond meteen naast haar.

“Ze kende je naam,” zei hij.

“Ja.”

“Dat is niet goed.”

“Nee.”

Bas kwam aanrennen vanaf de stuurhut.

“Inspecteur.”

Noor draaide zich om.

“Wat?”

“De telefoon uit het net. Inge heeft een eerste identificatie.”

“Van de vrouw?”

Bas keek naar de vrouw op de brancard.

“De telefoon stond geregistreerd op ene Livia Bos.”

“Wie is Livia Bos?” vroeg Mara.

Bas slikte.

“Volgens de gegevens is zij vijftien jaar geleden verdronken bij de Blekersplaat.”