Drie lage tonen

De pianotoon klonk nog één keer.

Lang.

Laag.

Zwaar.

Toen werd het stil.

Noor keek naar Mara.

“Mara blijft hier.”

“Dat weet ik.”

“No.”

Noor wees naar Daan.

“Jij zorgt daarvoor.”

Daan knikte.

“Dat doe ik.”

Mara keek hem aan.

“Je bent opvallend snel aan haar kant.”

“Ik ben opvallend snel aan de kant van niet door donkere hotels rennen.”

Noor en Bas gingen de gang uit.

Hun voetstappen klonken hard over het oude tapijt.

Mara bleef in kamer 303 staan.

De kleine zwarte piano stond bij het raam. De toetsen waren geel van ouderdom. Op de muziekstandaard lag nog steeds het verse briefje.

ZE IS NIET DOOD.

Pieter boog zich naar de piano.

“Dit instrument stond hier niet,” zei hij.

Mara keek hem aan.

“Wat?”

“De kamer is al jaren afgesloten. Clara speelde beneden in de balzaal. Hier stond vroeger alleen een schrijftafel.”

“Hoe weet u dat?”

Pieter wees naar een oude foto aan de muur.

Op de foto stond kamer 303 in 1996.

Een bed. Een stoel. Een schrijftafel.

Geen piano.

Daan keek naar het zwarte instrument.

“Dus iemand heeft hem hier naar binnen gesleept.”

“Ja,” zei Mara.

“Dat lijkt onhandig.”

“Dat is het ook.”

Pieter knielde bij een van de poten.

“Maar hij is niet oud.”

Mara voelde haar hart bonzen.

“De piano?”

“De buitenkant is oud. Maar de wieltjes eronder zijn nieuw.”

Daan keek naar de deur.

“Dus hij is recent verplaatst.”

Pieter knikte.

“En de vloer is hier stevig genoeg. Dat betekent dat iemand wist wat hij deed.”

Mara keek naar de toetsen.

“Wie zet een piano in een afgesloten hotelkamer?”

“Een pianist,” zei Pieter.

“Of iemand die wil dat wij denken dat er een pianist is.”

Daan keek haar aan.

“Je leert snel.”

“Van de besten.”

Bas kwam terug de kamer in.

Hij hield een klein zwart kastje omhoog.

“De muziek beneden kwam uit een speaker,” zei hij.

“Geen echte piano?” vroeg Mara.

“De toetsen bewogen niet. Meneer Van Alst dacht dat ze bewogen.”

“Hij was bang,” zei Mara.

Bas knikte.

“Dat lijkt me logisch.”

“Waar zat de speaker?”

“Onder de piano in de balzaal.”

“Vers geplaatst?”

“Ja.”

Noor kwam achter hem aan.

Ze had een plastic zakje in haar hand.

Daarin lag een kleine geheugenkaart.

“Dit zat in de speaker,” zei ze.

“Een opname?” vroeg Mara.

“Waarschijnlijk.”

“Van Clara?”

“Noor?” vroeg Daan.

Noor keek naar de kaart.

“Dat gaan we uitzoeken.”

Mara glimlachte flauwtjes.

Noor keek haar aan.

“Niet beginnen.”

“Dat was ik niet van plan.”

“Je ogen zeggen iets anders.”


Beneden in de balzaal zette Inge een laptop op de zwarte piano.

De geheugenkaart werd voorzichtig uitgelezen.

Er stond maar één bestand op.

03.00

Bas klikte erop.

Eerst klonk ruis.

Toen de drie lage tonen.

Daarna begon dezelfde melodie die meneer Van Alst had gehoord.

Nachtlied voor zee en stilte.

Pieter sloot zijn ogen.

“Dat is Clara’s compositie,” zei hij.

“Was die ooit opgenomen?” vroeg Noor.

“Nee. Niet officieel. Ze speelde hem alleen live.”

“Hoe weet je dat?” vroeg Mara.

Pieter keek naar de piano.

“Omdat ik als jonge man in de zaal zat toen ze het voor het eerst speelde.”

Mara keek hem aan.

“U was erbij?”

Pieter knikte.

“Het was haar laatste optreden.”

“Wat herinner je je?” vroeg Noor.

Pieter keek naar zijn handen.

“Dat ze anders speelde dan anders. Rustiger. Alsof ze afscheid nam.”

“Van wie?” vroeg Mara.

“Dat wist niemand.”

De opname ging verder.

Halverwege de melodie klonk een vrouwenstem.

Niet oud.

Niet vervormd.

“Mijn naam is Clara Bellavista.”

Iedereen werd stil.

De stem sprak rustig.

“Dertig jaar geleden stierf er een vrouw in kamer 303.”

Mara keek naar Noor.

“Maar ik was die vrouw niet.”

Daan ging rechtop staan.

Op de opname sprak Clara verder.

“Als je deze melodie hoort, heeft iemand besloten dat de waarheid niet langer begraven mag blijven.”

Een deur kraakte op de achtergrond.

De vrouw ademde sneller.

“Zoek niet naar mijn graf.”

De opname kraakte.

Toen fluisterde ze:

“Zoek naar de vrouw die onder mijn naam ligt.”

Het bestand stopte.

Niemand sprak.

De zee sloeg tegen de duinen buiten.

Pieter keek naar de zwarte piano.

“Dat kan niet,” zei hij.

Noor keek hem aan.

“Waarom niet?”

“Omdat Clara Bellavista dood is.”

“Dat is precies wat de opname betwist.”

Pieter haalde zijn bril af.

“Ze is in 1996 geïdentificeerd.”

“Door wie?” vroeg Bas.

Pieter dacht na.

“Door haar echtgenoot. En door de hoteleigenaar.”

“Was er DNA?” vroeg Noor.

Pieter schudde langzaam zijn hoofd.

“Dat gebeurde toen niet altijd.”

Mara keek naar de donkere ramen van de balzaal.

“Dus er kan iemand anders onder Clara’s naam begraven liggen.”

“No,” zei Noor. “Dat is mogelijk.”

Mara zuchtte.

Noor keek haar aan.

“Je wist dat ik het ging zeggen.”

“Ja.”


De oude eigenaar van Hotel Bellavista heette Victor Bellavista.

Hij was volgens Pieter lang geleden overleden.

Clara’s echtgenoot heette Maurits de Waal.

Hij leefde nog.

Zevenentachtig jaar oud. Woonachtig in een verzorgingshuis in Hilversum.

Bas noteerde alles.

“En wie is M?” vroeg Mara.

“De letter op de bladmuziek,” zei Daan.

Noor pakte de envelop erbij.

“Geen vingerafdrukken. Geen bruikbaar DNA. Maar de inkt is recent.”

“Dus iemand weet dat Clara nog leeft,” zei Mara.

“Of iemand wil dat wij dat denken.”

Mara keek naar de piano.

Het werd vervelend hoe vaak die zin klopte.

Inge kwam vanuit kamer 303 aanlopen.

“Inspecteur.”

Noor draaide zich om.

“Wat?”

“Onder de kleine piano lag een tweede geheugenkaart.”

“Wat staat erop?”

“Een video.”

“Van wanneer?”

Inge keek op haar tablet.

“Vannacht. Drie uur en twee minuten.”

Mara voelde haar hart bonzen.

“Laat zien.”

Op het scherm verscheen kamer 303.

Donker.

Het beeld was vanuit een hoek gefilmd.

De kleine zwarte piano stond bij het raam.

Toen kwam een vrouw in beeld.

Ze droeg een lange donkere jurk. Haar haar viel los over haar schouders.

Ze ging zitten.

Speelde drie lage tonen.

Daarna de melodie.

Halverwege keek ze op.

Niet recht in de camera.

Maar dichtbij genoeg.

Ze was ouder.

Rond de zestig misschien.

Haar gezicht was smal. Haar ogen donker.

Op haar linkerpols droeg ze een dun zilveren armbandje met een klein zwart steentje.

Mara keek naar Pieter.

Pieter had één hand voor zijn mond geslagen.

“Clara,” fluisterde hij.

De vrouw op het scherm stopte met spelen.

Ze keek naar de deur.

Iemand klopte.

Tik.

Tik.

Tik.

Toen sprak Clara in de camera.

“Hij weet dat ik terug ben.”

Het beeld schokte.

De vrouw stond op.

De opname stopte.

Noor keek naar de zwarte piano.

“Nog één ding,” zei Inge.

Iedereen keek naar haar.

“In de video is een tweede persoon zichtbaar.”

“Waar?” vroeg Mara.

Inge zoomde in op het raam.

In de weerspiegeling stond een man in de gang.

Hij droeg een donker pak.

En hield iets glanzends in zijn hand.

Een zwarte sleutel.