Tipje van de sluier…
Vier ontmoetingen in Zuid-Frankrijk
Lavendel en de paarse verfspat
Lavendel stond op blote voeten in haar atelier, ergens tussen de heuvels van Zuid-Frankrijk. De ramen stonden open, de geur van lavendelvelden waaide naar binnen en op de oude houten tafel lagen penselen, halflege tubes verf en een glas rosé wijn dat eigenlijk geen waterpot mocht zijn.
Ze droeg haar zwarte baret scheef op haar blonde, rommelige knot. Haar oversized schildersjas zat vol verfspatten: blauw, goud, roze, groen en natuurlijk paars. Altijd paars. Zelfs op haar wang zat een kleine veeg, alsof de kleur haar had gekust.
“Een schilderij moet niet netjes zijn,” zei ze tegen niemand in het bijzonder. “Een schilderij moet durven ademen.”
Buiten balkte een ezel.
Lavendel glimlachte.
“Precies,” zei ze. “Jij begrijpt het.”
Ze zette een paarse lijn op het doek. Niet recht, niet voorzichtig, maar levend. En ergens in die lijn begon het verhaal.
Markie Von Zeist en het notitieboek
Markie Von Zeist zat op een verweerd bankje voor een klein café in een dorp waar de tijd traag liep. Zijn donkerblauwe polo was netjes genoeg voor de ochtend, zijn spijkerbroek had al stof van de weg gevangen en op zijn paarse sneakers zat een kleine verfspat die hij niet meer weg wilde poetsen.
Voor hem lag een notitieboek. De pagina was bijna leeg.
Hij keek ernstig naar de straat, alsof hij elk steentje ondervroeg. Zijn lichtblauwe ogen volgden een oude vrouw met een mand brood, een kat die deed alsof hij de eigenaar van het plein was, en in de verte een kunstenaar met een zwarte baret die tegen een ezel praatte.
Markie tikte met zijn pen op het papier.
“Een verhaal begint nooit waar je denkt,” mompelde hij.
Toen schreef hij één zin op:
In Zuid-Frankrijk liep een ezel rond die meer wist dan alle mensen bij elkaar.
Hij keek naar de zin, knikte langzaam en nam een slok koffie.
“Ja,” zei hij. “Daar kunnen we iets mee.”
Lady Alcina en de kelder van de wijn
Diep onder het oude landhuis, waar de muren naar aarde, eikenhout en geheimen roken, liep Lady Alcina tussen de wijnvaten door. Haar hoge zwarte hoed wierp een elegante schaduw over haar gezicht. Haar paarse lippen glimlachten alsof ze al wist wat anderen nog moesten ontdekken.
De kelder was koel, maar haar aanwezigheid maakte de lucht warmer. Aan haar oren glansden paarse oorbellen en op haar wang zat een kleine verfvlek, een detail dat niet paste bij haar perfectie — en haar daardoor juist gevaarlijk menselijk maakte.
Ze legde haar hand op een wijnvat.
“Geduld,” fluisterde ze. “Alles wat kostbaar is, heeft tijd nodig.”
Boven haar hoofd kraakte het oude huis. Buiten zong de zomer. Binnen wachtte de wijn.
Toen hoorde ze voetstappen op de trap.
Lady Alcina glimlachte breder.
“Eindelijk,” zei ze zacht. “Het verhaal komt naar mij toe.”
Ezel en de zware tassen
Ezel had geen haast. Dat was zijn grootste talent.
Hij droeg een strohoed die iets te groot was en een doek met verfvlekken om zijn rug. Aan weerszijden hingen tassen: een paar flessen wijn, een stokbrood, penselen, een notitieboek en iets wat verdacht veel leek op een half opgegeten appel.
Hij liep over een smal pad tussen de lavendelvelden. De zon lag warm op zijn rug en de krekels maakten muziek alsof ze ervoor betaald werden.
Achter hem riep Lavendel:
“Niet aan de wijn zitten!”
Ezel bleef staan, draaide langzaam zijn kop om en keek haar aan met de waardigheid van iemand die volledig onschuldig was, maar dat absoluut niet was.
Markie, die ernaast liep, fronste.
“Ik denk dat hij ons begrijpt.”
“Dat doet hij zeker,” zei Lavendel.
Ezel balkte één keer.
En ergens tussen dat gebalk, de geur van lavendel en het zachte rinkelen van wijnflessen begon de reis.