boek… onderstaande sectie alleen zichtbaar voor ingelogden…

geen catch gebruiken…

Niets Aan de Hand, Behalve Alles

romantiek, droge humor, speels

Introductie, tipje van de sluier en .. hoofdstukken

 

Hoofdstuk 1 – De man tussen de druiven

Noor Vermeer had zich voorgenomen die zomer drie dingen niet te doen: verliefd worden, te veel wijn drinken en mannen met mooie handen vertrouwen.

Tegen lunchtijd had ze twee van de drie al serieus in gevaar gebracht.

De eerste misstap begon met een kofferwiel.

Het rechtervoorwieltje van haar donkerblauwe koffer besloot, precies op het dorpsplein van Saint-Romain-du-Lac, dat zijn bijdrage aan haar nieuwe leven voltooid was. Het gaf een kort, knarsend geluid, maakte een halve slag naar links en brak toen af alsof het dramatisch ontslag nam.

Noor bleef staan.

Achter haar toeterde een kleine witte bestelwagen.

Voor haar liep een oude man met een stok tergend langzaam over het plein, zonder ook maar één keer om te kijken. Aan de overkant zat een rij mannen onder platanen in plastic stoelen, allemaal met een glas koffie of iets wat daar te vroeg op de dag verdacht veel op leek. Ze keken naar haar alsof ze onderdeel was van het ochtendprogramma.

Noor keek naar haar koffer.

De koffer hing scheef.

Zij waarschijnlijk ook.

“Mooi,” zei ze tegen niemand in het bijzonder. “Symbolisch. Daar houden we van.”

De bestelwagen toeterde opnieuw.

Noor draaide zich langzaam om en keek naar de bestuurder, een jongen met een petje en de nerveuze uitdrukking van iemand die liever niet door een Nederlandse vrouw van middelbare leeftijd werd uitgescholden op een dorpsplein in Zuid-Frankrijk.

Ze glimlachte vriendelijk.

Dat werkte meestal erger.

De jongen stak verontschuldigend zijn hand op, stuurde om haar heen en verdween door een straatje dat eigenlijk te smal was voor voertuigen maar dat blijkbaar niemand daar ooit had tegengehouden.

Noor bukte, pakte het afgebroken wieltje op en stopte het in haar jaszak. Niet omdat het nog nut had, maar omdat ze het niet op straat wilde achterlaten. Ze was wel uit Nederland vertrokken, niet uit haar opvoeding.

“Madame Vermeer?”

De stem kwam van links.

Een kleine vrouw met zilvergrijs haar, een schort met citroenen erop en een mand abrikozen aan haar arm kwam op haar af. Ze bewoog met de doelgerichtheid van een veldmaarschalk.

“Noor,” zei Noor automatisch. “Alstublieft. Madame Vermeer klinkt alsof ik mensen streng toespreek in een notariskantoor.”

De vrouw bekeek haar van boven tot onder. Linnen blouse, lichte broek, sandalen, haar dat vanochtend nog verzorgd was geweest en nu iets had aangenomen wat men in tijdschriften misschien nonchalant zou noemen als het model twintig was.

“Ik ben Colette,” zei de vrouw. “Van de winkel.”

“Welke winkel?”

“De winkel.”

Natuurlijk.

Colette wees met haar kin naar een klein pand aan de rand van het plein. Er hingen manden buiten, bossen knoflook, strohoeden, ansichtkaarten en een bord waarop stond dat men er brood, kaas, zeep, wijn, batterijen, postzegels en waarschijnlijk huwelijksadvies kon kopen.

“U bent laat,” zei Colette.

“Mijn trein was laat.”

“De trein is altijd laat.”

“Dan ben ik eigenlijk op tijd.”

Colette keek haar een fractie langer aan. Toen trok haar mondhoek omhoog.

“Goed. U heeft een beetje verstand.”

“Een beetje is meestal genoeg voor de eerste dag.”

“Niet hier.”

Colette pakte zonder te vragen het handvat van Noor’s koffer. De koffer kantelde onmiddellijk naar zijn gehandicapte zijde en sleepte met een geluid over de stenen dat door het hele dorp galmde.

Alle mannen onder de platanen draaiden hun hoofd mee.

Noor sloot haar ogen kort.

“Is er een minder opvallende manier om aan te komen?” vroeg ze.

“Ja,” zei Colette. “Niet aankomen.”

Ze begon te lopen.

Noor volgde haar over het plein, langs de fontein waaruit een dun straaltje water met een vermoeid geluid in een groen uitgeslagen bassin viel. Een hond lag ernaast in de schaduw, groot en ruwharig, met één oor omhoog en één oor dat de strijd tegen de zwaartekracht had opgegeven. Hij opende één oog toen Noor passeerde.

Noor keek terug.

De hond hief zijn kop.

“Bonjour,” zei ze.

De hond stond op.

Colette draaide zich om. “Niet praten tegen Basile.”

“Waarom niet?”

“Omdat hij dan denkt dat u redelijk bent.”

“Dat lijkt me een compliment.”

“Niet van Basile.”

De hond liep inmiddels achter hen aan. Niet opdringerig. Eerder alsof hij toezicht hield.

“Is hij van u?” vroeg Noor.

“Nee. Van Étienne Moreau.”

De naam werd uitgesproken met precies genoeg betekenis om duidelijk te maken dat Noor hem moest kennen, vrezen, vermijden of trouwen. Mogelijk alle vier.

“En wie is Étienne Moreau?”

Colette bleef zo abrupt staan dat de koffer tegen haar enkel botste. Ze keek Noor aan alsof ze zojuist had gevraagd wat kaas was.

“De wijnmaker.”

“Er zijn hier vast meer wijnmakers.”

“Ja. Maar hij is de moeilijke.”

Noor glimlachte. “Ah. Elke regio heeft er één nodig.”

“Hij heeft het domaine naast uw atelier.”

Noor’s glimlach werd iets kleiner.

“Náást?”

“Min of meer.”

“Madame Lavigne zei dat het atelier rustig lag.”

“Dat klopt.”

“Náást een wijnhuis?”

“Wijn maakt niet veel lawaai als men het goed behandelt.”

“En deze Étienne?”

Colette keek even naar Basile, die achter Noor was gaan zitten alsof hij haar al jaren kende.

“Étienne maakt vooral lawaai door te zwijgen.”

Noor wilde net vragen wat dat precies betekende, toen ze aan het einde van de straat een huis zag dat haar vragen voorlopig overbodig maakte.

Het atelier stond aan een smal weggetje dat uit het dorp naar beneden liep, richting glooiende velden en rijen druivenstokken die zich uitstrekten tot aan lage heuvels in de verte. Het gebouw was oud, met lichtgele muren, verweerde blauwe luiken en een dak waarvan de pannen lagen alsof ze onderling ruzie hadden. Wilde rozen groeiden langs de zijkant. Lavendel stond in dikke paarse bossen tegen de muur, druk bezocht door bijen.

Aan de ene kant van het atelier lag een kleine binnenplaats met een ronde tafel, twee ijzeren stoelen en een stenen waterbak waarin geen water zat maar wel een zeer zelfverzekerde hagedis.

Aan de andere kant begon een laag muurtje.

Daarachter: wijnranken.

En tussen die wijnranken stond een man.

Hij stond gebukt, met zijn rug naar haar toe, in een wit overhemd waarvan de mouwen waren opgestroopt tot net onder de ellebogen. Zijn handen bewogen langzaam tussen de bladeren. Niet gehaast, niet aarzelend. Alsof hij precies wist wat hij deed en de rest van de wereld kon wachten.

Noor bleef staan.

Dat was op zichzelf al irritant.

Ze was niet naar Frankrijk gekomen om stil te blijven staan vanwege mannen in wijngaarden. Ze was gekomen voor rust, herstelwerk, koffie in de ochtend en emotionele overzichtelijkheid.

De man richtte zich op.

Hij was lang. Slank. Donkergrijs haar, iets te lang, alsof hij een afspraak met de kapper had gemist en daar vrede mee had. Zijn gezicht was verweerd, smal en ernstig. Niet knap op een gladde manier. Eerder het soort gezicht waar het leven duidelijke aantekeningen in had gemaakt.

Hij keek naar Colette.

Toen naar Noor.

Zijn blik bleef net lang genoeg hangen om onbeleefd te zijn als hij minder rustig had gekeken.

Noor voelde onmiddellijk de behoefte iets scherps te zeggen.

Dat was meestal geen goed teken.

“Étienne,” riep Colette.

De man kwam naar het muurtje gelopen. Basile stond op en kwispelde één keer. Niet uitbundig. Meer als administratieve bevestiging.

Étienne keek naar de hond.

“Basile.”

De hond negeerde hem en ging naast Noor zitten.

Noor keek naar de hond. “U kiest snel partij.”

“Hij kiest nooit partij,” zei Étienne. Zijn stem was laag, droog en iets schor. “Hij kiest comfort.”

“Dan is hij intelligenter dan de meeste mensen.”

Étienne keek haar aan.

Colette glimlachte alsof ze net een taart in de oven had gezet die prachtig zou gaan rijzen.

“Dit is Noor Vermeer,” zei ze. “Zij neemt het atelier over voor de zomer.”

“Restaurator,” zei Noor.

“Wijnmaker,” zei Étienne.

“Dat had ik begrepen.”

“Van Colette?”

“Zij noemde u de moeilijke.”

Colette kuchte niet eens.

Étienne keek naar Colette. “Dank je.”

“Graag gedaan,” zei Colette.

Noor merkte dat ze nog steeds het afgebroken wieltje in haar jaszak voelde drukken. Ze haalde het eruit en hield het omhoog.

“Mijn koffer heeft de reis niet overleefd.”

Étienne keek naar het wieltje. Daarna naar de koffer, die schuin tegen Colette’s been hing als een dronken toerist.

“Dat is geen koffer meer,” zei hij.

“Nee?”

“Dat is bagage met verdriet.”

Noor lachte voordat ze zich kon inhouden.

Het was geen grote lach. Meer een korte ontsnapping. Maar Étienne zag het. Dat was vervelend. Sommige mannen zagen te veel en deden daar dan alsof niets mee was.

“Kan hij gerepareerd worden?” vroeg ze.

“De koffer?”

“Mijn verdriet red ik zelf wel.”

Weer die blik. Donker. Rustig. Met iets erin dat misschien humor was, misschien vermoeidheid, misschien een waarschuwing.

“Ik heb gereedschap,” zei hij.

“Natuurlijk heeft u gereedschap.”

“Is dat een probleem?”

“Nee. Alleen voorspelbaar.”

“U bent hier tien minuten.”

“Lang genoeg om patronen te herkennen.”

Colette maakte een tevreden geluidje. “Goed. Jullie kunnen praten.”

“Dat was geen praten,” zei Étienne.

“Nee,” zei Noor. “Dat was aftasten met woorden.”

Basile legde zijn kop tegen Noor’s been.

Étienne keek daar zo gekrenkt naar dat Noor bijna medelijden met hem kreeg.

Bijna.

“Hij doet dat normaal niet,” zei Étienne.

“Misschien ben ik uitzonderlijk.”

“Dat zullen we zien.”

Het had niets moeten betekenen. Het was een gewone zin. Droog uitgesproken, bijna achteloos.

Toch voelde Noor hem ergens onder haar ribben landen.

Onzin, dacht ze.

Zuid-Franse hitte. Reizen. Te weinig gegeten. Een hond met slechte grenzen. Een man met handen. Dat was alles.

Niets aan de hand.

Behalve misschien alles, maar daar was het veel te vroeg voor.

Colette trok de koffer weer op gang. “Kom. Ik laat u het atelier zien voordat de middag besluit u te smelten.”

Ze liepen naar de blauwe deur. De verf bladderde af, maar op een manier die in Nederland achterstallig onderhoud zou heten en hier karakter. Colette haalde een grote sleutel uit haar schortzak en stak hem in het slot.

Hij draaide niet.

Colette fronste.

Ze probeerde opnieuw.

Niets.

“Is dat de juiste sleutel?” vroeg Noor.

“Natuurlijk.”

“Dat zeggen mensen meestal vlak voordat blijkt van niet.”

Colette wierp haar een blik toe.

Achter hen klonk een zachte stap. Étienne was over het lage muurtje gekomen en stond nu op de binnenplaats. Van dichtbij rook hij naar zon, aarde en iets kruidigs dat misschien tijm was. Of werk. Noor vond het bijzonder onhandig dat werk aantrekkelijk kon ruiken.

“Laat mij,” zei hij.

Colette gaf hem de sleutel met zichtbare tegenzin.

Étienne boog zich naar het slot.

Noor deed haar best niet naar zijn handen te kijken.

Dat lukte matig.

Zijn vingers waren lang, bruin van de zon, met kleine sneetjes langs de knokkels. Praktische handen. Niet van die gladde handen die in restaurants om aandacht vroegen. Handen die dingen konden openen, tillen, herstellen. Of ruïneren, afhankelijk van het karakter van de eigenaar.

“Het slot klemt,” zei hij.

“Ook voorspelbaar,” zei Noor.

Hij keek over zijn schouder. “U vindt veel voorspelbaar.”

“Tot nu toe stelt het dorp niet teleur.”

Hij draaide de sleutel langzaam, tilde de deur iets op met zijn schouder en gaf toen een korte duw. De deur sprong open met een zucht van hout, stof en opgesloten zomer.

Noor stapte naar binnen.

Het atelier was groter dan ze had verwacht. Hoog plafond, ruwe balken, een stenen vloer, witgekalkte muren met vegen van vorige levens. Aan de noordkant waren hoge ramen waardoor zacht licht naar binnen viel. In de hoek stond een oude ezel. Niet het dier, maar het schilderding. Al zag het er bijna even koppig uit.

Er stonden tafels, kasten, lege lijsten, rollen doek, dozen met vergeten materialen. Alles rook naar stof, terpentine, hout en zonverwarmde muren.

Noor voelde iets in haar ontspannen.

Hier kon ze ademen.

Hier kon ze werken.

Hier kon ze misschien verdwijnen zonder helemaal kwijt te raken wie ze was.

“Mooi,” zei ze zacht.

Achter haar bleef het even stil.

Toen zei Étienne: “Het dak lekt.”

Noor draaide zich om.

“Natuurlijk doet het dat.”

“Alleen bij regen.”

“Dat is geruststellend. Ik was bang dat het ook uit principe lekte.”

Zijn mond bewoog bijna. Niet helemaal een glimlach. Meer een barstje in zijn ernst.

Colette zag het ook. Noor wist het zeker, want Colette keek alsof ze zojuist een geheim recept had ontdekt.

“Madame Lavigne zei dat alles in orde was,” zei Noor.

“Véronique bedoelt dat meestal spiritueel,” zei Colette.

Noor liep naar een van de hoge ramen en duwde het open. Het gaf mee met een krijsend geluid. Buiten golfden de wijnranken in de hitte. Verderop zag ze het hoofdgebouw van het domaine: oud natuursteen, groene luiken, een brede trap, cypressen aan weerszijden en daarachter lage gebouwen die waarschijnlijk de wijnkelders vormden.

Het was prachtig.

Gevaarlijk prachtig.

Dat soort schoonheid deed mensen domme dingen vergeven.

“Uw wijnhuis?” vroeg ze zonder zich om te draaien.

“Ja,” zei Étienne.

“Het is scheef.”

“Het staat al tweehonderd jaar.”

“Dat zeggen mensen over slechte gewoonten ook.”

Deze keer glimlachte hij echt.

Heel even maar.

Noor zag het in de weerspiegeling van het raam en voelde een belachelijk klein triomfje. Alsof ze een moeilijk slot had geopend.

Basile liep het atelier binnen, snuffelde aan een doos met doeken en ging vervolgens midden in een strook zonlicht liggen alsof hij daar net een huurcontract had getekend.

“Basile,” zei Étienne.

De hond sloot zijn ogen.

“Hij voelt zich thuis,” zei Noor.

“Dat is mijn zorg.”

“Hij heeft smaak.”

“Hij heeft vlooien.”

Colette klapte in haar handen. “Goed. Dan is alles geregeld.”

“Noemt u dit geregeld?” vroeg Noor.

“U heeft een dak, meestal. Een deur, als Étienne in de buurt is. Een hond die u accepteert. Dat is meer dan sommige huwelijken.”

Étienne gaf haar een blik. “Colette.”

“Wat?”

“Ga iemand anders lastigvallen.”

“Ik moet naar de winkel. Mensen hebben brood nodig en informatie.”

Ze pakte haar mand abrikozen steviger vast en liep naar de deur. Daar draaide ze zich om naar Noor.

“Vanavond is er markt op het plein. Kleine markt. Muziek. Eten. Wijn. U komt.”

“Ik ben net aangekomen.”

“Precies. Dan weet u nog niet beter.”

“Ik wilde eigenlijk uitpakken.”

“Dat kan morgen. Kleren lopen niet weg.”

“Mijn koffer misschien wel, als hij nog een wiel vindt.”

Colette wees naar Étienne. “Hij repareert hem.”

Étienne keek alsof dit nieuws voor hem was.

“Doe ik dat?”

“Ja,” zei Colette.

“En als ik nee zeg?”

“Dan vertel ik iedereen dat Basile meer gastvrijheid heeft dan u.”

Er viel een stilte.

Étienne nam de koffer van haar over.

“Waar moet hij heen?” vroeg hij.

Noor trok een wenkbrauw op. “U geeft snel toe.”

“Alleen aan terroristen boven de zeventig.”

Colette glimlachte tevreden en verdween naar buiten.

Noor bleef met Étienne in het atelier staan. Het licht was warm en stoffig. Buiten zongen krekels alsof ze per noot betaald werden.

Ze was zich ineens te bewust van de ruimte tussen hen. Niet klein. Niet groot. Gewoon aanwezig.

“U hoeft mijn koffer niet te repareren,” zei ze.

“Nee.”

Hij zette de koffer op een tafel, legde het afgebroken wieltje ernaast en inspecteerde de schade.

“Maar u doet het toch?”

“Blijkbaar.”

“Uit angst voor Colette?”

“Uit respect voor leeftijdsgebonden manipulatie.”

Noor liep naar de andere kant van de tafel. “Dat klinkt bijna nobel.”

“Het is zelfbehoud.”

Hij bukte zich iets over de koffer. Zijn overhemd trok strak over zijn schouders. Noor keek heel bewust naar het wieltje.

Heel bewust.

“U bent restaurator,” zei hij.

“Ja.”

“Van schilderijen?”

“Vooral zeventiende- en achttiende-eeuws werk. Soms modern als ik straf verdien.”

“U herstelt wat beschadigd is.”

“Voor zover mogelijk.”

“En als het niet mogelijk is?”

“Dan leer je het beschadigde goed bekijken.”

Hij keek op.

Daar was weer die stilte. Niet leeg. Integendeel. Het was een stilte die zich ergens tegenaan leunde.

Noor voelde zich plotseling betrapt op eerlijkheid.

Ze pakte een doos van de grond en zette die zonder reden op een andere tafel.

“En u?” vroeg ze. “U maakt wijn.”

“Ik probeer wijn te maken. De druiven beslissen uiteindelijk of ik gelijk krijg.”

“Dat klinkt nederig.”

“Dat is schijn.”

“Gelukkig. Ik begon me zorgen te maken.”

Hij vond een schroefje los aan de onderkant van de koffer en maakte een afkeurend geluid.

“Goedkope constructie.”

“Hij was in de aanbieding.”

“Dat verklaart het verdriet.”

“U lijkt erg betrokken bij mijn bagage.”

“Iemand moet het zijn.”

Ze keek hem aan.

Dat had hij niet met nadruk gezegd. Juist daardoor kwam het dichterbij dan nodig.

Noor voelde een waarschuwing in zichzelf oplichten. Klein rood lampje. Gevaar. Man met droge humor, stille ogen en nuttige handen. Niet voeren na middernacht. Niet volgen naar wijnkelders. Niet laten glimlachen.

Ze vouwde haar armen over elkaar.

“Voor de duidelijkheid,” zei ze, “ik ben hier voor werk en rust.”

“Dat zei ik niet tegen.”

“Mooi.”

“Ik ook.”

“Voor werk en rust?”

“Voor werk.”

“Geen rust?”

“Ik ben wijnmaker.”

“Ah. Dus nee.”

Hij pakte het wieltje op en draaide het tussen zijn vingers.

“Vanavond op de markt kunt u proeven.”

“Van uw wijn?”

“Als u durft.”

Noor lachte zacht. “Is dat een uitdaging?”

“Nee. Een waarschuwing.”

“Zo verkoopt u vast veel flessen.”

“Genoeg.”

Hij legde het wieltje neer en keek haar aan.

“Rood of wit?”

“Rosé.”

Natuurlijk zei ze rosé. Ze had zich voorgenomen die zomer niet te veel wijn te drinken en begon direct met precisie haar voorkeur uit te spreken.

Étienne knikte traag. “Rosé is voor mensen die nog niet willen kiezen.”

“Onzin. Rosé is voor mensen die weigeren zich in een hoek te laten duwen.”

“Dat is ook een manier om niet te kiezen.”

“U maakt het erg moeilijk om u aardig te vinden.”

“Dat hoor ik vaker.”

“En?”

“Meestal van mensen die blijven.”

Daar was het weer. Die zin die gewoon had kunnen zijn als zijn stem niet zo laag was geweest. Als zijn blik niet zo rustig was. Als Noor niet te lang onderweg was geweest, te moe, te open voor warmte en gevaarlijke nuances.

Ze keek weg.

Buiten klonk Colette’s stem ergens in de straat, luid genoeg om een duif van richting te laten veranderen.

“Noor!” riep ze. “Vergeet vanavond niet. Acht uur. En doe iets moois aan.”

Noor liep naar de deur en riep terug: “Ik ben hier niet om indruk te maken.”

Colette’s antwoord kwam zonder aarzeling.

“Dat zeggen vrouwen altijd vlak voordat ze hun haar wassen.”

Étienne kuchte.

Noor draaide zich langzaam naar hem om. “Lachte u?”

“Nee.”

“U kuchte verdacht.”

“Stof.”

“Het atelier is stoffig, ja.”

“Zeer.”

“Gelukkig. Ik zou niet willen dat u plezier had op mijn eerste dag.”

Hij keek haar aan en deze keer was de glimlach niet meer te ontkennen. Klein, scheef, kort. Maar echt.

Noor voelde iets in haar borst reageren dat zich onmiddellijk had moeten schamen.

Basile zuchtte vanuit de zonnevlek, alsof hij allang wist hoe dit ging aflopen en het allemaal vermoeiend vond.

Étienne pakte de koffer op.

“Ik neem hem mee naar mijn werkplaats.”

“Mijn koffer?”

“Als u hem wilt houden.”

“Ik ken u amper.”

“Dan is het vreemd dat u mij uw bagage toevertrouwt.”

“Ik vertrouw u mijn bagage niet toe. Colette chanteert u namens mij.”

“Een belangrijk verschil.”

Hij liep naar de deur, maar bleef even staan.

“Het raam aan de oostkant sluit niet goed,” zei hij. “Als de mistral opkomt, moet u het blokkeren.”

“Met wat?”

“Een stoel. Of koppigheid. U lijkt genoeg van beide te hebben.”

“Dank u. Denk ik.”

Hij stapte naar buiten, de koffer in één hand alsof die niets woog.

Noor volgde hem tot op de drempel. De middagzon sloeg warm tegen haar gezicht. De lavendel geurde scherp en zoet. In de verte glansden de wijnranken zilvergroen.

Étienne liep naar het lage muurtje, zette één hand erop en sprong er met gemak overheen. Voor een man van eind vijftig deed hij dat hinderlijk soepel.

Noor keek daar niet naar.

Niet echt.

Basile stond op, rekte zich uit en liep achter hem aan. Halverwege draaide de hond zich om en keek naar Noor.

“Ga maar,” zei ze. “Hij heeft toezicht nodig.”

Basile blafte één keer.

Étienne keek om. “Praat u nu al tegen mijn hond?”

“Hij begrijpt mij beter dan sommige mensen.”

“Dat is geen hoge eis.”

“U zei het, niet ik.”

Een windvlaag bewoog door de lavendel. Een losse pluk haar viel voor Noor’s gezicht. Ze veegde hem weg met vingers waar nog geen verf aan zat, maar dat zou niet lang duren.

Étienne bleef even staan aan de andere kant van het muurtje.

“Welkom in Saint-Romain-du-Lac, Noor Vermeer.”

Het klonk eenvoudig.

Te eenvoudig.

Alsof hij alleen maar beleefd was. Alsof haar naam in zijn mond niet ineens zachter leek. Alsof de middag niet net een fractie warmer werd.

Noor stak haar handen in haar zakken en voelde daar het schroefje dat blijkbaar uit de koffer was gevallen. Ze haalde het eruit, hield het omhoog.

“U vergeet een onderdeel.”

Hij keek ernaar.

“Hou maar,” zei hij. “Voor het geval u iets wilt vastzetten.”

“Of losmaken.”

Zijn blik ging kort naar haar gezicht.

Niet lang.

Net lang genoeg.

Toen liep hij weg tussen de wijnranken, met haar kapotte koffer in zijn hand en zijn ontrouwe hond aan zijn zijde.

Noor bleef op de drempel staan tot hij verdween achter de eerste rij druivenstokken.

Daarna draaide ze zich om naar het atelier.

Haar nieuwe zomer rook naar stof, lavendel, warme steen en een probleem dat Étienne Moreau heette.

Ze had zich voorgenomen drie dingen niet te doen.

Verliefd worden.
Te veel wijn drinken.
Mannen met mooie handen vertrouwen.

Ze keek naar het schroefje in haar palm en sloot haar vingers eromheen.

“Geen enkel probleem,” zei ze tegen het lege atelier.

Buiten begon de fontein op het plein weer te lekken, alsof zelfs het dorp haar uitlachte.

lavendelvrouwtje von zeist