Hoofdstuk 26 — De Oogst onder Paarse Hemel

De volgende ochtend was de lucht boven de Provence onwaarschijnlijk helder.

Niet gewoon blauw.

Niet ansichtkaartblauw.

Maar zo’n blauw dat Lavendel wantrouwde omdat het te dicht bij perfectie kwam.

Ze stond op het terras van het atelierhuis met een kop koffie in haar ene hand en een penseel in de andere. Dat laatste had geen praktische reden. Lavendel hield graag een penseel vast wanneer de wereld iets van plan was.

Markie zat aan de houten tafel, gebogen over zijn notitieboek. Zijn zilverwitte haar stond nog warriger dan anders, alsof hij in zijn slaap met argumenten had gevochten. Voor hem lagen drie dingen: Hendriks blauwe boekje, het kopietje van het interventiedossier en een stuk brood dat Ezel al tien minuten lang vanaf het erf intensief observeerde.

‘Hij kijkt naar mijn brood,’ zei Markie zonder op te kijken.

Lavendel keek naar Ezel.

Ezel stond bij de vijgenboom, zijn strohoed scheef, zijn doek met verfspatten om, zijn blik roerloos op het brood gericht.

‘Hij mediteert.’

‘Op mijn lunch.’

‘Brood is voor hem wat waarheid voor ons is.’

‘Onvermijdelijk?’

‘Heilig.’

Markie scheurde een stukje af en gooide het naar Ezel. Die ving het niet, maar stapte er waardig naartoe, at het op en keek daarna alsof hij het plan zelf had bedacht.

Op de tafel stond ook het terracotta potje met de jonge waarheidrank.

Sinds de vorige avond was de rank weer gegroeid. Niet veel, maar genoeg om duidelijk te maken dat ze het potje begon te ontgroeien. De dunne stengel had zich om een klein houten stokje gewikkeld. Drie blauwe bloesems stonden halfopen, alsof ze net wakker waren en al meer wisten dan goed voor hen was.

Lavendel boog zich naar het plantje.

‘Goedemorgen, petite vérité.’

De middelste bloesem trilde.

‘Wie wortels wil, moet ruimte verliezen.’

Markie keek langzaam op.

‘Dat begint goed.’

Lavendel glimlachte.

‘Ze heeft gelijk.’

‘Dat is precies wat mij stoort aan haar.’

Vanuit het pad naar Château Pourpre klonk het zachte tikken van hakken op steen.

Lady Alcina kwam aanlopen.

Vandaag droeg ze een zwarte jurk die eenvoudiger was dan anders, maar daardoor juist plechtiger leek. Haar grote zwarte hoed had een paarse sluier die achter haar schouder wapperde. In haar handen droeg ze een houten kistje.

Geen glas wijn.

Opnieuw.

Markie wees naar haar lege handen.

‘Tweede dag zonder wijn. Ik maak mij zorgen over de structuur van het universum.’

Lady Alcina zette het kistje op tafel.

‘Vandaag drinken we pas na het planten.’

Lavendel zette haar koffie neer.

‘Wat zit daarin?’

Alcina opende het kistje.

Binnenin lagen drie kleine voorwerpen op donker fluweel.

Een gedroogd lavendeltakje.
Een oude verfkwast met blauw opgedroogde haren.
Een roestige kurkentrekker.

Markie boog zich voorover.

‘Dat is geen standaard tuinmateriaal.’

‘Nee,’ zei Alcina. ‘Het zijn offers.’

Markie sloot zijn ogen.

‘Natuurlijk.’

Lavendel keek gefascineerd.

‘Van wie?’

Alcina pakte het lavendeltakje op.

‘Van Marguerite. Het lag in haar dagboek.’

Daarna de verfkwast.

‘Van Hendrik. Isabeau vond hem gisteren in het archief. Hij zat bij het eerste proefverslag.’

Toen de kurkentrekker.

‘Van mijn moeder. Zij gebruikte hem bij elke oogst, ook nadat ze te ziek werd om de kelder in te gaan. Ze zei altijd: een fles gaat niet open omdat je kracht hebt, maar omdat je geduld hebt.’

Lavendel glimlachte zacht.

‘Mooi.’

Markie keek naar Alcina.

‘En wat moeten wij loslaten?’

De vraag viel zwaarder dan hij bedoeld had.

De waarheidrank ritselde.

Een bloesem fluisterde:

‘Niet wat men missen kan. Wat men vasthoudt om niet te veranderen.’

Ezel balkte vanaf de vijgenboom.

Markie keek naar hem.

‘Jij mag ook iets loslaten. Bijvoorbeeld mijn brood.’

Ezel keek weg alsof hij diep boven dergelijke kleinheid stond.


Ze vertrokken tegen de middag naar Château Pourpre.

Niet via de gewone weg, maar door de wijngaarden. Lady Alcina liep voorop met het terracotta potje in haar armen. Lavendel liep naast Markie, haar zwarte schildersjas vol verfspatten los om haar heen, haar baret scheef op haar blonde knot. In haar tas zaten penselen, een schetsboek, een fles rosé en het lege flesje van de eerste proef uit 1968.

Markie droeg Hendriks blauwe boekje en zijn notitieboek.

Ezel droeg de rest.

Brood, kaas, water, een kleine schop, een doek, een fles rode wijn, twee glazen, een halve baguette die hij volgens Markie waarschijnlijk zelf had ingepakt, en de kleine pan.

Markie bleef staan toen hij de pan zag.

‘Waarom is de pan mee?’

Lavendel keek hem aan alsof hij een kind was dat opnieuw dezelfde moeilijke les vergat.

‘Markie.’

Hij hief zijn handen.

‘Nee. Je hebt gelijk. Ik bied wederom mijn excuses aan aan de pan.’

Ezel liep door.

Het pad steeg langzaam. Aan weerszijden stonden oude wijnranken in keurige rijen. Hun stammen waren gedraaid en donker, als handen van oude mensen. Tussen de rijen groeiden klaprozen, tijm en wilde lavendel. De lucht trilde van warmte, bijen en iets wat Lavendel alleen maar “naderende betekenis” kon noemen.

‘Je voelt het, hè?’ zei ze.

Markie keek naar de wijngaarden.

‘Ja.’

‘En?’

‘Het voelt alsof de aarde een vergadering heeft uitgeschreven.’

‘Met brood.’

‘Kennelijk verplicht.’

Bij Château Pourpre wachtten Isabeau en Séraphin Duvallier.

Isabeau droeg een eenvoudige reistas en een map met nieuwe papieren. Duvallier stond naast haar, iets stijver dan nodig. Zijn gezicht was rustig, maar niet ontspannen. In zijn hand hield hij een klein doosje.

Lady Alcina bleef staan.

‘U bent vroeg.’

Duvallier boog zijn hoofd.

‘Niet om te nemen.’

Alcina keek naar het doosje.

‘Wat dan?’

Hij opende het.

Er lag een zilveren tastevin in. De proefkom die hij als Eerste Proever had gedragen. Het oppervlak was dof geworden, alsof het ouder was dan gisteren.

‘Om iets achter te laten,’ zei hij.

Markie keek naar Lavendel.

‘Dat wordt vandaag een thema.’

Lavendel fluisterde:

‘Ssst. Hij probeert.’

Duvallier hoorde het, maar deed alsof hij het niet hoorde.

Isabeau stapte naar voren.

‘De Raad heeft vannacht besloten. De titel Eerste Proever wordt opgeheven. Vanaf vandaag bestaat alleen de Kring van Zeven Smaken. Geen rang boven de andere.’

Markie trok een wenkbrauw op.

‘Dat is snel.’

‘Soms is langzaamheid een excuus,’ zei Isabeau.

Lavendel glimlachte.

‘U leert snel mooie zinnen.’

‘Ik geef u de schuld.’

Ezel balkte instemmend.

Duvallier keek naar het dier en boog, tot Markies zichtbare verbazing, licht zijn hoofd.

‘Getuige.’

Ezel knipperde waardig.

‘Ik moet gaan zitten,’ mompelde Markie.


De plek waar de waarheidrank geplant zou worden lag tussen twee oude wijnstokken aan de rand van een kleine open ruimte. Vanaf daar keek men uit over de vallei van Saint-Véran. In de verte lag het dorp warm en stil tussen de heuvels. De kerktoren stak boven de daken uit, en heel ver weg glinsterde de rivier als een vergeten penseelstreek.

Lady Alcina had de aarde al voorbereid.

Er was een cirkel gemaakt van platte stenen. In het midden lag donkere grond uit de Verborgen Wijngaard, gemengd met de aarde van Château Pourpre. Rondom de cirkel stonden zeven kleine schaaltjes.

Zoet: honing.
Zuur: citroen.
Bitter: ongebrande cacao.
Zout: zeezout.
Aarde: donkere grond.
Tijd: een oude kurk.
Waarheid: het lege flesje van de eerste proef.

Lavendel zette het flesje voorzichtig in het laatste schaaltje.

‘Daar,’ fluisterde ze.

De lucht veranderde.

Niet zichtbaar.

Maar iedereen voelde het.

Alsof de heuvels hun aandacht richtten.

Lady Alcina knielde bij de cirkel en zette het terracotta potje voor zich neer.

‘Marguerite,’ zei ze zacht, ‘vandaag krijgt wat jij bewaarde wortels.’

Markie pakte Hendriks blauwe boekje uit zijn tas en legde het naast het potje.

‘Hendrik,’ zei hij, met een stem die iets schuurde, ‘vandaag krijgt wat jij niet durfde eindelijk aarde.’

Lavendel haalde een klein potje blauw pigment uit haar zak.

‘En vandaag krijgt kleur een plaats waar ze mag groeien.’

Ezel stapte naar voren.

Iedereen keek naar hem.

Hij boog zijn hoofd, pakte uit zijn eigen mand een stuk brood — tot grote verbazing van Markie, want dat betekende dat hij het níét zelf opat — en legde het naast de cirkel.

Lavendel drukte haar hand tegen haar hart.

‘O, Ezel…’

Markie fluisterde:

‘Dat was zijn brood.’

Duvallier keek ontroerd en geschokt tegelijk.

Isabeau zei plechtig:

‘De getuige heeft gegeven.’

Ezel snoof alsof dit vanzelf sprak.


Toen begon het loslaten.

Lady Alcina was de eerste.

Ze pakte het gedroogde lavendeltakje van Marguerite en hield het boven de aarde.

‘Ik laat het idee los dat ik sterk moet zijn omdat zij geleden heeft,’ zei ze.

Haar stem trilde nauwelijks, maar iedereen hoorde hoeveel moeite dat kostte.

‘Ik heb haar gemis gedragen alsof het een familiewapen was. Alsof verdriet mij waardiger maakte. Maar ik wil niet alleen de kleindochter zijn van wat verloren ging. Ik wil ook erfgename zijn van wat opnieuw mag beginnen.’

Ze legde het takje in de aarde.

Een blauwe bloesem opende zich.

Niet helemaal.

Genoeg.

Markie keek naar haar met zachte ernst.

Daarna stapte hij naar voren.

Hij hield de oude verfkwast van Hendrik vast.

De haren waren stug en donkerblauw. Aan de houten steel zaten kleine vlekjes wijnrood pigment. Een voorwerp dat zo eenvoudig was dat het bijna ondraaglijk werd.

Markie draaide de kwast tussen zijn vingers.

‘Ik laat…’

Hij stopte.

Lavendel stond naast hem, maar zei niets.

De wind bewoog zacht door de wijnranken.

Markie begon opnieuw.

‘Ik laat de gewoonte los om afwezigheid intelligent te noemen.’

Lavendel sloot haar ogen.

Hij vervolgde:

‘Ik heb afstand vaak verkocht als inzicht. Ik keek naar mensen vanaf de rand, schreef over hen, begreep hen soms zelfs beter dan zij zichzelf. Maar begrijpen is niet hetzelfde als blijven. En schrijven over warmte is niet hetzelfde als je handen eraan branden.’

Zijn stem werd zachter.

‘Ik laat niet mijn voorzichtigheid los. Die hoort bij mij. Maar ik wil ophouden haar te gebruiken als achterdeur.’

Hij legde de verfkwast in de aarde, naast het lavendeltakje.

Een tweede bloesem ging open.

Ezel kwam dichterbij en duwde zacht met zijn neus tegen Markies schouder.

Markie legde zijn hand kort op Ezels kop.

‘Ja,’ mompelde hij. ‘Ik weet het. Brood later.’

Lavendel lachte zacht door haar tranen heen.

Toen was zij aan de beurt.

Ze had niet geweten wat ze zou geven.

Dat was zeldzaam.

Lavendel had altijd iets bij zich. Verf, lint, papier, wijn, een veer, een steen, een gevonden sleutel, een knoop waarvan ze ooit had besloten dat hij belangrijk was.

Maar dit keer voelde alles te klein.

Ze keek naar haar handen. Naar de paarse verf onder haar nagels. Naar de blauwe veeg op haar pols. Naar haar zwarte schildersjas vol verfspatten, die als een tweede huid om haar heen hing.

Toen wist ze het.

Ze trok de jas uit.

Markie keek op.

‘Lavendel?’

Zij glimlachte onzeker.

‘Deze jas heeft alles gezien.’

Ze spreidde hem uit. De stof was zwaar van oude verf, zon, stof en herinnering. Er zaten spatten op van de eerste dag in het atelier. Van de nacht van de blauwe maan. Van het schilderij in de dorpshal. Van koffieblauw, wijnrood, lavendelpaars, goudgeel.

‘Ik dacht altijd dat mijn verfspatten bewezen dat ik leefde,’ zei ze. ‘Dat ik bezig was. Dat ik kleur bracht. Dat ik niet bang was voor rommel.’

Ze streek met haar hand over de jas.

‘Maar soms verstop ik me er ook achter. Achter vrolijkheid. Achter kleur. Achter grapjes en rosé en “kijk nou hoe mooi”. Alsof ik, zolang alles glanst, niet hoef te zeggen wanneer iets mij raakt.’

Markie keek haar aan.

Heel stil.

Lavendel slikte.

‘Ik laat niet mijn kleur los. Nooit. Maar ik wil loslaten dat ik altijd licht moet maken voor anderen voordat ik zelf gezien mag worden.’

Ze knielde en legde de jas niet in het gat — dat voelde verkeerd — maar over haar schoot. Daarna knipte ze met een klein schaartje een stukje van de binnenzoom af. Een lapje zwart katoen met paarse en blauwe verfspatten.

Ze legde het in de aarde naast de kwast en het lavendeltakje.

De derde bloesem opende zich.

Volledig.

Een geur steeg op.

Lavendel.
Koffie.
Wijn.
Brood.
Verf.
Zonwarme aarde.

Lady Alcina sloot haar ogen.

Isabeau fluisterde:

‘De cirkel is wakker.’

Maar de aarde was nog niet klaar.

De waarheidrank boog zich naar Duvallier.

Hij verstijfde.

‘Ik?’

De bloesem fluisterde:

‘Wie toezicht wil leren, moet eerst zijn hoogte afleggen.’

Duvallier keek naar de tastevin in zijn hand.

Heel langzaam knielde hij.

Dat was moeilijker voor hem dan spreken. Iedereen zag het. Niet lichamelijk, maar innerlijk. Hij was een man die had geleerd rechtop te staan omdat rechtop staan minder pijn deed dan buigen.

Hij legde de zilveren proefkom in zijn handpalm.

‘Ik laat het recht los om te beslissen wat anderen mogen weten,’ zei hij.

Zijn stem was hees.

‘Niet mijn kennis. Niet mijn ervaring. Maar het recht. Ik heb lang gedacht dat mijn angst wijsheid was. Dat mijn beheersing zorg was. Dat mijn bitterheid diepgang was.’

Hij keek naar Markie.

‘Misschien was een deel ervan begrijpelijk.’

Markie knikte.

‘Misschien.’

Duvallier keek naar Alcina.

‘Maar het was niet onschuldig.’

Zij hield zijn blik vast.

‘Nee.’

Hij legde de tastevin in de aarde.

‘Ik wil leren proeven zonder te bezitten.’

De bloesems trilden.

Maar er was nog één die niet open was.

Een kleine knop, nauwelijks zichtbaar onder een blad.

Die draaide zich naar Isabeau.

Isabeau glimlachte flauwtjes.

‘Ik had gehoopt dat ik vandaag alleen notulist was.’

Lavendel zei zacht:

‘Niemand is alleen notulist bij waarheid.’

Isabeau haalde haar bril van haar ketting en hield hem in haar handen.

‘Ik laat de veiligheid los van de tweede positie,’ zei ze. ‘Ik stond altijd naast macht. Nooit helemaal erin. Nooit helemaal ertegen. Ik stelde vragen, maar vaak pas wanneer iemand anders de deur al had geopend.’

Ze legde haar bril niet neer. In plaats daarvan haalde ze uit haar map een oud blanco formulier van de Confrérie.

‘Ik laat het excuus los dat volgen minder schuld draagt dan leiden.’

Ze scheurde het formulier doormidden.

Het geluid was klein.

Maar het leek over de hele wijngaard te rollen.

Ze legde de twee helften in de aarde.

De kleine knop opende zich.


Toen pas mocht de rank uit het potje.

Lady Alcina nam de kleine schop uit Ezels mand. Samen met Lavendel maakte ze de aarde los rond het plantje. Markie hield het potje schuin. Alcina trok voorzichtig.

De wortels kwamen tevoorschijn.

Ze waren dun en wit.

Maar ertussen liepen blauwe draadjes, lichtgevend als aderen van maanlicht.

Lavendel hield haar adem in.

‘Ze is prachtig.’

Markie keek naar de wortels.

‘Ze ziet eruit alsof ze elk moment een filosofische vraag kan stellen.’

De bloesem fluisterde:

‘Waarom zouden wortels zwijgen?’

Markie knikte langzaam.

‘Dat was geen uitnodiging.’

Ze plaatsten de rank in het gat.

Iedereen nam een handvol aarde.

Alcina eerst.
Markie daarna.
Lavendel.
Duvallier.
Isabeau.

En toen Ezel.

Hij krabde met zijn hoef een beetje aarde naar voren, precies genoeg om officieel deel te nemen en niet genoeg om het plantje te slopen.

‘Kijk,’ fluisterde Lavendel. ‘Hij is voorzichtig.’

‘Dat is zijn meest verontrustende eigenschap tot nu toe,’ zei Markie.

Alcina goot water uit een zilveren kan.

Lavendel voegde één druppel rosé toe.

Markie keek naar haar.

‘Moest dat?’

‘Ja.’

Lady Alcina liet één druppel rode wijn vallen.

Duvallier haalde adem en voegde geen wijn toe, maar een druppel water uit zijn eigen veldfles.

‘Voor helderheid,’ zei hij.

Isabeau strooide een paar korrels zout.

‘Voor tranen die niet verloren gaan.’

Ezel legde zijn tweede stuk brood naast het eerste.

Markie staarde hem aan.

‘Hij offert twee keer brood.’

Lavendel fluisterde:

‘Dit is ernstig.’

Toen de laatste aarde rond de wortels lag, werd het stil.

De hemel boven hen veranderde van blauw naar zacht violet.

Maar het was nog middag.

Lavendel keek omhoog.

‘Markie…’

‘Ik zie het.’

Een paarse gloed streek over de wijngaard. Niet donker, niet dreigend. Meer alsof zonlicht en avond elkaar te vroeg ontmoetten en besloten dat het mocht.

De oude wijnranken rond de cirkel begonnen te ritselen.

Niet door wind.

Door herinnering.

Uit de aarde stegen stemmen.

Geen woorden.

Meer klanken.

Een lach.
Een zucht.
Een treinfluit in de verte.
Een penseel in water.
Een kurk die uit een fles komt.
Een vrouw die zacht “Hendrik” zegt.
Een man die antwoordt, te laat maar eindelijk hoorbaar: “Marguerite.”

Lady Alcina sloeg haar hand voor haar mond.

Markie werd heel bleek.

Lavendel pakte zijn hand.

Dit keer trok hij niet weg.

De jonge waarheidrank strekte zich uit.

Eén rankje groeide zichtbaar omhoog, wikkelde zich om een oude wijnstok en raakte een trosje dat daar nog klein en groen hing.

Het trosje kleurde langzaam.

Niet groen.

Niet paars.

Maar diep blauw.

Drie druiven.

Slechts drie.

Ze glansden onder de paarse hemel.

Isabeau fluisterde:

‘Een eerste vrucht.’

Duvallier stapte achteruit.

‘Dat kan niet. Ze is pas geplant.’

Markie keek naar hem.

‘We hebben dat woord afgeschaft.’

Lavendel glimlachte door haar tranen heen.

Alcina reikte haar hand uit, maar stopte vlak voor de druiven.

‘Mag ik?’

De bloesem boog.

‘Wie plukt, deelt.’

Alcina keek naar de anderen.

‘Samen.’

Ze plukte de drie druiven niet los. Ze hield de tros vast terwijl Markie met een klein mesje de steel doorsneed. Lavendel ving de druiven op in de kleine pan.

Markie keek naar de pan.

Toen naar Lavendel.

‘Ik zeg niets.’

‘Je leert.’

Ezel balkte tevreden.

De drie druiven lagen in de pan als kleine blauwe manen.


Ze namen de druiven mee naar de oude perskamer van Château Pourpre.

Niet naar de Verborgen Wijngaard.

Niet naar het diepe geheim.

Maar naar de gewone oude perskamer boven de kelder, waar stof, spinrag, eikenhout en zonlicht samenwoonden.

‘Waarom hier?’ vroeg Isabeau.

Alcina zette de pan op de tafel.

‘Omdat Cuvée Vérité niet langer verborgen begint.’

Duvallier knikte langzaam.

‘Goed.’

Markie opende Hendriks blauwe boekje.

Achterin stond een kleine notitie die ze eerder nauwelijks hadden kunnen lezen. Nu, in het licht van de paarse hemel dat door het kelderraampje viel, werd de tekst donkerder.

Lavendel boog zich eroverheen.

‘Daar staat iets.’

Markie las:

Eerste vrucht niet persen met kracht. Kneus slechts de huid. Laat sap en stilte samen vallen. Eén druppel is voldoende om te tonen. Een fles vraagt meer dan druiven. Zij vraagt instemming van wie haar zal drinken.

‘Dat klinkt verstandig,’ zei Isabeau.

‘Dat is verdacht voor mijn familie,’ zei Markie.

Alcina pakte een klein glazen schaaltje.

Lavendel nam één druif tussen haar vingers.

‘Mag ik?’

Alcina knikte.

Lavendel kneusde de druif zacht.

De huid brak.

Er viel één druppel sap in het schaaltje.

Donkerrood.

Maar met een blauwe kern.

Iedereen boog zich iets voorover.

De druppel verspreidde zich niet.

Hij bleef bol, levend, spiegelend.

Toen verschenen er beelden in.

Niet het verleden dit keer.

De toekomst.

Of een mogelijkheid daarvan.

Ze zagen het dorpsplein.

Lange tafels.

Brood.

Veel brood.

Flessen zonder gouden zegels, maar met etiketten die Lavendel had geschilderd. Op elk etiket stond een blauwe maan, een druiventros, een penseel, een veer en een kleine hoefafdruk.

Ze zagen mensen die niet dronken om te vergeten, maar om voorzichtig te durven spreken.

Ze zagen Lady Alcina die wijn schonk met zachtheid in haar handen.

Ze zagen Isabeau die luisterde.

Duvallier die niet vooraan zat, maar ergens tussen de mensen, zonder titel.

Ze zagen Ezel met een krans van lavendel rond zijn strohoed.

Markie maakte een geluid.

‘Dat is overdreven.’

Lavendel fluisterde:

‘Nee. Dat is fantastisch.’

Toen zagen ze Lavendel en Markie.

Aan een tafel onder de platanen.

Tussen hen in lag een boek.

Niet Markies notitieboek.

Een echt boek.

Met een omslag waarop verfspatten, wijnranken en paarse lucht door elkaar dansten.

De titel was duidelijk leesbaar:

Lavendel, Wijn en Verfspatten

Onderaan stond:

Von Zeist

Lavendel pakte Markies arm.

‘Kijk.’

Markie keek.

Zijn gezicht werd stil.

In het beeld sloeg de toekomstige Markie het boek open. Toekomstige Lavendel lachte. Niet om iets grappigs, maar om iets dat eindelijk af was.

Toen draaide de bladzijde vanzelf.

Op de eerste pagina stond één zin:

Wij dachten dat waarheid een fles was die geopend moest worden, maar zij bleek een tafel waaraan we leerden blijven zitten.

De druppel trilde.

Het beeld verdween.

De kelder was weer kelder.

Stof.
Hout.
Adem.

Lavendel zei niets.

Markie ook niet.

Uiteindelijk fluisterde Lady Alcina:

‘Dat is geen wijn.’

Duvallier antwoordde zacht:

‘Nog niet.’

Isabeau keek naar de drie druiven.

‘Een eerste fles vraagt meer dan druiven.’

Markie keek naar Lavendel.

‘Instemming van wie haar zal drinken.’

Lavendel knikte langzaam.

‘Dan moeten we kiezen wie dat worden.’

Ezel balkte vanuit de deuropening.

Iedereen keek naar hem.

Markie zuchtte.

‘Ja. Jij krijgt brood. Niet wijn.’

De waarheidrank, ver weg buiten in de wijngaard, ritselde.

Een fluistering kwam door de open deur naar binnen:

‘De eerste fles vraagt vier harten en één drager.’

Lavendel keek naar Markie.

Markie keek naar Alcina.

Alcina keek naar Duvallier en Isabeau.

Isabeau sloot haar ogen alsof ze al wist dat dit besluit niet vandaag genomen zou worden.

Duvallier fluisterde:

‘Vier harten.’

Lavendel telde zacht:

‘Alcina. Markie. Ik.’

Markie keek naar haar.

‘En wie is de vierde?’

Buiten trok de paarse hemel langzaam open.

In de verte, vanaf het pad naar Château Pourpre, klonk een stem.

Een oude vrouwenstem.

Sterk.

Schurend.

Onwelkom.

‘Misschien iemand die nog niet klaar is met haar bitterheid.’

Iedereen draaide zich om.

In de deuropening van de perskamer stond Maître Solange.

Haar mantel was stoffig. Haar scherpe gezicht was bleek. In haar hand hield ze een verzegeld dossier tegen haar borst gedrukt.

Achter haar stond Ezel.

Hij had haar blijkbaar niet tegengehouden.

Alleen binnengeleid.

Markie keek naar hem.

‘Jij vertrouwt haar?’

Ezel snoof.

Solange keek naar de pan met de drie druiven.

Toen naar Lady Alcina.

Toen naar Duvallier.

Haar stem brak nauwelijks, maar genoeg.

‘Ik heb iets gevonden in mijn vaders papieren.’

Ze legde het dossier op tafel.

Het zegel was hetzelfde als op de oude interventiebevelen.

Maar daaronder stond in verbleekte inkt:

Laatste opdracht betreffende Marguerite Alcina: niet uitgevoerd.

Lady Alcina werd ijskoud.

‘Welke opdracht?’

Solange keek haar aan.

Voor het eerst zonder hoogmoed.

Alleen angst.

‘Het ging niet alleen om scheiden.’

Duvallier stapte naar voren.

‘Solange…’

Zij schudde haar hoofd.

‘Nee. Genoeg.’

Ze legde haar hand op het dossier.

‘De Confrérie heeft destijds besloten Mémoire te vernietigen. Mijn vader kreeg de opdracht. Hij deed het niet.’

Markie keek naar Alcina.

Lavendel voelde kippenvel langs haar armen.

Solange fluisterde:

‘Hij heeft het vat verborgen. Niet uit moed. Uit twijfel. En daarna heeft hij zijn twijfel zijn hele leven gehaat.’

De druppel sap in het schaaltje begon opnieuw te glanzen.

De waarheidrank buiten ritselde alsof er wind opstak.

Solange keek naar de drie blauwe druiven.

‘Als er vier harten nodig zijn,’ zei ze, ‘dan vrees ik dat één ervan het hart moet zijn van iemand die schuld erft van de andere kant.’

Niemand sprak.

Zelfs Markie had geen zin.

Buiten kleurde de hemel dieper paars.

De eerste vrucht van Cuvée Vérité lag in de kleine pan.

Drie druiven.

Te weinig voor een fles.

Genoeg voor een keuze.

Lavendel pakte langzaam haar penseel uit haar tas.

‘Dan,’ zei ze zacht, ‘moeten we haar ook schilderen.’

Solange keek op.

‘Mij?’

Lavendel knikte.

‘Als je aan tafel komt, kom je niet als schaduw.’

Markie pakte zijn notitieboek.

‘En niet als voetnoot.’

Lady Alcina keek naar Solange.

Lang.

Pijnlijk lang.

Toen zei ze:

‘Dan begint u met spreken.’

Solange sloot haar ogen.

En voor het eerst leek het alsof haar hele leven haar smaak verloor.

‘Ja,’ fluisterde ze.

‘Ik begin.’

Buiten streek de paarse hemel over de wijngaarden.

En in de aarde van Château Pourpre sloegen de wortels van de waarheidrank dieper uit.

Niet naar water.

Niet naar wijn.

Maar naar alles wat nog niet gezegd was.