Hoofdstuk 16 — De man zonder schaduw
De lange man in het witte linnen pak stond bovenaan de trap alsof hij uit de avondzon zelf was geknipt. Zijn glas heldere wijn ving het licht, maar zijn lichaam niet. Waar iedere fles, iedere steen en zelfs de scheve strohoed van de ezel een schaduw wierp, bleef de vloer achter hem leeg.
Geen donkere vlek.
Geen rand.
Geen bewijs dat hij werkelijk bestond.
Lavendel voelde haar vingers tintelen. Niet van angst alleen, maar van iets anders. Alsof de verfspatten op haar jas hem herkenden.
Markie Von Zeist stapte langzaam voor haar. Zijn gezicht was smal en strak, zijn lichtblauwe ogen vernauwd.
“Victor,” zei hij.
Lady Alcina ademde scherp in.
“Dus hij leeft nog.”
De man glimlachte. Zijn glimlach was mooi op de manier waarop een mes mooi kan zijn: glanzend, koud en bedoeld om pijn te doen.
“Leven is zo’n beperkt woord,” zei hij. “Maar ja, voor het gemak: ik ben er nog.”
Étienne Clos du Secret maakte een haastig kruisteken met zijn kurkentrekker.
“Victor Sansombre,” fluisterde hij. “De wijnmaker zonder schaduw.”
Lavendel keek naar Markie. “Natuurlijk heet hij Sansombre. Dat is wel erg letterlijk.”
“Hij koos die naam niet,” zei Lady Alcina zacht. “Hij verdiende hem.”
De ezel zette een stap naar voren en balkte opnieuw. Ditmaal lager, dieper, alsof er ergens in zijn lieve ezelborst een ridder wakker was geworden.
Victor keek naar het dier.
“Wat aandoenlijk. Jullie hebben een bewaker meegenomen.”
“Hij heeft meer ruggengraat dan sommige mannen,” zei Lavendel.
Lady Alcina hief haar glas rode wijn. “En een betere hoed.”
De mondhoek van Victor trok nauwelijks zichtbaar.
“Charmant. Maar ik ben niet gekomen voor conversatie.”
Zijn blik gleed naar Éloïse, de vrouw die zojuist uit het schilderij was gestapt. Zij stond nog altijd bij het doek, doorschijnend en zacht glanzend, met haar eindelijk teruggekeerde gezicht. Haar ogen waren warm, maar toen zij Victor zag, doofde er iets in dat licht.
“Jij,” fluisterde ze.
Victor boog licht. “Mademoiselle Éloïse. Nog steeds half verf, half spijt?”
Markie maakte een beweging naar voren, maar Lavendel greep zijn arm.
“Niet,” zei ze.
Hij keek haar aan. Zijn kaak stond strak.
“Hij heeft dit gedaan.”
“Wat precies?” vroeg Lavendel.
Victor antwoordde zelf.
“Ik heb niets gedaan wat zij niet al wilden.” Hij nam een slok van zijn heldere wijn. “Een kunstenaar wil eeuwigheid. Een muze wil gezien worden. Een domina wil controle. En een notaris wil vooral dat alles netjes wordt opgeschreven.”
Étienne rechtte zijn rug. “Ik wilde slechts de voorwaarden bewaken.”
“Je wilde overleven,” zei Victor.
De notaris zweeg.
Lavendel stapte naast Markie. Niet achter hem. Naast hem.
“En wat wil jij?” vroeg ze.
Victor keek haar nu pas echt aan.
Zijn ogen waren vreemd. Niet zwart, niet blauw, niet bruin. Ze hadden de kleur van witte druiven net voordat ze rotten.
“Ik wil terug wat van mij is.”
Lady Alcina lachte kort. “Jij hebt nooit iets bezeten. Je hebt alleen gestolen.”
Victor keek naar de fles Mémoire in haar hand.
“Die fles bevat een herinnering die niet compleet is. In Saint-Rémy ligt de vierde kleur. Daarmee kan het schilderij worden voltooid.”
“En dan?” vroeg Lavendel.
Éloïse antwoordde, bijna onhoorbaar.
“Dan kan hij weer een schaduw krijgen.”
Victor glimlachte.
“Precies.”
Markie’s gezicht werd bleker. “Daarvoor heb je haar nodig.”
Victor knikte naar Lavendel.
“Niet haar alleen. Haar hand. Haar naam. Haar verf.”
Lavendel voelde een koude rilling onder haar zwarte schildersjas kruipen.
“Mijn verf?”
“Jij draagt de echo,” zei Victor. “Éloïse was de eerste. Jij bent de tweede vorm. Zonder jou blijft het doek onvoltooid.”
Lavendel keek naar Éloïse.
“Ben ik… jij?”
Éloïse schudde langzaam haar hoofd.
“Nee. Jij bent niet mijn kopie. Jij bent wat het verhaal heeft gemaakt toen niemand het af durfde te schrijven.”
“Dat is bijna geruststellend,” mompelde Lavendel. “Bijna.”
Victor zette een voet op de eerste trede.
Op dat moment begonnen alle flessen in de kelder te trillen. Niet hard, maar onheilspellend. De wijn in de oude vaten zuchtte. Het schilderij op de ezel boog naar voren alsof de geschilderde wijngaard wind ving.
Lady Alcina trok de fles Mémoire dichter tegen zich aan.
“Blijf waar je bent, Victor.”
Hij keek geamuseerd.
“Ga je me slaan met een fles herinneringen?”
“Als het moet.”
“Hoe poëtisch.”
“Hoe praktisch,” zei Lavendel.
De ezel liep plotseling naar het stenen tafeltje en duwde met zijn neus tegen de drie kleine glaasjes. Eén rolde over tafel, viel op de grond en brak.
Het geluid was scherp.
Iedereen keek naar beneden.
Uit het gebroken glas kroop een dun straaltje paarse wijn over de stenen vloer. Niet willekeurig. Het vormde een lijn. Daarna een bocht. Daarna een pijl.
De pijl wees niet naar Victor.
Niet naar het schilderij.
Maar naar een laag, half verborgen luik achter een rij wijnvaten.
Étienne hapte naar adem.
“Dat luik was verzegeld.”
“Was,” zei Lavendel.
De ezel keek bijzonder tevreden.
Markie begreep het meteen. “Er is een andere uitgang.”
Victor’s glimlach verdween.
“Niet doen.”
Lady Alcina’s ogen lichtten op. “O, nu wordt het interessant.”
Lavendel pakte het perkament en de strook canvas. “Saint-Rémy?”
Éloïse knikte. “De fontein. Onder het water. Daar ligt de vierde kleur.”
Victor daalde nog een trede af.
“Als jullie die kleur vinden zonder mij, breekt het schilderij open. Alles wat erin verborgen zit, komt vrij.”
“Je bedoelt: jij verliest je kans,” zei Markie.
“Jij verliest meer dan dat,” siste Victor. “Je verliest haar opnieuw.”
Die woorden troffen Markie zichtbaar. Zijn schouders zakten een fractie. Éloïse keek weg.
Lavendel zag het. De oude wond. Niet dicht, alleen overschilderd.
Ze stak haar hand uit en pakte Markies vingers.
“Markie,” zei ze zacht. “Niet naar hem luisteren. Mannen zonder schaduw zijn blijkbaar ook mannen zonder fatsoen.”
Heel even keek hij naar haar. Toen kneep hij terug.
“Gaan,” zei hij.
Alles gebeurde tegelijk.
Lady Alcina gooide de inhoud van haar glas rode wijn naar de trap. De wijn spatte in de lucht uiteen en werd plotseling donker als inkt. Victor week achteruit toen de druppels zijn witte pak raakten en daar sissende paarse vlekken achterlieten.
“Alcina!” riep hij woedend.
“Dat is Lady Alcina voor jou.”
Markie schoof het wijnvat opzij. Lavendel trok aan het luik. Het zat vast. De ezel kwam aanzetten, zette zijn tanden in een oud touw dat eraan hing, trok met heel zijn koppige Provençaalse ziel, en het luik sprong open.
Een smalle tunnel gaapte hen tegemoet.
Koele lucht stroomde eruit.
Lavendel rook aarde. Rozemarijn. En heel in de verte: water.
“Vooruit!” riep Étienne, die plotseling verrassend snel bewoog voor een oude notaris.
Éloïse bleef bij het schilderij staan.
Lavendel draaide zich om. “Kom mee!”
Éloïse glimlachte droevig. “Ik kan niet ver van het doek.”
“Dan nemen we het doek mee.”
Markie keek haar aan alsof ze krankzinnig was.
Lavendel wees naar de schildersezel. “Niet kijken alsof ik gek ben. Til.”
Lady Alcina lachte. “Ik begin haar steeds leuker te vinden.”
Markie aarzelde geen seconde langer. Samen met Lady Alcina greep hij het schilderij. Zodra het doek loskwam van de ezel, kermde de kelder. Alsof de stenen het wilden tegenhouden.
Victor stormde de trap af.
“Laat dat daar!”
De ezel ging midden in zijn pad staan.
Klein was hij niet. Elegant ook niet. Maar op dat moment leek hij een mythisch wezen uit een oud Provençaals volksverhaal: de Ezel der Verfspatten, Beschermer van Wijn en Vrouwen met Baret.
Victor keek neer op hem.
“Opzij.”
De ezel balkte recht in zijn gezicht.
Victor wankelde achteruit.
“Held!” riep Lavendel.
De ezel draaide zich om en vluchtte toen zelf ook razendsnel de tunnel in, alsof hij vond dat heldendom vooral kort moest duren.
Ze renden.
Of beter gezegd: ze struikelden, gleden, botsten en vloekten zich door de smalle gang. Markie en Lady Alcina droegen het schilderij tussen hen in. Éloïse flikkerde op het doek, zichtbaar en onzichtbaar tegelijk. Étienne hield zijn map boven zijn hoofd alsof juridische documenten heilig genoeg waren om vallende stenen tegen te houden.
Lavendel liep voorop met het perkament in haar hand. De paarse verfspat erop gloeide als een klein kompas.
Achter hen klonk Victor’s stem door de tunnel.
“Jullie kunnen niet blijven vluchten!”
Lavendel riep terug: “Jawel hoor, we zijn kunstenaars!”
De tunnel liep omhoog. Daarna omlaag. Toen zo scherp naar links dat de ezel bijna tegen de muur botste. Uiteindelijk zagen ze een streep blauwgrijs licht.
Ze kwamen naar buiten tussen wilde lavendelstruiken aan de achterkant van de kapelheuvel. De nacht was gevallen. Boven hen stond de hemel vol sterren en de maan hing laag boven de wijngaarden.
In de verte lag het dorp Saint-Rémy-de-Provence, als een handvol warme lichtjes tegen de donkere heuvels.
Lady Alcina zette het schilderij voorzichtig neer tegen een olijfboom.
Markie hijgde. “We moeten de fontein bereiken vóór hij ons vindt.”
Étienne schudde zijn hoofd. “Dat is onmogelijk. Victor kent alle oude wegen.”
Lavendel keek naar de ezel. Aan zijn tuig hingen nog steeds de tassen. Flessen. Canvasrollen. En, tot haar verrassing, een opgevouwen doek met een kaart erop.
“Onze vriend heeft misschien iets meegenomen.”
Ze trok de kaart los. Het was geen gewone landkaart. Het was een wijnroute, met in sierlijke letters namen van domeinen, paden, fonteinen en oude wasplaatsen. Eén route was gemarkeerd met paarse verfspatten.
Lady Alcina boog zich erover.
“De schildersroute.”
Markie fronste. “Die bestaat niet meer.”
“Jawel,” zei Étienne. “Alleen officieel niet.”
Lavendel glimlachte. “Mijn favoriete soort route.”
Ze volgden het pad omlaag. De ezel liep nu voorop, duidelijk trots op zijn promotie tot gids. De nacht rook naar droge aarde, lavendel en druiven die bijna rijp waren. Krekels zongen alsof zij niets wisten van schaduwloze mannen, levende schilderijen en testamentaire wijnflessen.
Toch bleef de dreiging achter hen hangen.
Lavendel keek opzij naar Markie.
“Wie was Victor echt?”
Markie zweeg lang.
“Een wijnmaker,” zei hij uiteindelijk. “En een verzamelaar.”
“Van wijn?”
“Van momenten. Van gezichten. Van mensen die wilden blijven bestaan.”
Lady Alcina liep aan de andere kant, de fles Mémoire stevig in haar hand.
“Victor maakte wijn van herinneringen,” zei zij. “Eerst als kunst. Later als macht. Hij ontdekte dat sommige mensen bereid zijn alles te geven voor één eeuwige zomer.”
Lavendel slikte. “En Éloïse?”
Markie keek naar het schilderij dat hij droeg.
“Éloïse was onze muze. Niet van mij alleen. Van ons atelier, van de hele kring. Ze bracht kleur waar niemand kleur zag. Ik dacht dat als ik haar schilderde, ik haar zou bewaren.”
“Maar Victor wilde haar ook bewaren,” zei Lavendel.
Lady Alcina’s stem werd hard. “Victor wilde haar bezitten.”
Het schilderij trilde zacht tussen hen in. Éloïse verscheen weer, vaag maar zichtbaar.
“Hij bood mij een glas aan,” zei ze. “Wijn waarin mijn naam zou blijven leven. Ik weigerde. Maar namen zijn kwetsbaar wanneer anderen ze vaak genoeg fluisteren.”
Lavendel keek naar Lady Alcina.
Die knikte langzaam.
“Ik stal haar naam om haar te verbergen. Ik dacht dat Victor haar dan niet kon vinden.” Haar paarse lippen trokken strak. “Maar zonder naam kon Markie haar gezicht niet afmaken. En zonder gezicht kon zij niet terug.”
Markie zei niets.
Maar zijn stilte was geen leegte.
Het was schuld.
Ze bereikten Saint-Rémy vlak voor middernacht.
Het dorp sliep, maar niet helemaal. Er brandde nog licht achter blauwe luiken. Er klonk ergens zacht gelach uit een wijnbar. Een kat stak de straat over en keek verontwaardigd naar de ezel, alsof toeristen met hoeven na tienen verboden waren.
De fontein lag op een klein plein met platanen. Het water stroomde uit de mond van een stenen leeuw in een rond bassin. Maanlicht lag op het oppervlak als zilveren verf.
Lavendel voelde meteen dat dit de plek was.
De paarse verfspat op het perkament gloeide fel.
“Onder de fontein,” zei Étienne.
“Mooi,” zei Lavendel. “Wie gaat erin?”
Iedereen keek naar de ezel.
De ezel keek terug met een gezicht dat duidelijk zei: absoluut niet.
Markie rolde zijn mouwen op. “Ik doe het.”
“Nee,” zei Éloïse vanaf het doek.
Haar stem klonk zwak, maar dringend.
“De vierde kleur laat zich niet nemen door schuld. Alleen door verbeelding.”
Lavendel zuchtte. “Dat betekent zeker dat ik erin moet.”
Lady Alcina glimlachte. “Je hebt de juiste schoenen voor een ramp.”
Lavendel keek naar haar paarse sneakers met witte veters. Eén veter zat los, op de neus zat groene verf, en nu waarschijnlijk binnenkort fonteinwater.
“Voor de kunst,” zei ze.
Ze stapte het bassin in.
Het water was ijskoud.
“Mon Dieu!” riep Lavendel. “Deze fontein heeft geen respect voor kunstenaressen van middelbare leeftijd.”
Markie kon het niet helpen. Hij glimlachte.
“Voorzichtig,” zei hij.
Lavendel tastte onder water langs de bodem. Eerst vond ze alleen gladde stenen, muntjes, een oude sleutel die nergens op paste en iets dat hopelijk een takje was.
Toen voelde ze een groef.
Een cirkel.
Ze duwde.
Er gebeurde niets.
Ze keek naar het perkament in haar hand. De woorden gloeiden weer op.
Waar verf en wijn elkaar ontmoeten…
Lavendel begreep het.
“Alcina, de fles.”
Lady Alcina verstijfde. “Mémoire?”
“Een druppel maar.”
“Dat zei ooit een man over mijn beste Bourgogne en ik heb hem nooit vergeven.”
“Alcina.”
De wijndomina keek naar de fles, toen naar Éloïse, toen naar Markie.
Ze stapte naar de rand van de fontein en schonk één enkele druppel rode wijn in het water.
De druppel zonk niet.
Hij spreidde zich uit als een bloem.
Lavendel nam met haar andere hand een beetje paarse verf van haar eigen wang — de vlek die er al de hele dag zat — en streek die over de onderwatergroef.
Het water lichtte op.
De stenen leeuw boven de fontein opende langzaam zijn bek verder dan steen ooit zou mogen kunnen. Uit zijn mond viel geen water meer, maar een klein voorwerp.
Markie ving het.
Het was een glazen ampul, niet groter dan een duim. Binnenin bewoog kleur.
Geen rood. Geen blauw. Geen paars.
Iets ertussenin, iets ervoorbij.
Een kleur die Lavendel niet kende, maar direct begreep.
De vierde kleur.
Éloïse fluisterde: “Aubemauve.”
“Ochtendpaars,” vertaalde Étienne zacht. “De kleur tussen herinnering en begin.”
Op dat moment doofden alle straatlantaarns rond het plein.
De kat rende weg.
De ezel schoof dichter tegen Lavendel aan.
Aan de overkant van het plein stond Victor Sansombre.
Nog steeds in zijn witte pak. Nu bevlekt met donkere wijnspatten. In zijn hand hield hij zijn glas heldere wijn.
En achter hem stonden mensen.
Of schimmen.
Mannen en vrouwen in oude Provençaalse kleding. Schilders. Wijnmakers. Geliefden. Verzamelaars. Allemaal bleek, allemaal stil.
Allemaal zonder schaduw.
Victor glimlachte.
“Dank jullie,” zei hij. “Jullie hebben precies gedaan wat ik niet kon.”
Markie hield de ampul stevig vast.
“Je krijgt hem niet.”
Victor hief zijn glas.
“Mijn beste Markie. Je begrijpt het nog steeds niet.”
Hij wees naar de fontein.
Het water was niet langer helder. Het draaide rond, paars en rood, en in het oppervlak verscheen een beeld: het oude schilderij, de kapel, de wijngaard, Éloïse, Markie, Alcina, Lavendel.
En daarachter nog een figuur.
Victor zelf.
Geschilderd in lege verf.
“De vierde kleur opent niet alleen het schilderij,” zei Victor. “Ze herinnert het doek eraan wie er ontbreekt.”
Lavendel stapte uit de fontein, druipend, koud en woedend.
“Dan zullen wij zorgen dat jij blijft ontbreken.”
Victor keek haar aan.
Zijn glimlach werd breder.
“Lieve Lavendel,” zei hij. “Ik sta er al in.”
Achter hen kraakte het schilderij.
Éloïse schreeuwde.
Op het doek verscheen langzaam een nieuwe schaduw.
Niet achter een mens.
Maar over de hele geschilderde Provence.
Alsof de nacht zelf een penseel had gepakt.
En in de verte, vanuit de richting van de kapel, begonnen alle kerkklokken tegelijk te luiden.