Hoofdstuk 13 — De Kaart in de Wijnvlek

De ochtend kwam niet voorzichtig.

Zij brak over de Provence heen met goud licht, krekels, hanengekraai en het soort warmte dat meteen aankondigde dat de dag weinig medelijden zou hebben met mensen die te laat naar bed waren gegaan.

Lavendel zat aan de houten tafel van het zomerhuisje met haar hoofd op haar armen.

Haar zwarte baret lag naast haar glas rosé, plat en verslagen, alsof ook die een lang gesprek met het verleden had gehad. Op haar wang zat nog altijd paarse verf, nu vermengd met stof, een veeg wijn en waarschijnlijk een klein beetje hooi. Haar oversized schildersjas hing over de rugleuning van een stoel en leek na alle gebeurtenissen van de vorige nacht meer op een landkaart van chaos dan op kleding.

Markie Von Zeist stond bij het raam.

Hij had niet geslapen.

Dat hoefde Lavendel niet te vragen. Ze zag het aan zijn rug. Aan de manier waarop hij naar de wijngaarden keek zonder ze echt te zien. Aan zijn hand, die telkens naar zijn borstzak ging, waar de brief van Isabeau zat.

**Aan Markie Von Zeist.**

Een naam uit het verleden die hem had gevonden voordat hij zichzelf daar had gezocht.

Aan de andere kant van de tafel zat Lady Alcina met een glas zwarte koffie voor zich. Haar grote hoed lag naast de fles rode wijn, als twee dramatische argumenten die nog niet uitgesproken waren. Ze zag er ondanks alles nog steeds elegant uit, maar zelfs zij had donkere kringen onder haar ogen. Haar ene oorbel ontbrak; de andere hing paars en glanzend in het ochtendlicht.

Delacourt zat op een stoel bij de deur.

Niet vastgebonden.

Dat was volgens Manon “onhandig bij evacuatie”.

Maar hij zat wel tussen Henri en Père Mathieu in, wat ongeveer hetzelfde effect had. Henri had zijn olijfhouten wandelstok op Delacourts voet gezet en deed alsof hij dat niet merkte. Père Mathieu las zwijgend in een klein versleten gebedenboekje, maar sloeg elke paar minuten een bladzijde om zonder werkelijk te lezen.

Buiten stond Balthazar onder de vijgenboom.

Hij at hooi met de tevredenheid van iemand die de wereld al lang begrepen had en slechts wachtte tot mensen hun achterstand inhaalden.

Manon kwam binnen zonder kloppen.

Natuurlijk.

Ze droeg een mand met brood, kaas, vijgen en een pot abrikozenjam. Achter haar kwam Solange met een kan water en een bos verse lavendel.

“Eten,” zei Manon. “Waarheid op een lege maag maakt mensen dramatisch.”

Markie keek over zijn schouder.

“Sommigen van ons zijn ook met ontbijt dramatisch.”

Manon zette de mand neer.

“Dan eet jij dubbel.”

Lavendel tilde haar hoofd op van haar armen.

“Manon, ik hou van u.”

“Dat hoor ik vaker na mijn jam.”

Ze sneed het brood in grove stukken, alsof het persoonlijk verantwoordelijk was voor het tijdverlies, en deelde kaas uit. Lavendel pakte een vijg en at hem langzaam, terwijl haar ogen naar het schilderij gingen.

Het lag op tafel, deels ingerold, beschermd door haar paarse sjaal. Toch glansde er nog altijd een zwakke gloed door de stof heen. Niet genoeg om de kamer te verlichten, maar genoeg om de aandacht te trekken.

Alsof het doek niet sliep.

Alleen wachtte.

Markie kwam eindelijk van het raam naar de tafel. Hij ging tegenover Lavendel zitten en legde de oude namenlijst neer.

De handtekeningen.

De betalingen.

De schuld.

En onderaan:

**M. van Seyst — cartographe**

Hij keek ernaar alsof hij een wond inspecteerde die niet op zijn lichaam zat maar toch pijn deed.

Lavendel schoof het mandje brood naar hem toe.

“Eerst eten.”

“Ik heb geen honger.”

“Dat zei je gezicht al. Daarom zei ik het tegen de rest van je lichaam.”

Hij keek haar aan.

Ze hield zijn blik vast.

Na een paar tellen pakte hij een stuk brood.

“Tevreden?”

“Voorlopig.”

Manon keek van de een naar de ander en bromde iets dat verdacht veel leek op goedkeuring.

Lady Alcina nam een slok koffie.

“We moeten vertrekken voordat het dorp wakker wordt.”

“Het dorp is al wakker,” zei Manon. “Het doet alleen alsof het niets ziet. Dat is een oude gewoonte.”

Delacourt boog iets naar voren.

“Als we naar Avignon gaan, moeten we niet de hoofdweg nemen. De D-weg langs de rivier is sneller, maar voorspelbaar.”

Markie keek naar hem.

“En u bent plotseling onze routeadviseur?”

“Ik heb jaren gezocht naar sporen van dit verhaal. Ik ken wie meekijkt.”

“Dat klinkt alsof u ook weet wie wij moeten vermijden.”

“Ja.”

Manon keek hem scherp aan.

“Dan begin je beter meteen.”

Delacourt zweeg even.

Daarna haalde hij langzaam adem.

“De familie Saint-Martin. Zij bezitten nog steeds wijngaarden ten oosten van hier. Hun grootvader tekende de overeenkomst. De huidige burgemeester is een Saint-Martin via zijn moeder. De familie Giraud heeft connecties met het museum in Avignon. De naam Pourpre is bijna verdwenen, behalve Alcina. Delacourt…” Hij glimlachte bitter. “Mijn naam spreekt voor zich.”

Lady Alcina’s stem was koud.

“En Van Seyst?”

Delacourt keek naar Markie.

“Ik weet alleen dat er een kaartenmaker was. Matthias. Hij verdween kort na de brand in Avignon uit de registers. Geen overlijdensakte. Geen vertrekdocument. Niets.”

Markie werd stiller.

Lavendel legde haar vingers om haar koffiekop, hoewel er geen koffie in zat maar water met citroen.

“Verdween hij omdat hij bang was?”

“Of omdat iemand hem liet verdwijnen,” zei Delacourt.

Markie keek op.

“U kiest uw woorden zorgvuldig.”

“Dit keer wel.”

Père Mathieu sloot zijn boekje.

“Er is nog iets. Mijn voorganger in de kapel van Saint-Véran hield een register bij. Niet officieel. Eerder een dagboek van gebeurtenissen. Na de aardverschuiving is veel verloren gegaan, maar één zin werd vaak doorgegeven.”

Manon zuchtte.

“Mathieu…”

“Ze moeten het weten.”

De oude man keek naar Markie.

“Er stond: *De Nederlander kwam terug met wijn op zijn kaart en as op zijn handen.*”

De kamer werd zo stil dat zelfs buiten Balthazar ophield met kauwen.

Markie keek niet weg.

“Wijn op zijn kaart,” herhaalde hij.

Lavendel voelde ineens iets tintelen achter haar ogen.

Een beeld.

Niet helder.

Een tafel.

Een kaart.

Een omgestoten glas.

Rode wijn die over papier stroomde.

Ze keek naar de namenlijst.

Naar de bruine vlekken langs de onderste rand.

“Markie,” zei ze zacht.

Hij draaide zijn hoofd naar haar.

“Wat?”

“Mag ik die lijst eens zien?”

Hij schoof het papier naar haar toe.

Lavendel boog zich eroverheen. Ze had de vlekken eerder gezien, maar toen leken ze gewoon ouderdom: verkleuringen, vocht, misschien wijn. Nu keek ze anders.

Als schilderes.

Niet naar woorden.

Naar sporen.

Langs de rechteronderhoek liep een donkere bruine vlek, bijna zwart aan de rand, roodachtig in het midden. Een oude wijnvlek. De meeste mensen zouden hem negeren.

Maar Lavendel zag lijnen.

Randen.

Vertakkingen.

Alsof de wijn niet willekeurig was uitgelopen.

Alsof hij iets had gevolgd.

Ze pakte haar schetsboek en trok het papier voorzichtig dichter naar het raam.

“De wijn is niet over het papier gemorst,” zei ze langzaam.

Markie kwam naast haar staan.

“Wat bedoel je?”

“Hij is erin getrokken waar het papier anders behandeld was. Kijk.”

Ze wees naar de vlek. “Hier. De wijn heeft bepaalde lijnen donkerder gemaakt. Andere plekken blijven lichter. Alsof er ooit iets met was, gom of een onzichtbare inkt op stond.”

Delacourt stond bijna op, maar Henri’s wandelstok hield hem met één pijnlijk kleine beweging op zijn plaats.

“Dat is mogelijk,” zei Delacourt gespannen. “Kaartenmakers gebruikten soms preparaten om lijnen te maskeren.”

Markie keek naar de vlek.

Zijn gezicht veranderde.

Niet veel.

Maar Lavendel zag het.

Angst vermengd met hoop.

“Een kaart in de wijnvlek,” fluisterde hij.

Manon kruiste haar armen.

“Daar is je hoofdstuktitel.”

Lavendel glimlachte kort, maar haar aandacht bleef bij het papier.

“We hebben warmte nodig. Niet te veel. En licht van opzij.”

Solange zette meteen de lantaarn dichterbij.

“Geen vuur,” zei Markie scherp.

Lavendel keek naar hem.

“Ik ben kunstenares, geen pyromaan.”

“Gisteravond schilderde je met bloed en wijn een herinneringsdeur open.”

“Dat was gecontroleerd experimenteren.”

“Dat is een zorgwekkende definitie.”

Toch deed hij wat ze vroeg. Hij hield het papier voorzichtig vast terwijl Lavendel de lantaarn schuin zette. Het lage licht streek over de vlek.

Eerst gebeurde er niets.

Toen kwamen er lijnen tevoorschijn.

Fijn.

Bruinrood.

Niet geschreven.

Getekend.

Een kromme lijn. Een tweede. Een cluster kleine vierkantjes. Drie kruisen. Een halve cirkel.

Lavendel hield haar adem in.

“Daar.”

Markie boog dichterbij.

De vlek was geen vlek meer.

Het was een fragment.

Een deel van een kaart.

Niet van het landschap boven de grond.

Maar van iets eronder.

Tunnels.

Kelders.

Verborgen verbindingen.

Lady Alcina kwam naast hen staan.

“Cave Pourpre,” fluisterde ze.

Delacourt rekte zijn nek om te kijken.

“En Saint-Martin. Daar. Die lijn gaat naar de oude fontein.”

Markie volgde de lijnen met zijn ogen.

“Maar dit is niet de volledige kaart.”

“Nee,” zei Lavendel. “Alleen een afdruk. Of een verwijzing.”

Manon pakte haar glas rosé van de avond ervoor, rook eraan, trok een gezicht en zette het weer neer.

“Matthias was slim. Als hij de echte kaart verborg, liet hij een spoor achter waar alleen iemand met genoeg wijn, licht en wantrouwen het zou zien.”

Markie keek naar haar.

“Dat laatste heb ik in ruime voorraad.”

Lavendel tikte zacht met haar nagel op de vlek.

“Hier staat iets.”

De letters waren bijna onzichtbaar. Geen normale inkt, maar verdonkering in de rand van de wijn.

Markie haalde Delacourts vergrootglas van tafel.

Delacourt maakte een zacht beledigd geluid.

Markie keek hem aan.

“U mag het later emotioneel verwerken.”

Hij boog zich over het papier.

Lavendel leunde dicht naast hem.

Samen lazen ze de minuscule letters.

**Sous la roue.**

Lady Alcina fronste.

“Onder het wiel.”

Markie keek naar Manon.

“Welk wiel?”

Manon bleef opvallend stil.

Dat was nieuw.

Lavendel keek haar aan.

“U weet het.”

Manon zuchtte.

“Ik hoopte van niet.”

“Manon,” zei Lady Alcina.

De oude vrouw wreef met haar duim langs de rand van haar glas.

“In Avignon, in de Rue des Teinturiers, stroomt de Sorgue langs de huizen. Daar staan oude waterraderen. Vroeger dreven ze de textielwerkplaatsen aan.”

Lavendel zag het meteen voor zich.

Water.

Houten raderen.

Kleurstoffen.

Vlinders.

“De vlinder onder water,” fluisterde ze.

Markie knikte langzaam.

“Zoek naar as die niet zwart werd. Zoek naar de vlinder onder water.”

Delacourt keek naar het kaartfragment.

“De echte kaart kan verstopt zijn bij een waterrad.”

“Of onder één,” zei Markie.

Lady Alcina keek naar de brief van Isabeau.

“En de drukproef?”

Manon tikte op het adres in Père Mathieu’s boekje.

“Claire Renaud bewaart wat van de drukkerij over is. Als iemand weet welk wiel, is zij het.”

Lavendel voelde het avontuur zich opnieuw aanspannen.

Niet als chaos deze keer.

Als richting.

Avignon.

Rue des Teinturiers.

De Zwarte Vlinder.

Een kaart verborgen onder een waterrad.

En ergens in dat alles: Markies naam, of de naam die vóór hem kwam.

Ze vertrokken minder dan een uur later.

Niet met dramatische muziek, maar met de praktische rommel van tassen, brood in doeken, waterflessen, een slechtgehumeurde kunsthandelaar zonder stokknop en een ezel die duidelijk vond dat zijn rol onvoldoende werd erkend.

Lady Alcina ging eerst.

Zij vertrok te voet tussen de wijnranken door om haar zwarte Citroën op te halen bij Château Pourpre. Voor ze ging, legde ze haar hand kort op Lavendels schouder.

“Blijf bij Markie,” zei ze zacht.

Lavendel keek naar haar.

“Altijd.”

Alcina’s blik gleed naar het opgerolde schilderij.

“En laat Delacourt niet te dicht bij het doek.”

“Ook altijd.”

De wijndomina glimlachte flauwtjes en verdween tussen de platanen, haar hoed als een bewegende schaduw in het ochtendlicht.

Delacourt werd door Henri en Père Mathieu naar een achterpad geleid, waar hij later bij de auto zou worden opgepikt. Hij protesteerde nauwelijks. Dat maakte hem, volgens Markie, “verdachter dan toen hij wel protesteerde”.

Lavendel en Markie zouden met Balthazar naar Manons boerderij lopen. Vandaar zou Manons neef hen discreet naar een kruispunt brengen buiten het dorp, waar Alcina hen kon oppikken.

Balthazar droeg het schilderij niet langer.

Dat had Markie geweigerd.

“Als iedereen inmiddels weet dat de ezel belangrijk is, geven we hem niet het kostbaarste bewijs.”

Balthazar had diep beledigd gebalkt.

Lavendel had het opgelost door hem een oude lege schildersrol te geven, zorgvuldig in linnen gewikkeld en zichtbaar op zijn rug gebonden.

Een nepschilderij.

Balthazar keek er trots mee.

“Hij geniet hiervan,” zei Markie.

“Hij is geboren voor theater,” zei Lavendel.

Markie droeg het echte doek, verborgen in een eenvoudige koker met de tekst **Aquarelpapier — voorzichtig** erop.

“Dat is wel heel doorzichtig,” zei Lavendel.

“Precies. Niemand gelooft dat wij zo dom zouden zijn.”

“Maar wij zíjn soms zo dom.”

“Dat is onze camouflage.”

Ze liepen over een smal pad tussen de wijngaarden. De ochtendzon lag laag en warm op de druivenbladeren. In de verte klonk een tractor. Ergens blafte een hond. De wereld deed alsof ze normaal was.

Maar Lavendel voelde voortdurend het gewicht van de brieven in haar tas.

Isabeau’s stem.

Manons verhaal.

De namenlijst.

De wijnvlekkaart.

Markies stilte naast haar.

Na een tijdje zei ze: “Je denkt aan Matthias.”

Markie keek niet op.

“Ik denk aan de mogelijkheid dat mijn familie verbonden is met de dood van een dorp.”

“Je weet dat niet.”

“Nee.”

“En zelfs als Matthias fouten heeft gemaakt, ben jij hem niet.”

Hij liep door.

Zijn zilverwitte haar bewoog in de wind. Zijn gezicht stond strak.

“Families zijn vreemde dingen,” zei hij uiteindelijk. “Je erft niet alleen foto’s en servies. Soms erf je ook stiltes.”

Lavendel knikte.

“En soms moet iemand eindelijk de kast openmaken.”

Hij keek haar zijdelings aan.

“Met jou worden kasten meestal geheime doorgangen.”

“Dat maakt opruimen interessanter.”

Hij ademde bijna een lach uit.

Toen werd hij weer ernstig.

“Als Matthias schuldig was…”

“Dan vinden we uit waaraan. Niet meer. Niet minder.”

“Je zegt dat alsof waarheid netjes is.”

“Nee,” zei Lavendel. “Waarheid is meestal rommelig, vlekkerig en slecht opgedroogd. Maar je kunt er pas overheen schilderen als je weet wat eronder zit.”

Markie bleef staan.

Lavendel ook.

Balthazar liep nog drie stappen door, merkte dat zijn publiek achterbleef, en draaide zich met hoorbaar ongeduld om.

Markie keek naar Lavendel.

“Is dat wat jij doet?”

“Wat?”

“Over dingen heen schilderen?”

Ze glimlachte zachter.

“Soms. Maar de goede lagen laat ik zichtbaar.”

Hij hield haar blik vast.

Even was er geen Delacourt, geen Avignon, geen dode kunstenares die deuren in verf opende.

Alleen ochtendlicht.

Wijngaarden.

En twee mensen die iets begonnen te begrijpen waarvoor ze geen hoofdstuktitel hadden.

Toen balkte Balthazar.

Hard.

Praktisch.

Onromantisch.

Markie zuchtte.

“Hij tolereert geen gevoeligheid vóór de lunch.”

Lavendel lachte.

“Kom, mon cher. De generaal wacht.”

Manons boerderij lag achter een rij cipressen, laag en breed, met dikke stenen muren en een binnenplaats vol potten basilicum, stapels hout, emmers, kippen en minstens zeven ezels die deden alsof zij toevallig allemaal tegelijk niet naar Balthazar keken.

Maar ze keken wel.

Balthazar stapte de binnenplaats op met het nepdoek op zijn rug en de waardigheid van een veldmaarschalk na een succesvolle campagne.

Een kleine bruine ezel balkte bewonderend.

Een grotere grijze ezel snoof jaloers.

Markie keek rond.

“Ik heb het gevoel dat wij een militaire basis betreden.”

Lavendel fluisterde: “Ezelverzet Provence-afdeling.”

Manon stond al op de binnenplaats, hoewel zij volgens alle logica achter hen had moeten lopen. Lavendel besloot dat Manon niet onder gewone reiswetten viel.

Naast haar stond een jonge man met donker krullend haar, een rood sjaaltje om zijn hals en een gezicht dat onmiddellijk begon te glimlachen toen hij Lavendel zag.

“Ah,” zei hij. “De kunstenares.”

Markie keek hem direct wantrouwig aan.

Manon wees met haar duim.

“Mijn neef Jules. Hij brengt jullie naar het kruispunt.”

Jules boog overdreven.

“Tot uw dienst.”

Lavendel glimlachte vriendelijk.

“Dank je.”

Markie mompelde: “Hij glimlacht te veel.”

“Dat is familie van Manon,” zei Lavendel. “Hij compenseert.”

Jules pakte hun tassen en legde ze in een oude blauwe bestelwagen met deuken, roestplekken en op de achterdeur een handgeschilderde ezel met een glas wijn.

Lavendel wees ernaar.

“Prachtig.”

“Zelf geschilderd,” zei Jules trots.

Markie keek naar de ezel op de deur.

“Dat dier lijkt verstandiger dan de bestuurder.”

Jules lachte.

“Dan kent u mij al goed.”

Voordat ze instapten, kwam Manon naar Lavendel toe. Ze drukte iets kleins in haar hand.

Een oude metalen knoop.

Zwart.

Met een ingegraveerde vlinder.

“Wat is dit?”

“Van de jas van Baptiste Renaud,” zei Manon. “Camille gaf hem aan mijn moeder. Als Claire Renaud twijfelt of ze jullie moet ontvangen, laat haar dit zien.”

Lavendel sloot haar vingers eromheen.

“Dank u.”

Manon keek naar Markie.

“En jij.”

Hij rechtte zich iets.

“Ja?”

“Als je in Avignon iets vindt over Van Seyst, lees dan eerst alles voordat je jezelf veroordeelt.”

Markie zei niets.

Manon prikte met haar vinger tegen zijn borst.

“Oude mannen zijn soms te snel met schuld en te traag met vergeving.”

Markie keek haar ernstig aan.

“Ik zal proberen u niet teleur te stellen.”

“Doe dat vooral voor jezelf. Ik heb genoeg andere teleurstellingen om me mee bezig te houden.”

Daarmee draaide ze zich om en begon tegen een kip te mopperen die volgens haar “geen respect voor venkel” had.

Lavendel stapte in de bestelwagen naast Markie. Balthazar bleef op de binnenplaats, tussen de andere ezels. Dat leek hem niet te bevallen.

Hij balkte.

Lavendel stak haar hoofd uit het raam.

“We komen terug.”

Balthazar keek haar aan.

In zijn oog flitste heel even de kleur zonder naam.

Lavendel voelde het alsof iemand een penseel langs haar hart haalde.

Toen draaide Balthazar zich om, liep naar de schaduw van een vijgenboom en deed alsof hij hen niet uitzwaaide.

Maar zijn oren bleven naar de weg gericht.

De rit naar het kruispunt duurde twintig minuten.

Jules reed alsof hij de weg persoonlijk kende en de meeste verkeersregels slechts geruchten vond. Lavendel vond het levendig. Markie vond het “bewijs dat de mensheid rijbewijzen te lichtvaardig verstrekt”.

Bij het kruispunt stond Lady Alcina al te wachten.

Haar zwarte Citroën was oud, glanzend en indrukwekkend, met rondingen als een filmster uit een tijd waarin auto’s nog geheimen hadden. Delacourt zat achterin, tussen Henri en Père Mathieu, zichtbaar ongelukkig maar intact.

Alcina stapte uit.

“We rijden via Cavaillon en dan binnendoor. Geen snelweg.”

Markie knikte.

“Goed.”

Lavendel keek naar de auto.

“Past iedereen?”

Lady Alcina glimlachte.

“Met goede wil.”

Markie keek naar Delacourt.

“Die is beperkt aanwezig.”

Uiteindelijk werd de indeling als volgt: Alcina reed. Markie zat voorin met de kaart op schoot. Lavendel zat achterin aan één kant, Delacourt in het midden, Père Mathieu aan de andere kant. Henri reed met Jules terug, wat volgens Henri veiliger was “voor iedereen die niet graag kunsthandelaren op schoot heeft”.

De Citroën startte met een lage grom.

Ze reden weg.

De Provence schoof langs hen heen: wijnvelden, boomgaarden, lage dorpen, cipressen, oude stenen muren, marktkramen die werden opgebouwd, vrouwen met manden, mannen bij cafés, de geur van koffie en warm brood wanneer ze door kleine plaatsen reden.

Maar in de auto hing spanning.

Delacourt zweeg.

Lady Alcina keek voortdurend in de achteruitkijkspiegel.

Markie hield de route in de gaten.

Lavendel hield de metalen vlinderknoop in haar hand.

Na bijna een uur zei Delacourt zacht:

“Er rijdt al twintig minuten een grijze Peugeot achter ons.”

Markie keek niet om.

“Ik weet het.”

Lady Alcina’s mond werd een rechte lijn.

“Sinds het dorp.”

Lavendel voelde haar hartslag versnellen.

“Van wie?”

Delacourt keek in de spiegel.

“Niet van mij.”

Markie vouwde de kaart iets op.

“Dat hebben we eerder gehoord.”

“Ik meen het.”

Alcina schakelde terug en nam plotseling een smalle weg tussen boomgaarden.

De Citroën helde gevaarlijk over.

Père Mathieu mompelde een gebed dat deze keer waarschijnlijk wel gelezen werd.

Lavendel greep de deurhendel.

Delacourt vloekte.

Markie bleef wonderbaarlijk kalm.

“Hij volgt.”

Alcina glimlachte koel.

“Dan gaan we kijken hoe goed.”

De weg werd smaller. Takken streken langs de ramen. De auto rook naar leer, stof, parfum, wijn en opkomend gevaar.

Achter hen dook de grijze Peugeot opnieuw op.

Dichterbij.

“Niet subtiel,” zei Markie.

“Nee,” zei Delacourt. “Dat betekent dat ze haast hebben.”

“Of slechte smaak,” zei Lavendel.

Alcina trapte het gaspedaal dieper in.

De Citroën schoot vooruit tussen rijen platanen.

Lavendel voelde het schilderij in de koker tegen haar knieën trillen.

Niet van de weg.

Van binnenuit.

Ze keek naar Markie.

“Het doek reageert.”

Hij keek naar de kaart op zijn schoot.

“Waar zijn we?”

Alcina antwoordde: “Bij de oude wasplaatsen van Cabrières. Waarom?”

Lavendel trok de sjaal iets los van de koker.

Een dunne gloed verscheen.

Op het doek, hoewel nog opgerold, tekende zich aan de buitenkant een vage blauwe lijn af.

Markie keek naar de kaart.

Toen naar de weg.

“Er is een brug over de Sorgue verderop.”

Delacourt werd bleek.

“Niet die brug.”

Lady Alcina keek in de spiegel.

“Waarom niet?”

“Smalle doorgang. Als ze ons daar insluiten…”

Markie keek naar Alcina.

“Kunnen we ervoor afslaan?”

“Misschien.”

Lavendel zag door de achterruit de Peugeot dichterbij komen.

In de auto zaten twee mannen.

En op de passagiersstoel lag iets dat leek op een jachtgeweer.

“Alcina,” zei ze zacht.

“Ik zie het.”

De Citroën naderde een splitsing.

Links: de brug.

Rechts: een onverharde weg langs een kanaal.

Markie zei: “Rechts.”

Delacourt zei: “Links is sneller.”

Lavendel voelde het schilderij warmer worden.

Op de sjaal verscheen een klein teken.

Een zwarte vlinder.

En daaronder een druppelvorm.

Water.

“Rechts,” zei Lavendel.

Lady Alcina stuurde rechts.

De Citroën slipte over het gravel, maar hield stand. Stof vloog achter hen op. De Peugeot schoot bijna voorbij de afslag, remde hard en volgde.

De onverharde weg liep langs een smal kanaal met groen water. Populieren stonden dicht op elkaar. Hun schaduwen flitsten over de auto.

Voor hen verscheen een oud stenen gebouw.

Vervallen.

Met een groot houten waterrad tegen de zijkant.

Het rad draaide langzaam in de stroom.

Krakend.

Zwart van ouderdom.

Lavendel hield haar adem in.

“Onder het wiel,” fluisterde ze.

Markie keek naar het waterrad.

“Maar we zijn nog niet in Avignon.”

Delacourt boog zich naar voren.

“De Sorgue loopt naar Avignon. Er waren meerdere werkplaatsen. Misschien gebruikte Matthias een keten van tekens.”

De Peugeot kwam dichterbij.

Een klap.

Iets raakte de achterruit.

Niet doorheen, maar hard genoeg om iedereen te laten schrikken.

Père Mathieu riep iets heiligs.

Lady Alcina vloekte iets onheiligs.

Markie greep het dashboard.

“Ze schieten.”

“Waarschuwingsschot,” zei Delacourt.

Lavendel keek hem aan.

“Dat was bijzonder weinig geruststellend.”

Alcina remde plotseling bij het oude gebouw.

“Uitstappen.”

Markie keek haar aan.

“Wat?”

“We kunnen ze op de open weg niet kwijt. In het gebouw misschien wel.”

“Dat is geen plan.”

Lavendel pakte de koker met het schilderij.

“Vandaag is dat opnieuw ons specialisme.”

Ze sprongen uit de auto.

De Peugeot remde vijftig meter achter hen.

De portieren vlogen open.

Twee mannen stapten uit.

Geen brede ruwe types zoals bij Delacourt.

Deze waren netter.

Gevaarlijker.

Een van hen droeg inderdaad een jachtgeweer, laag gericht.

“Rennen,” zei Markie.

Ze renden het oude gebouw in.

Binnen was het koel en vochtig.

Het rook naar mos, nat hout en oude verfstoffen. Door gaten in het dak vielen smalle banen licht. Langs de muren stonden vergane bakken waarin ooit wol of linnen was geverfd. Het waterrad kraakte buiten tegen de muur, verbonden met een oude as die door het gebouw liep.

Lavendel hield de schilderijkoker stevig vast.

Het doek gloeide nu duidelijk.

Markie keek naar de vloer.

“Daar.”

Bij de grote houten as die van het waterrad kwam, zat een stenen plaat in de vloer. Op de plaat was iets gekrast.

Een vlinder.

Niet zwart geschilderd.

Maar ingesneden.

Lady Alcina trok Delacourt mee naar binnen.

“Jij. Open dit.”

Delacourt knielde onmiddellijk bij de steen.

“Waarom ik?”

“Omdat mannen zoals jij altijd weten hoe verborgen dingen open moeten.”

Hij wilde iets zeggen, besloot tegen beter weten in verstandig te zijn, en begon de randen te onderzoeken.

Buiten klonken voetstappen.

Markie pakte een oude ijzeren haak van de muur.

Lavendel keek hem aan.

“Ga je daarmee vechten?”

“Ik hoop vooral overtuigend te ogen.”

“Dat lukt.”

Hij keek even verbaasd.

Zij glimlachte.

Delacourt vond een kleine uitsparing onder de rand van de steen.

“Hier.”

Lady Alcina haalde de zilveren knop van zijn wandelstok uit haar tas en gooide hem toe.

“Probeer deze.”

Delacourt ving hem, draaide de knop om en drukte het smalle uitstekende deel in de uitsparing.

Klik.

De steen kwam los.

Markie trok hem omhoog.

Daaronder zat een kleine holte.

Geen kaart.

Geen brief.

Alleen een metalen doosje.

Nat.

Donker.

Verzegeld met was die wonder boven wonder nog heel was.

Op het zegel stond een zwarte vlinder.

Lavendel voelde haar hart bonzen.

“De vlinder onder water.”

Buiten riep een mannenstem:

“Geef het doek af. Dan blijft iedereen ongedeerd.”

Markie mompelde: “Klassieke leugen.”

Lady Alcina pakte het doosje.

“Verder. Er moet een achteruitgang zijn.”

Delacourt wees naar een smalle opening achter de verfbakken.

“Daar.”

Ze haastten zich erheen.

Een schot kraakte.

Hout splinterde bij de deurpost.

Lavendel dook instinctief naar beneden.

Markie greep haar arm.

“Gaat het?”

“Ja.”

“Lieg je?”

“Niet genoeg om te stoppen.”

Ze renden door de opening naar buiten.

Daar lag een smal pad langs het kanaal. De Citroën stond aan de andere kant van het gebouw. Onbereikbaar zonder langs de mannen te gaan.

Lady Alcina keek naar het water.

Een oude houten loopplank leidde over het kanaal naar een boomgaard.

“Daarheen.”

Père Mathieu ging eerst, verrassend snel voor zijn leeftijd. Daarna Delacourt, met het doosje in zijn jas. Lavendel volgde met het schilderij. De plank kraakte onheilspellend.

Markie bleef achteraan.

“Schiet op,” zei hij.

“Dat doe ik,” zei Lavendel.

“Sneller schiet op.”

Ze bereikte de overkant.

Lady Alcina trok haar de boomgaard in.

Markie stapte als laatste op de plank.

Toen verscheen een van de mannen bij de hoek van het gebouw.

Hij hief het geweer.

Lavendel riep: “Markie!”

Markie draaide zich.

Niet weg.

Naar het water.

Hij sloeg met de ijzeren haak tegen de bevestiging van de plank.

Eén keer.

Twee keer.

De oude houten pen schoot los.

De plank kantelde.

Markie sprong.

Hij haalde de overkant net, viel hard op zijn zij en rolde tussen het gras.

De plank stortte achter hem in het kanaal.

De man aan de overkant vloekte.

Lady Alcina hielp Markie overeind.

“Dat was roekeloos.”

Markie streek stof van zijn polo.

“Lavendel heeft een slechte invloed.”

Lavendel sloeg haar armen kort om hem heen.

Niet lang.

Niet dramatisch.

Maar stevig genoeg.

“Doe dat niet nog eens zonder waarschuwing.”

Hij keek verrast naar haar handen op zijn schouders.

“Ik zal voortaan een formulier indienen.”

“Doe dat.”

Achter hen klonk Delacourt:

“We moeten weg.”

Deze keer had hij gelijk.

Ze renden door de boomgaard.

Een half uur later vonden ze onderdak in een verlaten veldkapelletje tussen de bomen.

Het was klein, witgekalkt en scheef, met een Mariabeeld waarvan één hand ontbrak en verse bloemen aan de voet. Blijkbaar kwam er nog iemand bidden, of bloemen brengen, of allebei.

Père Mathieu maakte eerbiedig een buiging voordat hij naar binnen ging.

“Vijf minuten,” zei Lady Alcina. “Dan verder.”

Delacourt zette het metalen doosje op het altaartje.

“Het zegel is oud.”

Markie stond bij de deur op wacht.

Lavendel keek naar het doosje.

Haar handen trilden nu pas.

Al het rennen, schieten, springen en ontdekken kwam vertraagd binnen.

Lady Alcina merkte het.

Ze haalde een klein zilveren flesje uit haar tas en gaf het aan Lavendel.

“Water.”

Lavendel nam een slok.

Het was geen water.

Ze hoestte.

“Dat is cognac.”

“In noodgevallen maakt Frankrijk geen onderscheid.”

Markie keek van de deur.

“Gaat het?”

Lavendel knikte.

“Warm vanbinnen. Mogelijk religieus.”

Delacourt brak voorzichtig het zegel van het doosje.

Binnenin zat geen volledige kaart.

Maar een smalle strook perkament, strak opgerold rond een dun staafje hout.

En een stukje papier, droog en grijs aan de randen.

As.

Maar niet zwart.

Eerder zilvergrijs.

Lavendel fluisterde: “As die niet zwart werd.”

Delacourt rolde het perkament uit.

Het was een kaartfragment.

Fijne lijnen.

Tunnels.

Een waterloop.

En drie woorden bovenaan:

**Plan Van Seyst — Copie I**

Markie kwam langzaam van de deur naar het altaar.

Zijn gezicht was strak.

Lavendel voelde hoe zwaar dit moment voor hem was.

Ze legde het kaartfragment naast de oude namenlijst. De lijnen uit de wijnvlek pasten precies bij de lijnen op het perkament.

Niet volledig.

Maar onmiskenbaar.

Samen vormden ze een groter patroon.

Markie wees naar een gemarkeerde plek.

“Rue des Teinturiers.”

Delacourt knikte.

“En hier. Onder het atelier van Renaud.”

Lady Alcina las de kleine aantekening onderaan het fragment.

“*La copie complète confiée à M.V.S.*”

Lavendel vertaalde zacht:

“De volledige kopie toevertrouwd aan M.V.S.”

Markie sloot zijn ogen.

“M. van Seyst.”

Niemand zei iets.

Toen pakte Lavendel het kleine verbrande papiertje.

Er stonden woorden op.

Half verdwenen.

Maar nog leesbaar.

Ze hield het bij het licht van de kapeldeur.

“Dit is een drukproef,” fluisterde ze.

Markie opende zijn ogen.

Lavendel las:

**Saint-Véran ne fut pas victime du ciel, mais des hommes.**
*Saint-Véran was niet het slachtoffer van de hemel, maar van mensen.*

Daaronder stonden enkele namen.

Saint-Martin.

Giraud.

Delacourt.

Pourpre.

En onderaan, apart, in een andere regel:

**Le cartographe Van Seyst a remis une copie des plans à l’imprimerie.**

Markie trok het papier naar zich toe.

Zijn ogen gingen over de zin.

Nog eens.

En nog eens.

Lavendel zag de verandering.

Niet opluchting.

Daarvoor was het te zwaar.

Maar iets in hem brak niet verder.

Iets werd juist gestut.

“De kaartenmaker Van Seyst,” zei hij langzaam, “heeft een kopie van de plannen aan de drukkerij gegeven.”

Lady Alcina ademde uit.

“Dan hielp hij Isabeau.”

Delacourt keek naar de grond.

“Of probeerde hij het goed te maken.”

Markie keek naar hem.

“Dat verschil doet ertoe.”

“Ja,” zei Delacourt zacht. “Dat weet ik.”

Lavendel pakte Markies hand.

Deze keer dacht ze er niet over na.

En deze keer liet hij het gebeuren.

Zijn vingers sloten zich kort om de hare.

Buiten blies de wind door de bomen.

Ver weg klonk een auto.

Daarna nog een.

Lady Alcina liep naar de deur en keek naar buiten.

“Ze zoeken ons.”

Markie stopte het kaartfragment voorzichtig in zijn tas.

“Dan gaan we naar Avignon.”

Delacourt keek naar het verbrande stukje drukproef.

“Met dit bewijs zijn we dichterbij dan ooit.”

Manon was er niet om hem scherp aan te kijken, dus deed Lavendel het.

“Niet wij. De waarheid.”

Hij knikte langzaam.

“De waarheid dan.”

Lavendel pakte de schilderijkoker weer op.

Het doek was rustiger geworden.

Alsof het tevreden was met wat zij hadden gevonden.

Voor nu.

Toen ze de kapel verlieten, viel het ochtendlicht door de bomen in vlekken op het pad.

Wijnvlekken.

Lichtvlekken.

Kaartvlekken.

Markie liep naast Lavendel.

Na een tijdje zei hij zacht:

“Dank je.”

Ze keek naar hem.

“Waarvoor?”

“Dat je me nog niet veroordeeld had.”

Lavendel glimlachte warm.

“Daar was ik veel te nieuwsgierig voor.”

Hij keek haar aan.

Toen lachte hij.

Echt.

Kort, schor en onverwacht.

Maar echt.

Lavendel voelde dat lachje als zon op natte verf.

Voor hen, achter de bomen, lag de weg naar Avignon.

En ergens onder oude stenen, water en as wachtte de rest van de kaart.