Hoofdstuk 7 — De Blauwe Deur
De zon zakte langzaam achter de heuvels alsof ze geen haast had om de geheimen van de Provence in het donker achter te laten.
Dat was jammer, vond Markie Von Zeist, want geheimen waren overdag al vervelend genoeg.
Hij liep met lange, bedachtzame passen achter de ezel aan, zijn lichtgrijze haar warrig door de warme wind, zijn gezicht ernstig en zijn blik voortdurend gericht op struiken, stenen, schaduwen en alles wat eventueel kon bewegen zonder toestemming.
“Dit is onverstandig,” zei hij.
Lavendel liep naast hem, haar zwarte baret iets scheef, haar verfbespatte schildersjas open over haar opgerolde jeans. In haar tas zat het metalen kokertje met het schilderijfragment, veilig tussen penselen, houtskool, een half pakje koekjes en een kurkentrekker die ze niet had meegenomen maar die er op de een of andere manier toch in terecht was gekomen.
“Dat heb je al gezegd,” zei ze.
“Ik zeg het opnieuw, omdat niemand ernaar handelt.”
Lady Alcina liep voor hen uit, elegant en zwijgzaam. Haar grote zwarte hoed bewoog als een donkere maan tussen de cipressen. Ze had de fles rode wijn in een van de ezeltassen gestopt, maar Lavendel had sterk het vermoeden dat Alcina precies wist in welke tas, hoe diep, en hoe snel ze erbij kon als de situatie daarom vroeg.
De ezel liep aan kop.
Vastberaden.
Te vastberaden.
Zijn strohoed hing laag over zijn voorhoofd en bij elke stap rinkelden de flessen in de tassen zacht tegen elkaar. Hij leek niet zomaar een ezel op een bergpad, maar een kleine, harige archivaris die eindelijk had besloten zijn dossier te openen.
“Hij weet de weg,” zei Lavendel zacht.
Markie keek naar het dier.
“Dat is precies wat mij zorgen baart.”
Het pad naar Saint-Véran werd steiler. De grond veranderde van stoffig zand in rotsige aarde. Aan weerszijden stonden oude stenen muurtjes, half ingestort en overwoekerd met tijm, rozemarijn en wilde lavendel. Hier en daar groeiden vijgenbomen uit scheuren in de rots, alsof ze tegen alle redelijkheid in hadden besloten dat dit een prima plek was om groot te worden.
De lucht rook naar hars, warme stenen en naderende avond.
Beneden lag het dal inmiddels in gouden licht. De wijnvelden gloeiden. De lavendelvelden waren donkerder geworden, dieper paars, bijna geheimzinnig blauw.
Lavendel bleef even staan en keek om.
“Als ik dit schilder, gelooft niemand dat het echt was.”
“Dat geldt voor bijna alles wat ons vandaag is overkomen,” zei Markie.
Lady Alcina draaide zich niet om, maar sprak wel.
“De ruïne is niet ver meer.”
Markie keek naar haar rug. “U zei dat alsof het geruststellend moest zijn.”
“Was het dat?”
“Nee.”
“Dan heb ik het goed gezegd.”
Lavendel glimlachte ondanks zichzelf.
Toen balkte de ezel.
Niet luid.
Kort.
Waarschuwend.
Ze stonden stil.
Voor hen eindigde het pad bij een rij cypressen. Daarachter lag een open plek boven op de heuvel. De wind was er sterker. Hij trok aan Lavendels jas, aan Alcina’s hoed en aan Markies toch al opstandige haar.
Tussen de bomen verscheen de ruïne van Saint-Véran.
Het oude dorp was niet meer dan een herinnering van steen.
Er stonden geen huizen meer, alleen muren zonder daken, deuropeningen zonder kamers en trappen die nergens naartoe leken te leiden. Een gebroken boog stond midden op het plein als de rib van een reusachtig dier. Klimop kroop overal overheen. Wilde bloemen groeiden tussen de oude straatstenen. In de verte stond de ruïne van een kapel, met één halve klokkentoren die nog altijd koppig naar de hemel wees.
Lavendel voelde meteen dat dit een plek was waar verhalen waren blijven hangen.
Niet als spoken.
Meer als verf die nooit helemaal droogt.
“Saint-Véran,” zei Lady Alcina zacht. “Ooit een klein kunstenaarsdorp. Schilders, wijnmakers, beeldhouwers, dichters. Tot de aardverschuiving kwam.”
Markie keek naar de afgebroken muren. “Wanneer?”
“Vijftig jaar geleden.”
Lavendel keek op.
“Rond de tijd dat Isabeau verdween.”
Lady Alcina knikte.
De ezel liep het verlaten plein op, maar langzamer nu. Zijn oren bewogen nerveus heen en weer. Hij snoof aan de stenen, stapte langs een ingestorte waterput en bleef toen bij een smalle straat staan die tussen twee halfvergane muren doorliep.
Hij wilde niet verder.
Markie wees naar hem.
“Kijk. Daar hebben we het weer.”
Lavendel liep naar de ezel en legde haar hand op zijn hals.
“Is dit het?”
Het dier keek haar aan met grote, donkere ogen.
Daarna draaide hij zijn kop naar de smalle straat.
Aan het einde daarvan was iets blauws zichtbaar.
Niet veel.
Een rand.
Een vlek kleur tussen steen en schaduw.
Lavendels hart sloeg sneller.
“De blauwe deur.”
Markie haalde diep adem. “Natuurlijk bestaat hij echt.”
“Had je gehoopt van niet?”
“Ik had gehoopt op een misverstand. Bijvoorbeeld een blauwe deurmat.”
Lady Alcina liep langzaam de straat in.
“Blijf dicht bij elkaar.”
“Dat is het minst geruststellende advies van vandaag,” zei Markie.
Toch volgde hij.
De straat was smal. Zo smal dat Lavendel met haar mouw langs de muur schuurde en een klein spoor gele verf achterliet op een steen die waarschijnlijk al decennia niets nieuws had meegemaakt. De lucht werd koeler. De wind viel weg. Hun voetstappen klonken dof tussen de muren.
Aan het einde stond de deur.
Ze was inderdaad blauw.
Maar niet zomaar blauw.
Het was de kleur van lavendel in de schemering. Van schaduw op water. Van oude verf die ooit helder was geweest en nu iets fluisterends had gekregen. De deur zat in een muur die nog overeind stond, hoewel alles eromheen was ingestort. Boven de deur hing een stenen latei met hetzelfde symbool: een druiventros met daarachter een penseel.
Lavendel stapte dichterbij.
De verf op de deur bladderde af, maar op sommige plekken leek het blauw bijna nieuw.
Alsof iemand het had aangeraakt.
Of alsof de deur zichzelf herinnerde.
Markie inspecteerde de omgeving. “Geen ramen. Geen dak. Alleen een deur in een muur.”
“Een deur hoeft niet altijd logisch te zijn,” zei Lavendel.
“Dat is precies het probleem met deuren in verhalen.”
Lady Alcina stond stil voor de deur. Haar gezicht was strak.
Lavendel keek naar haar.
“Je bent hier eerder geweest.”
Alcina antwoordde niet.
Markie draaide zich naar haar. “Dat wordt een gewoonte.”
De vrouw met de zwarte hoed legde haar gehandschoende hand tegen de deur, maar duwde niet.
“Mijn moeder bracht mij hier toen ik klein was,” zei ze na een lange stilte. “Eenmaal. Ze zei dat ik nooit mocht terugkomen.”
Lavendel werd zachter. “Waarom?”
Lady Alcina keek naar het blauwe hout.
“Omdat sommige kamers wachten op de verkeerde mensen.”
Markie mompelde: “Eindelijk iemand in uw familie met gezond verstand.”
Maar zijn stem klonk minder scherp dan anders.
Lavendel pakte het metalen kokertje uit haar tas. Ze rolde het fragment voorzichtig open.
De geschilderde hand met paarse verf op de vingers hield een sleutel vast.
Lavendel keek naar de deur.
Er zat geen zichtbaar sleutelgat.
“Dat is vreemd,” zei ze.
“Dank u,” zei Markie. “Ik dacht even dat ik de enige was die dat vond.”
Lady Alcina streek met haar vingers langs de deurpost. “Er moet een mechanisme zijn.”
De ezel stond nog steeds aan het begin van de straat. Hij zette geen stap dichterbij.
Lavendel keek naar hem.
“Hij weigert weer.”
Markie keek terug naar de deur. “Dan zitten we goed. Of heel fout.”
Lavendel bestudeerde het fragment opnieuw.
De hand.
De sleutel.
De lavendel.
De wijnranken.
Het deel van een gezicht.
Ze kneep haar ogen samen.
“Wacht…”
Ze draaide het fragment een kwartslag.
Markie boog zich naast haar. “Wat doe je?”
“Misschien kijken we verkeerd.”
Op zijn kop leek het fragment minder een hand met sleutel.
Meer een kaart.
De wijnranken vormden lijnen. De lavendelvelden vlakken. De sleutel was geen sleutel maar een richtingwijzer.
En de paarse verf op de vingers…
Lavendel hield het fragment naast de deur.
De paarse verfspatten op het geschilderde doek kwamen overeen met kleine paarse stippen op het blauwe hout.
“Markie,” fluisterde ze.
“Ik zie het.”
“Zeg het nog eens.”
“Nee.”
Lavendel glimlachte snel, maar haar handen trilden een beetje.
Op de deur zaten vijf paarse verfspatten.
Niet willekeurig.
Als punten in een patroon.
Lavendel raakte de eerste stip aan.
Niets.
De tweede.
Niets.
De derde.
Een zachte klik.
Markie verstijfde.
“Voorzichtig.”
Lavendel raakte de vierde stip aan.
Nog een klik.
Bij de vijfde stip aarzelde ze.
Lady Alcina keek naar haar. “Als je bang bent, doe ik het.”
Lavendel schudde haar hoofd.
“Nee. Isabeau was kunstenares. Dit is voor iemand met verf aan haar vingers.”
Ze drukte op de laatste stip.
De blauwe deur zuchtte.
Niet kraakte.
Niet piepte.
Zuchtte.
Alsof hij na vijftig jaar eindelijk toestemming kreeg om te ademen.
Er verscheen een dunne naad in het hout. Daarna schoof een verborgen paneel opzij en kwam er een sleutelgat tevoorschijn.
Markie keek naar het sleutelgat.
“En nu missen we de sleutel.”
Op dat moment balkte de ezel luid.
Ze draaiden zich om.
De ezel had zijn kop diep in een van de tassen gestoken en trok er iets uit.
Niet brood.
Niet kaas.
Niet wijn.
Een sleutel.
Groot.
Donker metaal.
Met een klein paars steentje aan het uiteinde.
Dezelfde sleutel waarmee Lady Alcina de kelder van Château Pourpre had geopend.
Lady Alcina staarde ernaar.
“Dat is onmogelijk.”
Markie keek haar langzaam aan. “U had die sleutel toch?”
“Ik had hem in mijn jaszak.”
Lavendel keek naar de ezel.
De ezel hield de sleutel tussen zijn lippen en keek waardig, alsof zakkenrollen tot zijn artistieke vaardigheden behoorde.
Markie wees naar hem. “Hij heeft u bestolen.”
Lady Alcina’s mond viel een klein beetje open. Dat was indrukwekkend, want Lavendel had haar tot nu toe niet betrapt op gewone menselijke reacties.
“Een ezel heeft mij bestolen,” zei Alcina langzaam.
Lavendel kon het niet helpen.
Ze begon te lachen.
Eerst zacht.
Toen harder.
Zelfs Markies mondhoek bewoog verdacht omhoog.
De ezel stapte drie passen naar voren, net ver genoeg om de sleutel aan Lavendel te geven, maar niet zo ver dat hij bij de deur hoefde te komen.
Lavendel nam hem aan.
“Dank je, mon petit voleur.”
De ezel snoof tevreden.
Markie keek naar de sleutel. “Als dit past, neem ik morgen een schrift mee waarin ik alle onmogelijke dingen ga bijhouden.”
Lavendel stak de sleutel in het verborgen sleutelgat.
Hij paste.
Ze draaide.
Eén keer.
Twee keer.
Bij de derde draai trilde de muur.
Ergens achter het hout klonk een zwaar mechanisme. Steen schoof over steen. Stof dwarrelde naar beneden. Een dunne kier opende zich tussen deur en post.
Een geur kwam naar buiten.
Oude verf.
Droge lavendel.
Hout.
En wijn.
Niet bedorven wijn.
Niet kelderwijn.
Maar iets dieps en roods, alsof de geur zelf een herinnering was.
Lavendel slikte.
“Het atelier.”
Markie legde zijn hand op de deur en duwde hem verder open.
Binnen was het donker.
Niet helemaal.
Door scheuren in het ingestorte dak viel avondlicht naar binnen in smalle, gouden banen. Stof danste erin als kleine geesten. De ruimte was groter dan Lavendel had verwacht. Een deel van het atelier was verwoest, maar de achterste helft stond nog overeind, beschermd door een vreemde samenloop van steen, balken en geluk.
Langs de muren stonden schildersezels.
Oude kisten.
Gebroken lijsten.
Potten met ingedroogde pigmenten.
Bundels lavendel, grijs geworden van ouderdom.
Aan een tafel lagen penselen, alsof iemand ze gisteren had neergelegd en daarna even naar buiten was gegaan.
Lavendel stapte naar binnen.
Haar adem werd langzaam.
Ze kende ateliers.
Ze kende de rommel, de geur, het licht, de stille paniek van half afgemaakte dingen. Maar dit was anders. Dit atelier voelde niet verlaten.
Het voelde onderbroken.
Alsof Isabeau elk moment kon terugkomen en zeggen dat ze nergens aan mochten komen.
“Raak niets aan,” zei Markie.
Lavendel keek naar haar eigen hand, die al bijna naar een penseel was gegaan.
“Ik raakte nog niets aan.”
“Nog is het sleutelwoord.”
Lady Alcina bleef bij de deur staan. Haar ogen gleden langs de ruimte. Ze zag bleek onder haar make-up.
“Alcina?” vroeg Lavendel.
“Het is precies zoals mijn moeder het beschreef,” fluisterde ze.
Markie keek om zich heen. “Waar zoeken we naar?”
“Het ontbrekende schilderij,” zei Lavendel.
“Ja, dat begreep ik. Maar het is blijkbaar groot. En deze kamer is niet heel goed in verstoppen.”
Toch voelde Lavendel dat het schilderij hier was.
Niet zichtbaar.
Maar aanwezig.
Ze liep langs een muur waar oude schetsen hingen. Portretten. Handen. Druiventrossen. Een kapotte fontein. Een kind met een zwarte hoed. Een ezel met een strohoed.
Lavendel bleef staan.
“Daar is hij weer.”
Markie kwam naast haar staan.
Op de schets stond duidelijk een ezel. Niet precies hun ezel natuurlijk, want dat kon niet.
En toch…
De houding.
De ogen.
De strohoed.
Markie mompelde: “Ik weiger te geloven dat een ezel vijftig jaar oud en betrokken is bij kunsthistorische samenzweringen.”
Lady Alcina zei zacht: “Misschien niet dezelfde ezel. Misschien een lijn.”
“Een lijn van ezels?” vroeg Markie.
“Families bestaan ook bij dieren.”
Lavendel keek naar de schets. Onder de tekening stond een naam.
Balthazar.
Ze draaide zich langzaam naar hun ezel, die buiten de deur stond en koppig weigerde naar binnen te komen.
“Balthazar,” zei ze.
De ezel spitste zijn oren.
Markie verstijfde.
“Hij reageert.”
Lavendel liep naar de deuropening.
“Is dat je naam?”
De ezel keek haar aan.
Toen balkte hij één keer.
Statig.
Kort.
Bevestigend.
Lavendel glimlachte breed. “Balthazar.”
Markie sloeg zijn armen over elkaar. “Fijn. We hebben nu een ezel met een naam en mogelijk een familiearchief.”
Lady Alcina keek naar de schets. “Isabeau vertrouwde Balthazar. Mijn moeder zei dat hij haar verf, wijn en brieven droeg. En soms dingen die niemand mocht vinden.”
“Zoals sleutels,” zei Lavendel.
Balthazar snoof buitengewoon zelfvoldaan.
Lavendel keek weer rond.
“Als Isabeau iets wilde verbergen, dan niet zomaar achter een plank.”
“Waarom niet?” vroeg Markie. “Achter planken is een prima plek.”
“Omdat ze kunstenares was.”
“Dat is geen argument.”
“Jawel.”
Lavendel liep naar het midden van het atelier.
Daar stond een lege schildersezel.
Groter dan de rest.
De houten poten waren donker, stevig, oud. Aan de bovenkant zaten droge verfspatten: rood, blauw, paars en goud. Voor de ezel lagen krassen in de vloer, alsof er vaak een groot doek had gestaan.
Maar het doek was weg.
Markie keek naar de lege plek.
“Delacourt kan het al hebben.”
Lavendel schudde haar hoofd.
“Nee.”
“Hoe weet je dat?”
“Omdat hij dan niet bij de fontein had gewacht.”
Markie zweeg.
Dat was waar.
Lavendel keek naar de krassen op de vloer. Ze hurkte neer. Tussen stof en steengruis liep een dunne lijn in de planken.
Geen barst.
Een naad.
“Markie.”
Hij knielde naast haar.
“Een luik?”
“Denk ik.”
Ze zochten naar een greep, maar vonden niets. Alleen een reeks ingedroogde verfspatten langs de rand van de vloer. Rood, blauw, geel, paars.
Lavendel voelde haar hart sneller kloppen.
“Het is weer verf.”
Ze keek naar haar eigen handen. Aan haar vingers zat paarse verf van eerder die dag. Geel aan haar duim. Een klein beetje rood op haar pols.
Ze drukte haar vingers op de verfspatten in dezelfde volgorde als op de deur.
Eerst paars.
Toen blauw.
Toen rood.
Niets.
Ze probeerde opnieuw.
Paars.
Rood.
Blauw.
Nog niets.
Markie keek naar de oude tafel. “Misschien is er een aanwijzing.”
Lady Alcina liep naar een wand met notities. “Hier staan kleurstudies.”
Lavendel bleef naar de vloer kijken.
Een kunstenares maakt geen code zonder ritme.
Ze keek naar de verfspatten op Isabeau’s oude penselen. Naar de bundels lavendel. Naar de wijnvlek op de tafel.
Lavendel, wijn en verf.
Paars.
Rood.
Goud.
Ze drukte opnieuw.
Paars.
Rood.
Geel.
Er klonk een klik.
Markie fluisterde: “Natuurlijk.”
“Je vindt het bijna leuk,” zei Lavendel.
“Nee. Ik herken alleen het patroon van mijn ondergang.”
De vloer trilde. Het luik kwam een paar centimeter omhoog. Markie greep de rand en tilde het verder open.
Daaronder zat geen kelder.
Geen trap.
Maar een ondiepe ruimte tussen de balken.
En daarin lag een kist.
Lang.
Plat.
Verpakt in oud linnen.
Lady Alcina ademde hoorbaar in.
Lavendel en Markie tilden de kist voorzichtig omhoog en legden hem op de grote schildersezel.
Het hout was donker en droog. Op het deksel stond in zwarte verf:
Pour celle qui finira la lumière.
Voor haar die het licht zal afmaken.
Lavendel voelde kippenvel langs haar armen.
“Het is niet voor Delacourt,” zei ze zacht.
Markie keek haar aan.
“Nee,” zei hij. “Dat lijkt me duidelijk.”
Lady Alcina raakte het deksel niet aan. Haar hand zweefde erboven, alsof ze bang was dat het verleden kon branden.
“Open het,” fluisterde ze.
Lavendel maakte de sluitingen los.
Eén.
Twee.
Drie.
Ze tilde het deksel op.
Binnen lag geen volledig schilderij.
Er lag een opgerold doek.
En daarbovenop een brief.
De brief was aan de buitenkant beschreven met één naam.
Niet Isabeau.
Niet Alcina.
Niet Delacourt.
Maar:
Markie Von Zeist
De stilte die volgde was zo diep dat zelfs de wind buiten leek te stoppen.
Markie werd bleek.
Zijn ernstige gezicht verloor heel even alle verdediging.
“Dat kan niet,” zei hij.
Lavendel keek van de brief naar hem.
“Markie…”
Hij deed een stap achteruit.
“Ik ken deze vrouw niet. Ik ken dit atelier niet. Ik ben hier nooit geweest.”
Lady Alcina keek hem scherp aan.
“Misschien jij niet.”
Markie draaide zich naar haar. “Wat bedoelt u daarmee?”
Voordat Alcina kon antwoorden, klonk er buiten een geluid.
Een voetstap.
Daarna nog één.
Langzaam.
Zelfverzekerd.
Een wandelstok tikte op steen.
Tik.
Tik.
Tik.
Balthazar balkte woedend.
Delacourts stem klonk vanuit de smalle straat.
“Wat ontroerend,” zei hij. “Jullie hebben het zonder mij gevonden.”
Markie greep de brief.
Lavendel sloeg het deksel half dicht over het opgerolde doek.
Lady Alcina stapte naar de deuropening, haar zwarte hoed als een schaduw boven haar gezicht.
Delacourt verscheen in het blauwe avondlicht, zijn linnen pak nog steeds belachelijk schoon, zijn zilveren wandelstok glimmend in zijn hand.
Achter hem stonden twee mannen.
Breed.
Stil.
Niet artistiek.
Delacourt glimlachte.
“Nu,” zei hij, “zullen we dit beschaafd oplossen.”
Markie keek naar de brief in zijn hand.
Lavendel voelde de paarse verf op haar vingers drogen.
Balthazar schraapte met zijn hoef over de stenen.
En ergens achter in het atelier, onder het half gesloten deksel van de kist, leek het opgerolde doek heel zacht te bewegen.
Alsof het schilderij wakker werd.