Hoofdstuk 4 – De put fluistert wijn

De tik uit de put klonk nog één keer.

Zachter nu.

Maar duidelijk genoeg om iedereen stil te krijgen.

Zelfs de ezel hield op met kauwen op een uitstekend plukje gras.

Lavendel stond naast Markie aan de rand van de oude stenen put. Haar baret zat weer scheef op haar hoofd, dankzij Markies snelle reddingsactie, maar haar ogen stonden ineens veel minder speels dan normaal. Ze hield haar penseel vast alsof het een wapen was.

Markie keek naar de donkere opening van de put.

‘Ik neem aan,’ zei hij langzaam, ‘dat er geen gewone verklaring is?’

Lady Alcina glimlachte alsof ze die vraag al eeuwen verwachtte.

‘Gewone verklaringen zijn voor gewone dorpen.’

‘En dit dorp?’

‘Dit dorp drinkt beter dan het liegt.’

Lavendel boog zich iets over de putrand.

‘Hallo?’ riep ze.

Haar stem viel naar beneden, werd smaller, brak op de stenen wanden en kwam terug als een fluistering.

Hallo… hallo… hallo…

Daarna opnieuw die tik.

Glas tegen steen.

Markie kneep zijn ogen samen.

‘Er ligt daar werkelijk iets.’

‘Natuurlijk,’ zei Lady Alcina.

‘En u verwacht dat wij het eruit halen?’

‘Ik verwacht niets. Ik nodig uit.’

Lavendel keek haar aan.

‘Dat is precies wat gevaarlijke vrouwen zeggen.’

Lady Alcina hief haar glas.

‘Dank je.’

De ezel balkte kort, alsof hij het gesprek te traag vond verlopen. Daarna zette hij een stap naar voren. Een van de tassen aan zijn zij schoof open. Er stak een opgerold stuk touw uit, naast een fles rosé, een linnen doek en een zakje gedroogde vijgen.

Lavendel wees naar hem.

‘Zie je? Hij is voorbereid.’

Markie keek naar de ezel.

‘Waarom draagt hij touw?’

‘Omdat hij literair inzicht heeft.’

‘Of omdat jij alles inpakt behalve logica.’

‘Logica is zwaar. Rosé is nuttiger.’

Toch pakte Markie het touw. Hij rolde het uit over de droge aarde. Het was oud, maar stevig. Aan het uiteinde zat een roestige ijzeren haak, alsof iemand hem lang geleden precies voor dit moment had achtergelaten.

Markie hield de haak omhoog.

‘Dit lag toevallig in onze tas?’

Lavendel keek even naar de ezel.

‘Ik begin te denken dat hij meer weet dan hij zegt.’

De ezel keek onschuldig naar een cipres.

Lady Alcina zette haar glas op de platte steen met symbolen. De rode wijn trilde heel even in het glas, alsof de grond onder hen ademde.

‘Voorzichtig,’ zei ze. ‘De put geeft niet zomaar terug wat hij bewaart.’

‘Dat klinkt geruststellend,’ mompelde Markie.

Lavendel knielde neer bij de put. Haar schildersjas streek over de droge aarde en kreeg er meteen een nieuwe bruine vlek bij.

‘Laat mij kijken.’

‘Niet te ver,’ zei Markie.

Ze glimlachte naar hem opzij.

‘Bezorgd?’

‘Ervaring.’

‘Met putten?’

‘Met jou.’

Lavendel lachte zacht en boog zich over de rand. Beneden was het donker. Geen water glinsterde daar. Alleen steen, schaduw en iets wat haar de vreemde indruk gaf dat de diepte naar haar terugkeek.

Toen zag ze het.

Een flauwe schittering.

Diep onderin, half verborgen achter gevallen stenen, lag een fles.

Geen gewone fles. Het glas was donker, bijna paarszwart, met een lange hals en een zegel van rode was. Om de hals zat een stukje verbleekt lint gewikkeld.

‘Ik zie haar,’ fluisterde Lavendel.

‘Haar?’ vroeg Markie.

‘Zo’n fles noem je geen hem.’

Lady Alcina glimlachte tevreden.

‘Ze kiest haar eigen aanspreekvorm.’

Markie liet het touw langzaam zakken. De haak schuurde langs de binnenwand van de put. Het geluid was scherp en droog. Lavendel leidde hem met aanwijzingen.

‘Links… nee, jouw links, lieverd… nog iets lager… stop. Daar. Een klein stukje terug.’

De haak tikte tegen glas.

Iedereen hield zijn adem in.

Zelfs de wind leek te wachten.

Markie bewoog uiterst voorzichtig. De haak gleed langs de fles, miste, tikte tegen steen en bleef toen haken aan het oude lint rond de hals.

‘Hebbes,’ zei hij.

Lavendel legde haar hand op zijn arm.

‘Rustig.’

Hij keek haar aan.

‘Dat wilde ik net tegen jou zeggen.’

Samen trokken ze het touw omhoog. Langzaam. De fles kwam los uit de stenen. Uit de diepte steeg een geur op die niemand direct kon plaatsen: vochtige aarde, oud hout, druiven in de zon en iets bloemigs, alsof lavendel zelf in wijn had gedroomd.

Toen de fles de rand van de put bereikte, greep Lavendel haar met beide handen.

Op dat moment werd alles warm.

Niet van de zon.

Niet van inspanning.

Maar alsof de fles zelf een herinnering afgaf.

Lavendel sloot even haar ogen.

Ze zag een flits.

Een vrouw in een zwarte hoed, maar jonger dan Lady Alcina. Een schilderdoek dat in de wind klapperde. Een man die iets opschreef met inktzwarte vingers. Een ezel zonder strohoed, maar met dezelfde wijze ogen. En tussen hen in: een fles wijn die nooit geopend mocht worden voordat het ware verhaal opnieuw begon.

Lavendel deed haar ogen open.

Markie keek haar bezorgd aan.

‘Wat zag je?’

Ze slikte.

‘Ons.’

‘Ons?’

‘Maar dan vroeger.’

Lady Alcina nam haar glas weer op.

‘De wijn onthoudt beter dan mensen.’

Markie keek van de fles naar Lady Alcina.

‘U wist dit.’

‘Ik wist dat de fles zou reageren.’

‘Waarop?’

Lady Alcina keek naar Lavendel, toen naar Markie.

‘Op herkenning.’

De ezel zette zijn kop dichterbij en snoof aan de fles. Daarna trok hij zijn lippen op alsof hij een zeer kritisch oordeel velde.

Lavendel glimlachte ondanks zichzelf.

‘Hij vindt haar te jong.’

‘Onmogelijk,’ zei Lady Alcina. ‘Ze is ouder dan ieder van ons.’

Markie veegde stof van het zegel. In de rode was stond hetzelfde symbool als op de steen: een druiventros, een penseel en een open boek. Maar nu zag hij er nog iets tussen.

Een kleine hoed.

En daaronder, bijna onzichtbaar, een naam.

Hij las hardop:

‘Von Zeist.’

Lavendel verstijfde.

Markie zei niets.

Zijn gezicht, normaal al ernstig, leek ineens uit steen gehouwen.

‘Dat kan niet,’ zei hij uiteindelijk.

Lady Alcina keek naar hem alsof ze hem door de jaren heen bekeek in plaats van alleen door de ochtendzon.

‘Waarom niet?’

‘Omdat ik hier nog nooit geweest ben.’

‘In dit leven misschien niet.’

Lavendel legde voorzichtig de fles op haar jas, alsof ze een pasgeboren mysterie had neergelegd.

‘Markie…’

Hij schudde zijn hoofd.

‘Nee. Reïncarnatie, magische wijn, pratende putten—’

‘De put praat niet,’ zei Lavendel zacht.

Op dat moment klonk uit de diepte een fluistering.

Niet luid.

Niet duidelijk.

Maar hoorbaar.

Markie…

De kleur trok uit zijn gezicht.

Lavendel pakte zijn hand.

Lady Alcina boog het hoofd, alsof ze een oude bekende begroette.

De ezel deed één stap achteruit.

Uit de put steeg een koele luchtstroom omhoog. De bladeren van de klimop bewogen zonder wind. Het glas van de fles trilde licht onder Lavendels vingers.

Toen verscheen op het zegel een tweede woord.

Niet geschreven met inkt.

Niet gekrast.

Het kwam op uit de rode was alsof het altijd daar had gewacht.

Lavendel.

Lavendel keek naar haar naam.

Daarna naar Markie.

‘Lieverd,’ zei ze heel zacht, ‘ik denk dat ons boek al eerder begonnen is.’

Markie haalde langzaam adem.

‘En ik vrees dat iemand wil dat wij het afmaken.’

Lady Alcina glimlachte weer, maar dit keer zonder spot. Er zat iets plechtigs in haar blik.

‘Niet iemand.’

Ze wees naar de wijngaard, naar de heuvels, naar het huis boven hen en naar de lucht vol Provençaals licht.

‘Alles.’

Er viel een lange stilte.

Toen pakte Lavendel de fles op.

‘Goed,’ zei ze. ‘Dan beginnen we met schilderen.’

Markie keek haar aan alsof ze gek was.

‘We hebben net een fles uit een fluisterende put gehaald met onze namen erop.’

‘Precies. Dat vraagt om kleur.’

‘Dat vraagt om een verklaring.’

‘Die schilder ik erin.’

Ze draaide zich naar de ezel.

‘Doeken.’

De ezel zuchtte hoorbaar, alsof kunstenaars werkelijk het meest vermoeiende soort mens waren. Toch bleef hij braaf staan terwijl Lavendel een leeg doek, penselen en verf uit de tassen haalde.

Markie bleef nog even bij de put staan. Zijn blik ging naar de donkere diepte.

‘Waarom mijn naam?’ fluisterde hij.

Uit de put kwam geen antwoord meer.

Alleen de geur van aarde en oude wijn.

Lavendel zette haar doek op tegen een kromme olijfboom. Ze keek naar de fles, naar Lady Alcina, naar Markie en daarna naar de wijngaard die in het licht lag te trillen.

Toen begon ze te schilderen.

Niet wat ze zag.

Maar wat ze zich herinnerde zonder het ooit te hebben meegemaakt.

Paarse lucht boven gouden heuvels. Een zwarte hoed in de wind. Een ezel aan de rand van een pad. Een man met zilverwit haar die een boek vasthield. Een vrouw met verf op haar wang en een penseel in haar hand.

En onderaan, bijna vanzelf, schilderde ze drie woorden.

De eerste fles.

Markie kwam naast haar staan. Hij keek lang naar het doek.

Toen opende hij langzaam zijn notitieboek.

‘Wat doe je?’ vroeg Lavendel.

Hij pakte zijn pen.

‘Ik schrijf op wat jij niet kunt schilderen.’

Lavendel glimlachte.

‘Samen dan?’

Markie keek naar de fles met hun namen erop.

Daarna naar haar.

Voor het eerst die ochtend brak er iets zachts door zijn ernstige gezicht.

‘Samen.’

Boven hen schoof een wolk voor de zon.

Heel even viel er schaduw over de wijngaard.

En vanuit het huis op de heuvel klonk plotseling een bel.

Drie slagen.

Lady Alcina keek op.

Haar glimlach verdween.

‘We moeten gaan.’

Markie sloeg zijn notitieboek dicht.

‘Waarheen?’

Lady Alcina pakte de fles van Lavendels jas en hield haar tegen het licht.

De wijn binnenin leek donkerrood te bewegen, hoewel de kurk nog onaangeraakt was.

‘Naar de kelder,’ zei ze.

Lavendel zette haar penseel neer.

‘Waarom?’

Lady Alcina keek naar hen beiden.

‘Omdat de tweede fles wakker is geworden.’