Hoofdstuk 2 – Het Atelier Boven

De paarse verf droop nog steeds langzaam van Markies neus toen hij naar het open raam op de eerste verdieping keek.

Boven was het stil.

Te stil.

Dat soort stilte dat niet leeg was, maar juist gevuld leek met dingen die hun adem inhielden.

Lavendel stond naast hem met een penseel in haar hand en een blik in haar ogen die Markie maar al te goed kende. Het was de blik van een vrouw die elk mogelijk gevaarlijke moment zag als een artistieke kans.

“Je gaat toch niet zeggen dat we naar boven moeten?” vroeg Markie.

Lavendel glimlachte.

“We moeten naar boven.”

“Natuurlijk moeten we naar boven.”

Lady Alcina zette haar glas rode wijn op de rand van de oude waterput, alsof zij inmiddels had besloten dat het erf een salon was.

“Als Monsieur Armand iets verborgen heeft,” zei ze, “dan is het vrijwel zeker boven. Hij werkte nooit beneden.”

“Waarom niet?” vroeg Lavendel.

“Te veel bezoek. Te veel afleiding. Te veel mensen met meningen.”

Markie veegde met een doek over zijn gezicht. Dat hielp nauwelijks. De verf was nu minder een klodder en meer een karaktertrek.

“Een man naar mijn hart,” mompelde hij.

De ezel sjokte dichterbij en duwde met zijn neus tegen Markies arm.

“Nee,” zei Markie. “Jij blijft beneden.”

De ezel keek beledigd.

Lavendel boog zich naar hem toe. “Professor, jij bewaakt de wijn.”

Daarop draaide de ezel zich onmiddellijk om en ging pontificaal naast de wijnkisten staan.

“Zie je?” zei Lavendel. “Hij begrijpt verantwoordelijkheden.”

“Hij begrijpt kurken,” zei Markie.

Lady Alcina liep alvast naar de voordeur. De hakken van haar zwarte schoenen tikten op de oude stenen vloer alsof ze de maat aangaven van iets wat nog moest gebeuren. De deur kraakte open.

Van binnen rook het huis naar stof, gedroogde kruiden, oud hout en heel vaag naar terpentine. In de hal hingen vergeelde prenten aan de muur. Er stond een kapstok met drie vergeten hoeden, een paraplu met een kromme steel en een klein tafeltje waarop een schaal lag vol sleutels die nergens meer bij leken te horen.

Lavendel keek om zich heen alsof ze een schatkist was binnengestapt.

“Wat prachtig,” fluisterde ze.

Markie trok een wenkbrauw op. “Het is donker, scheef en mogelijk bewoond door muizen.”

“Precies.”

Aan het einde van de hal begon de trap naar boven. De treden waren smal, oud en duidelijk niet enthousiast over bezoekers. Elke trede gaf een ander geluid. De eerste zuchtte. De tweede piepte. De derde kraakte zo hard dat Markie even stil bleef staan.

“Dit is geen trap,” zei hij. “Dit is een waarschuwing.”

Lavendel stond al drie treden boven hem.

“Kom nou, Markie. Je bent toch niet bang?”

“Ik ben voorzichtig.”

“Dat zeggen bange mensen met een woordenboek.”

Lady Alcina glimlachte achter hen. “Angst is niet onaantrekkelijk, monsieur. Mits goed gedragen.”

Markie keek over zijn schouder.

“Ik ben niet bang. Ik heb alleen respect voor zwaartekracht.”

Ze gingen verder omhoog.

Bij elke stap werd de geur van verf sterker. Niet vers, maar oud. Ingedroogd. Alsof de muren zelf ooit hadden geschilderd en daarna vergeten waren hoe ze moesten stoppen.

Bovenaan de trap lag een smalle overloop. Aan de ene kant stonden dozen opgestapeld. Aan de andere kant hing een groot doek onder een vergeelde linnen lap. Rechtdoor was een deur.

Die deur stond op een kier.

Vanuit de kier kwam een dunne streep licht.

Lavendel hield haar adem in.

“Dat raam stond net open,” fluisterde ze.

“Ja,” zei Markie.

“En er viel verf uit.”

“Dat was mij opgevallen.”

Lady Alcina schoof langs hen heen. Haar hand rustte even op de deur.

“Het atelier van Armand,” zei ze zacht.

“U bent hier eerder geweest?” vroeg Markie.

Lady Alcina keek niet naar hem.

“Lang geleden.”

“Hoe lang geleden?”

Ze glimlachte, maar het antwoord bleef achter haar lippen steken.

Lavendel zag het. Markie ook.

De deur ging langzaam open.

Het atelier boven was groot. Veel groter dan je vanaf buiten zou verwachten. Het dak liep schuin af en tussen de balken hingen spinnenwebben als dunne zilveren slingers. Tegen de muren stonden schilderijen, sommige met de voorkant naar binnen gedraaid, andere half verscholen onder doeken. Er waren potten met uitgedroogde penselen, blikken met korsten verf, stapels schetsboeken, flessen wijn zonder etiket en een houten werktafel vol vlekken, krassen en brandplekken.

Aan de noordkant zat een groot raam.

Het stond inderdaad open.

De luiken bewogen zacht in de wind.

Op de vloer, vlak onder het raam, lag een omgevallen pot paarse verf.

Markie wees ernaar.

“Zie je? Geen mysterie. Een open raam, wind, verfpot, zwaartekracht.”

Lavendel liep langzaam naar de verfpot en hurkte neer.

“Markie?”

“Ja?”

“Deze verf is nat.”

Hij zweeg.

Lady Alcina kwam dichterbij.

Lavendel raakte voorzichtig met haar vingertop de rand van de pot aan. Paarse verf bleef glanzend aan haar huid kleven.

“Verse verf,” zei ze.

Markie keek rond.

“Dat kan niet.”

“En toch,” zei Lady Alcina, “is ze vers.”

Op dat moment klonk beneden een balk.

Lang.

Verontwaardigd.

De ezel.

Daarna een harde klap.

Markie draaide zich om. “Wat was dat?”

Lavendel stond op. “Professor!”

Ze renden naar de overloop, maar Lady Alcina bleef even staan. Haar ogen waren gericht op de werktafel. Tussen de stapels papier lag iets dat er eerder niet had gelegen.

Een kleine paarse envelop.

Ze pakte hem op.

Op de voorkant stond in sierlijke zwarte inkt:

Voor degene die durft te kijken.

“Lavendel,” zei Lady Alcina.

Lavendel en Markie stopten bij de trap.

“Wat?” vroeg Lavendel.

Lady Alcina hield de envelop omhoog.

De wind sloeg plotseling het raam verder open. Een luik knalde tegen de buitenmuur. Een paar losse schetsen vlogen van de tafel en dwarrelden door het atelier als geschrokken vogels.

Een van de tekeningen kwam tegen Markies borst terecht.

Hij pakte hem vast.

Het was een portret.

Niet af, maar duidelijk genoeg.

Een vrouw met een grote zwarte hoed.

Paarse lippen.

Paarse oorbellen.

Een zelfverzekerde blik.

Lady Alcina.

Alleen stond onderaan de schets een datum.

1968

Markie keek langzaam van de tekening naar haar gezicht.

Lady Alcina bleef heel stil staan.

Lavendel keek ook.

“Maar…” begon Lavendel. “Dat kan niet.”

Lady Alcina pakte de schets niet aan. Ze keek er alleen naar alsof het papier iets had gezegd wat het nooit had mogen zeggen.

“Armand was een uitstekende tekenaar,” zei ze.

Markie hield de tekening hoger.

“Deze tekening is bijna zestig jaar oud.”

“Misschien had hij fantasie.”

“Hij heeft u getekend.”

“Misschien leek ze op mij.”

Lavendel liep dichterbij. Haar vrolijke gezicht was nu ernstig, maar niet bang. Eerder nieuwsgierig. Diep nieuwsgierig.

“Wie was u voor hem?” vroeg ze zacht.

Lady Alcina draaide zich naar het raam.

Buiten golfden de lavendelvelden in de middagzon. De lucht was helderblauw. Ergens beneden balkte de ezel opnieuw, maar deze keer minder verontwaardigd en meer alsof hij een discussie had verloren.

“Dat,” zei Lady Alcina, “is geen verhaal voor een stoffige kamer.”

“Het lijkt me juist precies een verhaal voor een stoffige kamer,” zei Markie.

Lavendel pakte voorzichtig de paarse envelop uit Lady Alcina’s hand.

“Mag ik?”

Lady Alcina knikte.

Lavendel brak het zegel. Er zat geen brief in, maar een dun vel aquarelpapier. Daarop stond slechts één zin geschreven.

Wie de eerste verfspat draagt, moet het verborgen doek vinden.

Alle twee keken ze naar Markie.

Paarse verf zat nog altijd in zijn haar, op zijn voorhoofd en langs zijn neus.

Hij sloot zijn ogen.

“Nee.”

Lavendel glimlachte langzaam.

“Jawel.”

“Nee, Lavendel.”

“Het staat er.”

“Een gekke dode schilder bepaalt niet mijn middag.”

Lady Alcina nam de tekening van zichzelf nu toch voorzichtig aan.

“Armand geloofde in tekens.”

“Ik geloof in koffie,” zei Markie.

“En toch draagt u de verfspat.”

Lavendel legde haar hand op zijn arm.

“Markie, dit is geweldig. Een verborgen doek. Een oud atelier. Een mysterieuze brief. Een vrouw die misschien niet ouder wordt.”

Lady Alcina kuchte elegant.

“Voorzichtig, ma chère.”

“Sorry. Een vrouw met uitstekende huidverzorging.”

Markie wilde protesteren, maar beneden klonk opnieuw kabaal. Dit keer gevolgd door het geluid van brekend glas.

“Mijn wijn,” zei Markie.

“Professor!” riep Lavendel.

Ze renden de trap af. Lady Alcina volgde iets langzamer, de oude schets tegen haar borst gedrukt.

Beneden in de hal lag de paraplu omver. De voordeur stond open. Vanuit het erf kwam luid gesnuif, hoefgetrappel en het droge gerinkel van glas.

Toen ze naar buiten stormden, zagen ze de ezel midden op het erf staan.

Zijn strohoed hing over één oog.

Om zijn nek zat een slinger van kurken.

Naast hem lag een omgevallen wijnkist.

Maar dat was niet het vreemdste.

In het zand voor zijn hoeven was met paarse verf een pijl getekend.

Een grote, duidelijke pijl.

Die wees naar de oude schuur achter het huis.

Markie staarde ernaar.

“Dat heeft de ezel niet gedaan.”

De ezel keek hem aan alsof hij zwaar beledigd was door die onderschatting.

Lavendel liep langzaam naar de pijl. Ze hurkte neer en raakte de verf aan.

Ook deze was nat.

Lady Alcina kwam naast haar staan.

“Het doek is niet boven,” zei ze.

Markie keek naar de schuur. De houten deur stond dicht, maar niet op slot. Tussen de planken door kwam een streep donkerte naar buiten.

“Laat me raden,” zei hij. “We moeten de schuur in.”

Lavendel stond op. In haar ogen danste alweer dat gevaarlijke licht.

“Absoluut.”

“En als daar iets verschrikkelijks is?”

“Dan schilderen we het eerst.”

Lady Alcina zette haar hoed recht.

“En daarna drinken we.”

De ezel balkte instemmend.

Markie keek naar hen alle drie. Naar Lavendel met paarse verf op haar vingers. Naar Lady Alcina met een schets uit 1968 in haar hand. Naar de ezel, die duidelijk meer wist dan een ezel hoorde te weten.

Toen keek hij naar de paarse pijl.

En tenslotte naar de schuur.

“Goed,” zei hij. “Maar ik zeg het meteen: als er in die schuur nog meer verf op mijn hoofd valt, verkoop ik het huis.”

Lavendel pakte zijn hand.

“Niet voordat ik je geschilderd heb.”

Samen liepen ze naar de schuur.

De oude deur kraakte toen Markie hem openduwde.

Binnen was het donker.

Het rook er naar stro, hout, wijnvaten en iets anders.

Iets zoets.

Iets ouds.

Iets geheimzinnigs.

Lavendel kneep zacht in Markies hand.

Achter in de schuur, half verborgen onder een stoffig zeil, stond een groot schilderij.

Niet aan de muur.

Niet op een ezel.

Maar vastgespijkerd aan de binnenkant van een oude wijnkast.

Op het zeil lag een kaartje.

Markie pakte het op.

Er stonden maar vier woorden op.

Niet openen na zonsondergang.

Ze keken tegelijk naar buiten.

De zon raakte net de rand van de heuvels.

Lavendel fluisterde:

“Hoe laat is het?”

Lady Alcina glimlachte langzaam.

“Bijna te laat.”

En ergens in de schuur, achter het zeil, klonk een zachte tik.

Alsof iemand van de andere kant tegen het schilderij klopte.