De laatste selfie

door Sjalotte en Von Zeist

Er was een tijd waarin mensen foto’s maakten om iets te bewaren.

Een zomeravond.
Een kind met ijs op zijn kin.
Een geliefde die niet doorhad dat ze werd bekeken.
Een tafel vol lege glazen, handen, kruimels, gelach.
Bewijs dat men ergens was geweest, samen met anderen, in een moment dat groter was dan men zelf kon bevatten.

Later veranderde dat.

De camera draaide zich om.

Eerst voorzichtig. Alsof iemand per ongeluk zichzelf had gevangen in het glas. Daarna steeds vaker, steeds zekerder, steeds dichterbij. Gezichten vulden het beeld. Lippen werden getuit. Kinnen verdwenen. Ogen zochten niet langer elkaar, maar hun eigen weerspiegeling op een scherm.

De wereld werd achtergrond.

Ravijnen werden decor.
Oorlogen werden decor.
Zonsondergangen, ziekenhuizen, begrafenissen, hotelkamers, lichamen, tranen, borsten onder lakens en ontbijten zonder smaak — alles werd decor.

En midden daarin stond de mens, arm gestrekt, glimlach klaar, wachtend op goedkeuring van onbekenden.

Niemand wist precies wanneer het gênant werd. Misschien gebeurde dat niet in één keer. Misschien werd het langzaam normaal om jezelf belangrijker te vinden dan het moment waarin je stond.

Tot iemand viel.

Niet figuurlijk.
Niet mooi.
Niet dramatisch vertraagd zoals in films.

Gewoon: een voet die weggleed op gruis, een hand die nog naar lucht greep, een telefoon die bleef filmen terwijl het lichaam verdween.

De laatste selfie werd niet eens scherp.

Daar begint dit verhaal niet.

Of misschien juist wel.

Want ergens anders, ver van die afgrond maar niet minder gevaarlijk, stond Noor met een camera in haar hand en weigerde ze een vrouw te fotograferen zoals die vrouw zichzelf graag zag.

“Zo kijk je niet echt,” zei Noor.

De vrouw liet haar glimlach zakken. “Hoe kijk ik dan?”

Noor deed de camera omlaag.
Ze keek niet naar het gezicht, maar naar wat erachter vocht om zichtbaar te worden.

“Alsof je bang bent dat iemand je ziet voordat je jezelf hebt goedgekeurd.”

De vrouw lachte ongemakkelijk. Beledigd misschien. Betrapt zeker.

Noor kende die lach. Ze had hem honderden keren gezien. Bij bruiden, zakenmannen, actrices, minnaars, weduwen, meisjes die hun eerste profiel maakten en mannen die deden alsof het allemaal voor de grap was. Iedereen wilde echt lijken, zolang echt maar flatteus bleef.

Zelf was Noor niet beter.

Dat wist ze.

Ze kende haar eigen hoeken. Haar goede kant. De stand van haar mond wanneer ze nonchalant wilde lijken. Ze wist hoe licht over haar sleutelbeen moest vallen om iets op te roepen wat geen belofte mocht heten, maar het wel was.

Alleen maakte ze zelden foto’s van zichzelf.

Niet omdat ze ijdelheid verachtte.

Omdat ze die te goed begreep.

Op dezelfde dag dat Noor de glimlach van een onbekende vrouw ontmantelde, stond Elias aan de rand van een klif met een notitieboek in zijn jaszak en een schuldgevoel dat niet van hem wilde wijken.

Beneden sloeg de zee tegen de rotsen.

Naast hem lag een telefoon met een gebarsten scherm.

Op het scherm stond geen gezicht meer. Alleen lucht. Een strook wolken. Een halve hand, vaag in beeld, alsof iemand tot het laatste moment geprobeerd had zichzelf vast te houden.

Elias had de foto niet gemaakt.

Toch voelde het alsof hij had gekeken op het moment dat hij had moeten ingrijpen.

Later zouden mensen erover praten. Ze zouden de beelden delen, vertragen, vergroten. Ze zouden zeggen dat het verschrikkelijk was, onverantwoord, typisch deze tijd. Daarna zouden ze verder scrollen.

Elias niet.

Hij bleef hangen bij die hand.
Bij die lucht.
Bij het absurde feit dat een mens kon verdwijnen terwijl zijn telefoon bleef registreren.

Die avond schreef hij één zin op:

Misschien is de camera niet het probleem. Misschien is het de richting waarin we hem houden.

Hij wist toen nog niet dat hij Noor zou ontmoeten.

Noor, die mensen zag alsof ze door hun huid heen keek.
Noor, die zijn vragen zou haten omdat ze te dichtbij kwamen.
Noor, die hem zou leren dat sommige foto’s niet genomen moeten worden, en sommige juist wel — niet van jezelf, maar van wat er tussen twee mensen gebeurt wanneer niemand poseert.

En ergens tussen een mislukte glimlach, een gebroken scherm en een blik die te lang bleef hangen, zou iemand het woord verzinnen.

Niet als oplossing.

Niet als mode.

Gewoon, half lachend, op een avond waarop twee mensen te dicht naast elkaar stonden om nog te doen alsof ze alleen waren.

“Geen selfie,” zou zij zeggen.

“Wat dan?”

Ze zou naar zijn hand kijken, naar de camera, naar het kleine beetje ruimte tussen hun lichamen.

“Geen idee,” zei ze. “Iets met ons.”

En misschien begon daar pas werkelijk het verhaal.