Het Mannenhuis

De avondklok voor heren

In het jaar 2075 was er veel veranderd.

Auto’s reden zonder chauffeurs, koelkasten konden liegen over de hoeveelheid kaas die nog in huis was, en katten hadden officieel stemrecht gekregen in drie Scandinavische landen. Maar de grootste verandering was eenvoudiger samen te vatten:

Na zonsondergang bleef de verstandige man binnen.

Niet omdat de lucht giftig was.
Niet omdat er wolven door de stegen zwierven.
Maar omdat de vrouwen de nacht hadden overgenomen.

Dat was niet in één dag gebeurd. Geen revolutie met brandende barricades en toespraken vanaf balkons. Nee, het was begonnen met kleine dingen. Vrouwen die elkaar naar huis brachten. Vrouwen die fluitende mannen terugfloten. Vrouwen die groepjes vormden, routes innamen, pleinen claimden, parken herdoopten en op een dag simpelweg besloten:

“Nu is de nacht van ons.”

En vreemd genoeg had niemand daartegen een goed argument gehad.

De mannen hadden eerst gelachen. Daarna gemopperd. Daarna petities geschreven. Daarna avondcursussen gevolgd in “veilig thuiskomen zonder oogcontact”. En uiteindelijk waren er huizen gekomen. Beschermde woonplekken. Toevluchtsoorden. Residenties voor heren die niet langer wilden doen alsof ze dapper waren wanneer er buiten op hakken werd gelopen.

Een van die plekken was Het Mannenhuis.

En daar stond ik nu voor.

Ik, Barend Bolderman, negenenzestig jaar oud, gepensioneerd archivaris, voormalig bezitter van een snor waar men in 2048 nog respect voor had, stond met één koffer, twee knieën die ieder een eigen mening hadden, en een toelatingsbrief in mijn hand voor een statig gebouw aan de rand van de stad.

Het huis leek op een oud landhuis dat ooit had besloten niet mee te doen aan de toekomst. Hoge ramen, donkere bakstenen, klimop langs de muren en een voordeur zo groot dat je je er als mens vanzelf bij ging verontschuldigen.

Boven de deur hing een bord van zwart emaille met gouden letters:

HET MANNENHUIS
Bescherming, discipline en warme maaltijden sinds 2061

Daaronder, in kleinere letters:

Na 21:00 uur geen buitenactiviteiten zonder vrouwelijke begeleiding.

Ik keek naar de lucht. De zon was bijna verdwenen achter de daken. De stad begon te veranderen. Overdag was zij neutraal, zakelijk, haastig. Maar zodra de avond viel, kwamen de vrouwen naar buiten alsof iemand een geheime deur in de wereld had geopend.

Aan de overkant van de straat liepen drie vrouwen voorbij in lange jassen die glansden als natte kastanjes. Ze praatten zacht, lachten nog zachter en keken niet eens mijn kant op. Dat maakte het erger. Een man van mijn leeftijd wil niet genegeerd worden door gevaar. Hij wil minstens erkend worden als historisch kwetsbaar.

Ik pakte mijn koffer steviger vast en drukte op de bel.

Er klonk geen gewone bel. Er klonk een diepe gong, alsof ik zojuist een tempel voor gevorderde onzekerheid had betreden.

De deur ging open.

In de opening stond een jonge vrouw met een tablet in haar hand en een brilletje op haar neus. Ze droeg een donkerblauw uniform, strak maar fatsoenlijk, met op haar borst een zilveren speld in de vorm van een maan.

“Naam?” vroeg ze.

“Bolderman. Barend Bolderman.”

Ze keek op haar tablet.
“Leeftijd?”

“Negenenzestig.”

“Medische bijzonderheden?”

“Mijn rechterknie voorspelt regen.”

Ze knikte alsof dat vaker voorkwam.
“Romantische bijzonderheden?”

“Pardon?”

“Bent u gevoelig voor aandacht, complimenten, parfum, lage stemmen, direct oogcontact of vrouwen die ‘kom eens hier’ zeggen?”

Ik wilde antwoorden dat ik daar als man van stand boven stond, maar mijn eerlijkheid had op mijn leeftijd meer overlevingskans dan mijn ijdelheid.

“Ja,” zei ik. “Op alles een beetje.”

Ze vinkte iets aan.
“Categorie amber. Niet ernstig, wel opletten.”

“Amber?”

“U bent niet hopeloos, meneer Bolderman. Alleen licht ontvlambaar.”

Ze stapte opzij.

“Welkom in Het Mannenhuis.”

Binnen rook het naar boenwas, koffie en iets bloemigs dat waarschijnlijk bewust gekozen was om mannen in verwarring te brengen. De hal was indrukwekkend: marmeren vloer, kroonluchter, brede trap, schilderijen van vrouwen met trotse blikken en mannen die op alle doeken net iets te gehoorzaam naast hen stonden.

Aan de kapstok hingen herenhoeden, wandelstokken en een bordje:

Eigenwijsheid graag hier achterlaten. U krijgt haar bij vertrek niet terug.

“Mijn naam is Mila,” zei de jonge vrouw. “Ik ben avondassistente van Domina C.”

Bij die naam ging er iets door de hal. Niet letterlijk natuurlijk. Geen bliksem, geen windvlaag. Maar de lucht leek een seconde rechter te gaan staan.

“Domina C?” vroeg ik, terwijl ik deed alsof ik niet al drie brochures over haar had gelezen.

Mila glimlachte.
“De directrice.”

“Ah.”

“De beschermvrouwe.”

“Natuurlijk.”

“De regel.”

Ik slikte.
“Juist.”

Ze gaf me een mapje.
“Hierin vindt u het huishoudelijk reglement, uw dagschema, de noodprocedures en een korte vragenlijst over uw emotionele weerbaarheid.”

“Is dat allemaal nodig?”

Mila keek me over haar bril heen aan.
“Meneer Bolderman, gisteren is een bewoner flauwgevallen omdat een postbezorgster hem ‘lieverd’ noemde.”

“Was hij oud?”

“Drieënveertig.”

“Dan begrijp ik het.”

Ze leidde me door een gang waar aan weerszijden deuren zaten met koperen nummers. Uit een kamer klonk gesnurk. Uit een andere kamer kwam het geluid van mannen die ruzieden over de afstandsbediening.

“Nieuws!” riep iemand.

“Geen nieuws!” riep een ander. “Daar word ik week van.”

“Sport dan!”

“Sport is ook nieuws, maar dan met korte broeken!”

Mila zuchtte met de vermoeidheid van iemand die dagelijks volwassen mannen in leven hield.

“De salon is daar,” zei ze. “De eetzaal links. Bibliotheek rechts. De tuin is toegankelijk tot zonsondergang. Daarna alleen met toestemming.”

“En als iemand toch naar buiten gaat?”

Ze bleef staan.

“Meneer Bolderman, dan gaat hij naar buiten.”

“En?”

“Dan merkt hij vanzelf waarom hij toestemming nodig had.”

Ik besloot dat mijn nieuwsgierigheid op dit punt voldoende informatie had ontvangen.

Mijn kamer lag op de tweede verdieping. Nummer 27. Klein, warm, met een smal bed, een bureau, een kast en een raam dat uitkeek op de binnentuin. Op het nachtkastje stond een glas water, een noodfluitje en een boekje met de titel: Ademhalingsoefeningen bij vrouwelijke dominantie in de openbare ruimte.

“Het diner is om zeven uur,” zei Mila. “Om negen uur gaan de buitendeuren op nachtslot. Om twaalf uur verzamelt iedereen zich in de grote salon.”

“Waarom?”

Ze glimlachte. Niet breed. Niet vrolijk. Meer alsof ze een geheim even langs haar lippen liet wandelen.

“Dan spreekt Domina C.”

“Elke nacht?”

“Elke nacht.”

“En moet iedereen daarbij zijn?”

“Meneer Bolderman,” zei Mila zacht, “niemand moet hier iets.”

Dat stelde me gerust.

Tot ze eraan toevoegde:

“Maar iedereen komt.”

Daarna liet ze me alleen.

Ik zette mijn koffer op bed en keek uit het raam. De binnentuin was keurig onderhouden, met grindpaden, rozenstruiken en een fontein waarin een stenen vrouw een schaal vasthield. Geen engeltje, geen dolfijn, geen klassieke held. Een vrouw. Rechtop. Zelfverzekerd. Alsof zij niet water schonk, maar toestemming.

Achter de muren van het terrein lag de stad. De avond was nu bijna volledig gevallen. In de verte hoorde ik gelach. Vrouwenstemmen. Een fietsbel. Muziek ergens uit een open raam. De nacht begon zich uit te rekken als een kat.

Ik dacht aan vroeger, toen mannen nog in groepjes voor cafés stonden en vrouwen met sleutels tussen hun vingers naar huis liepen. Ik was toen jong geweest, dom op de manier waarop jonge mannen vaak dom zijn: niet slecht, maar blind voor angst die niet van henzelf was.

Nu was de wereld omgekeerd.

Er zat humor in, moest ik toegeven. Een wrange soort rechtvaardigheid met lippenstift op.

Ik pakte het reglement uit het mapje.

Regel 1: Bewoners behandelen elkaar met respect.
Regel 2: Bewoners verlaten het huis na 21:00 uur niet zonder begeleiding.
Regel 3: Bewoners spreken Domina C aan met “mevrouw” tenzij anders geïnstrueerd.
Regel 4: Flirten met personeel is toegestaan, mits men de gevolgen aankan.
Regel 5: Niemand doet alsof hij stoerder is dan hij is. Domina C merkt dat toch.

Ik bleef hangen bij regel vier.

“Mits men de gevolgen aankan,” mompelde ik.

Mijn rechterknie kraakte afkeurend.

Om zeven uur zat ik in de eetzaal tussen twintig andere mannen. De jongste was misschien dertig, de oudste leek zo oud dat hij waarschijnlijk nog contant geld had gebruikt. Er werd stamppot geserveerd met rookworst, maar dan vegetarisch, omdat echte rookworst volgens het nieuwe voedingsbeleid “te patriarchaal van vorm” was.

Tegenover mij zat een man met een enorme witte baard.

“Nieuw?” vroeg hij.

“Vandaag aangekomen.”

Hij stak zijn hand uit.
“Herman. Kamer 14. Voormalig belastingadviseur. Twee keer buiten geweest na tienen. Twee keer spijt.”

“Wat gebeurde er?”

Herman boog zich naar me toe.
“De eerste keer werd ik aangesproken door een vrouwenkoor.”

“Een koor?”

“Ze vroegen of ik de weg wist naar het station. Met z’n zevenen tegelijk. In harmonie.”

“Vreselijk.”

“Ik heb mijn eigen adres gegeven.”

Ik knikte ernstig.

“En de tweede keer?”

Hij werd bleek.
“Een studente noemde mijn jas ‘schattig’.”

Ik legde mijn bestek neer.
“Sommige dingen moet een mens niet alleen dragen.”

Aan het hoofd van de tafel zat een magere man met een snor die duidelijk dagelijks instructies kreeg. Hij tikte tegen zijn glas.

“Heren, aandacht. Voor de nieuwkomers: mijn naam is Eduard van Tellingen, bewonersvertegenwoordiger. Ik verwelkom u namens de mannenraad.”

“Die niks te zeggen heeft,” fluisterde Herman.

Eduard hoorde het wel, maar negeerde het met geoefende waardigheid.

“Vanavond om middernacht is de eerste ceremonie van de week. Gedraag u waardig. Geen zenuwachtig gelach. Geen vragen over het schoeisel van de directrice. Geen pogingen om diepzinnig te kijken wanneer u eigenlijk bang bent.”

Een man verderop stak zijn hand op.

“Mag bewonderend kijken?”

Eduard kneep zijn ogen dicht.
“Met mate, Kees.”

Kees leek tevreden.

Na het eten trok iedereen langzaam naar de salon. Niet omdat het al middernacht was, maar omdat mannen die ergens zenuwachtig voor zijn graag te vroeg in de buurt gaan zitten van waar het gaat gebeuren.

De grote salon was een prachtige kamer met hoge boekenkasten, donkerrode gordijnen en zachte lampen. Er stonden fauteuils in een halve cirkel rond een lege plek bij de haard. Boven de schouw hing een portret van Domina C.

Tenminste, dat nam ik aan.

De vrouw op het schilderij had zilvergrijs haar, donkere ogen en een houding die zelfs verf liet gehoorzamen. Ze glimlachte nauwelijks, maar haar mond leek te weten dat iedereen toch zou blijven kijken.

“Is zij echt zo?” vroeg ik aan Herman.

Hij keek naar het portret en daarna naar mij.

“Nee.”

Ik ontspande.

“In het echt is ze erger.”

Om vijf voor twaalf was de salon vol. Niemand praatte nog hard. Er werd gekucht, geschoven, gezucht. Iemand liet een pepermuntje vallen en verontschuldigde zich bij het tapijt.

Toen sloeg de klok.

Twaalf slagen.

Bij de laatste slag gingen de deuren open.

Domina C kwam binnen.

Ze was niet jong, niet oud, maar tijdloos op de manier waarop sommige vrouwen een kamer binnenkomen en alle klokken besluiten even te wachten. Ze droeg een lange zwarte japon met een hoge kraag en handschoenen tot over haar ellebogen. Geen overdaad, geen goedkope theatrale vertoning. Alleen elegantie, strengheid en een vleugje gevaar dat zo zorgvuldig was aangebracht als parfum.

Haar hakken tikten zacht op de vloer.

Iedere man in de salon ging rechter zitten.

Ik ook.

Mijn rechterknie zweeg.

Domina C liep naar de haard, draaide zich om en liet haar blik over ons glijden. Niet haastig. Ze nam de tijd. Alsof ze inventariseerde hoeveel moed er in de kamer aanwezig was en hoeveel daarvan geleend.

Toen glimlachte ze.

“Goedenacht, heren.”

“Goedenacht, mevrouw,” antwoordde de kamer als één schoolklas die wist dat de juf gedachten kon lezen.

Haar ogen vonden de mijne.

Heel even maar.

Toch voelde ik me alsof iemand mijn volledige levensverhaal had opengeslagen bij de gênante hoofdstukken.

“Wij hebben een nieuwe bewoner,” zei ze. “Meneer Bolderman.”

Alle hoofden draaiden naar mij.

Ik stond half op, ging weer zitten, stond toch op en maakte iets dat tussen een buiging en een medische klacht in zat.

“Welkom,” zei Domina C. “U bent hier veilig.”

“Dank u, mevrouw.”

“Veilig betekent niet vrij van spanning,” vervolgde ze. “Dat zou ongezond zijn.”

Er ging een zacht lachje door de salon.

Ze liep langzaam langs de fauteuils.

“Buiten is de nacht wakker. Buiten lopen vrouwen die niet langer fluisteren om de wereld gerust te stellen. Buiten is de straat van hen die haar durven dragen. En jullie, mijn heren, zijn hier niet opgesloten.”

Ze pauzeerde.

“Jullie worden bewaard.”

Kees zuchtte hoorbaar.

Eduard schopte hem tegen zijn enkel.

Domina C deed alsof ze het niet merkte, wat veel dreigender was dan wanneer ze het wel had gedaan.

“Zoals elke nacht,” zei ze, “vertel ik een verhaal. Een verhaal over de stad, over macht, over verlangen, over vergissingen, en soms over mannen die dachten dat zij de weg wisten.”

Herman fluisterde: “Die lopen altijd verkeerd.”

Domina C keek precies op dat moment zijn kant op.

Herman werd een meubelstuk.

“Maar voor een verhaal,” vervolgde ze, “heb ik een luisteraar nodig.”

De stilte werd dikker.

Niemand bewoog.

Zelfs de haard leek zachter te branden.

Domina C hief haar hand. Haar handschoen ving het lamplicht. Haar blik gleed over de mannen, langzaam, aandachtig, bijna teder. Dat maakte het niet minder gevaarlijk. Integendeel.

Toen wees ze.

Naar mij.

“Meneer Bolderman.”

Mijn hart maakte een geluid dat niet in medische handboeken voorkomt.

“Ja, mevrouw?”

“Vanavond zit u vooraan.”

Ik hoorde Herman zacht zeggen: “Sterkte.”

Ik stond op en liep naar de stoel bij de haard. Mijn benen functioneerden nog, al hadden ze duidelijk bezwaar ingediend.

Domina C bleef naast me staan. Dichtbij genoeg om haar parfum te ruiken: jasmijn, leer en iets dat waarschijnlijk gehoorzaamheid heette.

Ze boog zich iets naar me toe.

“Bent u bang, meneer Bolderman?”

Ik keek naar haar. Naar de kamer. Naar het portret boven de haard, dat plotseling leek mee te luisteren.

“Een beetje,” gaf ik toe.

Haar glimlach werd warmer.

“Goed zo.”

Ze richtte zich tot de salon.

“Dan kunnen we beginnen.”

Buiten streek de nacht langs de ramen.
Binnen hielden twintig mannen hun adem in.
En ik, Barend Bolderman, pas aangekomen in Het Mannenhuis, begreep op dat moment één ding volkomen:

De muren beschermden ons misschien tegen de vrouwen buiten.

Maar tegen Domina C hielpen ze helemaal niets.