De koffiemachine

De koffiemachine maakte een geluid alsof hij persoonlijk beledigd was.

Valentijn stond ervoor met zijn armen over elkaar. Hij keek naar het apparaat alsof een langdurige blik voldoende technische kennis kon vervangen.

Achter hem groeide de rij.

Niet snel. Maar wel zichtbaar.

Dat was erger.

Op maandagochtend waren mensen bereid veel te verdragen. Regen. Een volle bus. Een collega die zei dat hij “heel even” iets wilde overleggen. Maar geen koffie krijgen, dat ging te ver.

De machine piepte nog een keer.

Daarna verscheen er op het scherm:

SERVICE NODIG

“Dat is duidelijk,” zei Valentijn.

Niemand reageerde.

Hij draaide zich om. Zijn blik gleed langs de gezichten in de rij. Moe. Stil. Licht verwijtend. Alsof hij persoonlijk verantwoordelijk was voor de val van de beschaving.

“Geen paniek,” zei hij. “Ik heb hier verstand van.”

Een vrouw met een felgroene sjaal keek hem aan.

“Van koffiemachines?”

“Van apparaten,” zei Valentijn.

“Dat is bijna hetzelfde als niets zeggen.”

Hij knikte langzaam. “Dat is inderdaad pijnlijk nauwkeurig.”

Een paar mensen glimlachten. Niet veel. Maar genoeg om hem hoop te geven.

Valentijn werkte sinds drie weken in het oude kantoorpand aan de Singel. Officieel was hij daar projectcoördinator. Wat dat precies betekende, kon hij nog niet goed uitleggen. Hij had vergaderingen, een laptop en een pasje dat soms werkte. Blijkbaar was dat voldoende.

Hij zette zijn kartonnen beker op het aanrecht.

“Even kijken.”

Hij drukte op een knop.

De machine bromde.

Hij drukte op nog een knop.

De machine piepte.

Toen deed hij iets wat hij later zelf niet meer logisch kon uitleggen. Hij tikte twee keer op de zijkant van het apparaat.

De vrouw met de groene sjaal zuchtte.

“Dat is geen techniek,” zei ze. “Dat is boos zijn op een broodrooster.”

“Het is een klassieke methode.”

“Uit welk jaar?”

“Uit een optimistisch jaar.”

Op dat moment ging de deur van de pantry open.

Een vrouw stapte naar binnen met een donkerblauwe jas over haar arm en een stoffen tas aan haar schouder. Ze bleef abrupt staan toen ze de rij zag.

Ze keek naar de machine.

Ze keek naar Valentijn.

En toen keek ze naar het scherm.

SERVICE NODIG.

“Ah,” zei ze rustig. “De menselijke beschaving is dus eindelijk ingestort.”

Valentijn keek haar aan.

Ze had donker haar dat nog vochtig was van de regen. Er zat een klein druppeltje op haar wang. Niet op een filmachtige manier. Meer alsof de ochtend haar zonder toestemming had aangeraakt.

Hij vond meteen dat hij daar niet zo lang naar moest kijken.

Dus keek hij snel weer naar de machine.

“Het valt mee,” zei hij. “Ik ben ermee bezig.”

“Dat zie ik.”

Er zat geen spot in haar stem. Dat maakte het verwarrender.

Ze zette haar tas op de grond en stapte langs de rij naar voren. Een man met een te strakke stropdas wilde iets zeggen, maar besloot blijkbaar dat hij daar op maandagochtend niet de energie voor had.

De vrouw hurkte bij de machine.

“Mag ik?” vroeg ze.

Valentijn deed een stap opzij. “Natuurlijk. Ik was eigenlijk net klaar met het ingewikkelde deel.”

“Welk deel was dat?”

“Hem duidelijk maken dat ik teleurgesteld ben.”

Ze glimlachte nu wel.

Niet breed. Niet overdreven. Gewoon even.

Het was een glimlach die Valentijn een beetje uit balans bracht. Alsof iemand ongemerkt een stoel een paar centimeter had verschoven terwijl hij al wilde gaan zitten.

Ze opende een klein klepje onder het scherm.

“Hij vraagt om service,” zei ze. “Maar meestal bedoelt hij dat het opvangbakje vol zit.”

“Machines zijn dramatischer dan mensen denken.”

“Dat klopt. Deze heeft ook een hekel aan maandag.”

Ze trok een smalle bak uit het apparaat. Die zat inderdaad vol met natte koffieresten.

Valentijn boog zich iets naar voren.

“Dat lijkt op mijn hoofd na een vergadering van twee uur.”

“Dan moet je misschien minder vergaderen.”

“Dat is een radicaal idee.”

Ze liep naar de afvalbak, leegde het bakje en schoof het terug. Daarna drukte ze op één knop.

De machine bromde.

Iedereen in de pantry hield zijn adem in.

Zelfs de man met de stropdas.

Toen verscheen er een nieuw bericht op het scherm.

KIES UW DRANK

Een zacht gejuich ging door de rij.

Alsof iemand zojuist een brug had gerepareerd.

De vrouw met de groene sjaal stak haar beker in de lucht. “Een heldin.”

De vrouw bij de machine keek ongemakkelijk naar de grond.

“Het was alleen het bakje.”

“Juist,” zei Valentijn. “Maar wel een buitengewoon belangrijk bakje.”

Ze draaide zich naar hem om.

Van dichtbij waren haar ogen grijsgroen. Of groenig grijs. Valentijn wist het niet. Hij wist alleen dat hij nu iets moest zeggen dat niet dom klonk.

Dat was meestal het moment waarop hij juist iets doms zei.

“Ik ben Valentijn,” zei hij.

Ze keek hem een seconde aan.

“Dat is een moedige naam op een maandagochtend.”

Hij lachte. “Mijn ouders waren optimistisch.”

“Of wreed.”

“Dat debat loopt nog.”

Ze stak haar hand uit.

“Elodie.”

Hij schudde haar hand.

Haar hand was koel van de regen.

“Elodie,” herhaalde hij.

“Ja. Ik heb hem al een tijdje.”

“Dat geloof ik direct.”

Ze trok één wenkbrauw op. “Wat betekent dat?”

“Niets. Het klonk alleen alsof je er heel zeker van bent.”

“Ik ben vooral goed in doen alsof.”

Valentijn wilde vragen waarvan ze dan deed alsof ze zeker was. Maar achter hen kuchte iemand nadrukkelijk.

De rij had weer herinnerd dat hij bestond.

Elodie pakte haar beker.

“Wat drink jij?” vroeg ze.

“Koffie.”

“Dapper.”

“Zwart.”

“Onnodig dapper.”

“Met een beetje melk.”

“Ah,” zei ze. “Toch een mens.”

Ze drukte op het scherm en koos twee cappuccino’s.

Valentijn keek verbaasd naar haar.

“Ik drink geen cappuccino.”

“Vandaag wel.”

“Waarom?”

“Omdat je de machine emotioneel hebt gesteund. Dat verdient schuim.”

Even later stonden ze naast elkaar bij het raam van de pantry. Buiten viel de regen rustig op de straat. Fietsen gleden voorbij. Auto’s deden alsof haast een persoonlijkheid was.

Valentijn nam een slok.

De koffie was te heet.

Hij probeerde dat waardig te verwerken.

Elodie keek hem aan. “Te heet?”

“Nee.”

“Je ogen werden vochtig.”

“Dat komt door de sfeer.”

Ze keek naar buiten. “Ja. Heel aangrijpend. Een grijze parkeerplaats en een fiets zonder zadel.”

“Je bent moeilijk te imponeren.”

“Nee,” zei Elodie. “Ik ben juist makkelijk te imponeren. Mensen doen alleen vaak zo hun best dat het ingewikkeld wordt.”

Dat bleef even tussen hen hangen.

Niet zwaar.

Maar ook niet helemaal licht.

Valentijn knikte naar haar tas. Er stak een hoek van een boek uit.

“Nieuw hier?” vroeg hij.

“Vandaag mijn eerste dag.”

“Dan heb je meteen het belangrijkste probleem van dit gebouw opgelost.”

“Is dat het belangrijkste probleem?”

“Nee. Maar de printer op de vierde verdieping is nog te gevoelig om over te praten.”

Elodie lachte zacht.

Een vrouw kwam de pantry binnen en riep haar naam.

“Elodie? De introductie begint over twee minuten.”

Elodie keek op.

“Dat ben ik dan waarschijnlijk.”

“Waarschijnlijk wel,” zei Valentijn. “Maar ik zou het voor de zekerheid controleren.”

Ze pakte haar tas en liep naar de deur. Daar bleef ze nog even staan.

“Dank je voor je hulp,” zei ze.

Valentijn keek naar de werkende machine.

“Ik heb letterlijk niets gedaan.”

“Je maakte ruimte.”

Toen was ze weg.

Valentijn bleef bij het raam staan met zijn cappuccino.

De machine bromde tevreden verder.

Achter hem vroeg iemand of hij wist waar de suiker stond.

Hij wees zonder om te kijken naar links.

Dat was niet waar.

Maar hij was even niet helemaal aanwezig.