De uitnodiging met de paarse vlek
De ochtend begon met een klap.
Niet een grote, gevaarlijke klap. Geen donder, geen vallende boom en ook geen wijnvat dat uit protest uit elkaar sprong.
Het was een deur.
Lavendel stond in haar atelier en keek naar de openzwaaiende voordeur. Een warme wind blies naar binnen. Hij nam een paar losse schetsen mee en legde ze met veel overtuiging op de natte verf.
“Nou,” zei Lavendel. “Dat was duidelijk geen toeval.”
Ezel stond in de deuropening.
Hij droeg zijn strohoed. Die hing scheef over één oor. Om zijn rug zat nog steeds de doek met verfspatten. Aan één kant was hij opvallend zwaarder beladen dan aan de andere.
Lavendel kneep haar ogen samen.
“Wat heb je nu weer meegenomen?”
Ezel zette één stap naar binnen.
Toen nog één.
De flessen in zijn tas rinkelden zacht.
“Geen wijn voor het ontbijt,” zei Lavendel streng.
Ezel keek haar aan.
Hij had de rustige blik van iemand die geen enkele reden zag om zich schuldig te voelen.
Lavendel zuchtte. “Dat betekent dus dat het geen wijn is.”
Ze liep naar hem toe en tilde de klep van de tas op. Tussen een stokbrood, een appel en drie penselen lag een crèmekleurige envelop.
De envelop was dik papier, met een paarse lakzegel.
Lavendel haalde hem eruit.
“Voor mij?”
Ezel balkte.
“Ja, ja. Jij hebt hem gebracht. Dat snap ik.”
Ze draaide de envelop om. Op de voorkant stond haar naam, geschreven in sierlijke letters.
Aan Lavendel.
In de linkerhoek zat een kleine paarse vlek.
Lavendel keek naar haar vingers. Ze waren schoon. Voor deze ochtend dan.
“Dat is niet mijn verf,” mompelde ze.
Ze brak het zegel.
Binnenin zat een kaartje.
Ze las hardop.
“Beste Lavendel. Vanavond opent mijn wijnkelder voor een klein gezelschap. Ik hoop dat je komt. Neem mee wie je vertrouwt. En vooral: neem mee wie goed kan kijken.”
Lavendel keek opnieuw naar Ezel.
“Wie goed kan kijken?”
Ezel knipperde langzaam.
“Jij bedoelt jezelf zeker.”
Hij balkte opnieuw.
“Dat dacht ik al.”
Onder de tekst stond één naam.
Lady Alcina.
Lavendel kende de naam, natuurlijk. Iedereen in het dorp kende Lady Alcina. Ze woonde in het oude landhuis boven de wijngaard. Ze maakte wijn waar mensen ver voor omreden. Ze droeg hoeden die zelfs bij windstil weer leken te bewegen.
En ze glimlachte altijd alsof ze net iets wist wat de rest nog moest uitzoeken.
Lavendel legde het kaartje op tafel.
“Vanavond gaan we naar Lady Alcina.”
Ezel draaide meteen zijn hoofd naar de tas.
“Je krijgt geen wijn.”
Hij draaide zijn hoofd weer terug.
“Ook niet één slokje.”
Ezel keek beledigd naar het plafond.
Lavendel lachte. “Kom. We gaan Markie zoeken.”
Markie Von Zeist zat op zijn vaste bankje voor Café du Soleil.
Voor hem stonden een kop koffie, een leeg bordje en zijn notitieboek. Hij schreef langzaam. Alsof elke zin eerst toestemming moest krijgen om op papier te mogen staan.
Lavendel kwam het plein op met Ezel naast zich.
Markie keek op.
“Goedemorgen,” zei hij.
“Dat hangt ervan af,” zei Lavendel.
Markie sloot zijn notitieboek. “Dat klinkt als een zin die meestal gevolgd wordt door een probleem.”
“Een uitnodiging.”
“Dat is inderdaad vaak een probleem.”
Lavendel ging naast hem zitten en gaf hem het kaartje.
Markie las het in stilte.
Ezel ging vlak voor hem staan.
Markie keek naar de ezel. Toen naar de tas. Toen weer naar Lavendel.
“Hij heeft hem gebracht?”
“Hij heeft de envelop niet opgegeten. Ik vind dat al heel volwassen.”
Markie knikte alsof hij daar serieus over moest nadenken.
“Lady Alcina,” zei hij. “Dat is bijzonder.”
“Je kent haar?”
“Ik heb haar één keer gezien. Ze kocht een fles water in het café.”
Lavendel wachtte.
“Dat was alles.”
“En?”
“Ze betaalde met een gouden munt.”
Lavendel glimlachte. “Dat is wel stijlvol.”
“De ober vond vooral dat het onhandig was.”
Ze leunde iets naar hem toe. “Ga je mee vanavond?”
Markie keek naar de uitnodiging. Zijn lichtblauwe ogen bleven rusten op de laatste zin.
Neem mee wie goed kan kijken.
“Waarom ik?”
“Jij ziet dingen,” zei Lavendel. “Kleine dingen. Dingen die anderen overslaan.”
Markie keek even weg, naar de straat waar een kat over de lage muur liep.
“Dat is niet altijd handig.”
“Nee,” zei Lavendel zacht. “Maar misschien vanavond wel.”
Een korte stilte viel tussen hen. Geen ongemakkelijke stilte. Eerder eentje die rustig op het bankje ging zitten, tussen de koffie en het notitieboek.
Toen kuchte Ezel.
Heel nadrukkelijk.
Markie keek naar hem.
“En jij gaat zeker ook mee?”
Ezel balkte.
Lavendel schudde haar hoofd. “Hij heeft zichzelf uitgenodigd.”
“Dat vermoedde ik al.”
Markie stopte zijn pen in zijn borstzak.
“Goed,” zei hij. “Vanavond gaan we naar Lady Alcina.”
Lavendel glimlachte.
“Mooi. Maar eerst moet ik iets aantrekken dat minder naar terpentine ruikt.”
Markie stond op. “Is dat belangrijk?”
“Voor een wijnkelder? Waarschijnlijk wel.”
Ezel duwde met zijn neus tegen de tas.
Lavendel wees naar hem.
“En jij blijft van de flessen af.”
Ezel keek haar aan met een blik die alles beloofde en niets betekende.
Boven het plein scheen de zon.
De lavendelvelden bewogen zacht in de wind. In de verte lag het oude landhuis van Lady Alcina, stil en licht op de heuvel.
Alsof het al op hen wachtte.