Achttien formulieren en een schol met ambitie
Om kwart over acht was de markt officieel geopend.
Dat betekende niet dat iedereen klaar was om te verkopen. De groenteman zocht nog naar zijn prijspistool. Bij de kaas stond een jongen van zestien een vlag uit de knoop te halen. En Piet de visboer had zijn eerste klant al verteld dat de schol van die ochtend “een bijzonder luisterend oor” had.
De klant had daarop besloten om toch maar kabeljauw te nemen.
Milo stond achter zijn kraam met zijn notitieblokje in de hand. Op de eerste bladzijde had hij geschreven:
AUTOMATISERING VOOR DE MARKT.
Daaronder stond een lijst.
- Piet wil een vislampje.
- Henk wil aardappels met mening.
- Babs wil bloemen met emotionele ondersteuning.
- Niet meteen overal ja op zeggen.
Dat laatste punt had Lena erbij geschreven.
Ze stond naast hem en vulde een glazen pot met kleine, ronde kaarsjes. De kaarsjes waren zachtgeel en roken naar citroen, hout en iets dat volgens Milo gewoon “lekker” heette.
Op het kartonnen bordje ervoor stond:
KAARSJES VOOR ALS UW PLAN UIT DE HAND LOOPT.
“Die lopen goed,” zei Milo.
“Dat hoop ik niet,” zei Lena.
Milo keek naar het bordje.
“Dat was een grapje.”
“Ik weet het.”
“Het was een goede grap.”
“Zeker.”
Hij keek haar even aan. Lena glimlachte. Niet breed. Meer met haar ogen. Daar werd Milo nog altijd een beetje stil van.
Dat was lastig, want de markt was niet stil.
“TWEE EURO VIJFTIG, MENEER! EN VOOR DRIE EURO KRIJGT U ER EEN GRATIS LACH BIJ!”
“VERSE AARDBEIEN! ZE ZIJN ZO ROOD DAT ZE BIJNA SCHAAMTE HEBBEN!”
“WIE HEEFT ER NOG EEN SOK GEVONDEN? GRIJS. MET EEN EEND.”
De laatste roep kwam van de man met de stoffen marktluifels. Hij hield een sok omhoog alsof hij zojuist een zeldzame vogel had gevangen.
Milo schreef op zijn lijstje:
- Geen sokken automatiseren.
Toen kwam Henk eraan.
Henk was de groenteman. Hij droeg altijd een groen schort, ook als hij thuis op de bank zat. Dat wist Milo omdat Henk ooit had verteld dat zijn vrouw het schort had verstopt. Henk had toen een nieuw schort gekocht en gezegd dat je een mens niet van zijn identiteit kon beroven.
In zijn armen had hij een houten kist met aardappels.
“Daar zijn ze,” zei Henk trots.
Milo keek in de kist.
“Dat zijn aardappels.”
“Ja.”
“Wat moeten ze doen?”
Henk zette de kist op de grond. Hij keek eerst links. Toen rechts. Daarna boog hij naar Milo toe.
“Ze moeten zichzelf verkopen.”
Lena hield op met het rechtzetten van de kaarsen.
“Dat doen ze toch al?” vroeg ze. “U zegt dat ze lekker zijn. Mensen kopen ze.”
Henk keek haar aan met het geduld van iemand die een kind uitlegt dat regen niet uit een tuinslang komt.
“Maar iedereen vraagt altijd hetzelfde.”
Hij stak één vinger op.
“Zijn ze kruimig?”
Een tweede vinger.
“Zijn ze vastkokend?”
Een derde.
“Kan ik er friet van maken?”
“Dat is niet zo vreemd,” zei Milo.
“Het is iedere dag hetzelfde,” zei Henk. “Ik wil dat die aardappels het zélf vertellen.”
Milo keek opnieuw naar de kist.
De aardappels lagen er rustig bij. Geen van hen leek zich geroepen te voelen om iets uit te leggen.
“U bedoelt een bordje?” vroeg Lena.
Henk zuchtte diep.
“Nee. Een systeem.”
Daar was het woord weer.
Sinds de televisieopname van de Braphone had iedereen op de markt het over systemen. Niet over handige dingen. Niet over een mooie oplossing. Nee. Systemen.
Een systeem klonk belangrijker.
Een systeem had snoertjes.
Een systeem kon stukgaan op een zaterdag waarop het regende.
Milo voelde iets vrolijks kriebelen in zijn buik. Dat gebeurde altijd als iemand een probleem had dat misschien opgelost kon worden met een sensor, een lampje of een knop die nergens echt voor nodig was.
“Wat dacht u precies?” vroeg hij.
Henk knikte tevreden. Eindelijk iemand die de juiste vraag stelde.
“Bij elke kist komt een klein schermpje.”
“Dat kan,” zei Milo.
“Als iemand een aardappel pakt, zegt het schermpje wat die aardappel kan.”
“Dat wordt lastig,” zei Lena.
“Waarom?”
“Omdat u dan moet weten welke aardappel iemand pakt.”
Henk wees naar Milo.
“Daar heb ik hem toch voor?”
Milo pakte zijn potlood steviger vast.
“Met een gewichtssensor misschien,” mompelde hij.
Lena draaide haar hoofd langzaam naar hem toe.
“Milo.”
“Wat? Het kan.”
“Je hebt net opgeschreven dat je niet overal ja op zou zeggen.”
“Ik heb nog geen ja gezegd.”
“Je gezicht heeft ja gezegd.”
Dat was waar. Milo’s gezicht was soms sneller dan hijzelf.
Henk trok een aardappel uit de kist en hield hem omhoog.
“Deze bijvoorbeeld,” zei hij. “Dit is een uitstekende aardappel voor stamppot.”
“Hoe weet u dat?” vroeg Milo.
Henk keek beledigd.
“Omdat ik Henk ben.”
“Maar hoe weet het schermpje dat?”
Henk zweeg even.
Dat was een goed teken. Meestal betekende stilte bij Henk dat er ergens binnenin zijn hoofd een nieuw idee tegen een deur bonkte.
“Misschien,” zei hij langzaam, “krijgen ze allemaal een plakkertje.”
Lena keek naar de aardappel.
“Een naamkaartje?”
“Een chip,” zei Henk.
“Een chip op een aardappel,” zei Lena.
“Ja.”
“Dat is wel ironisch.”
Henk knipperde.
“Waarom?”
“Laat maar,” zei Milo snel.
Hij zag het al voor zich. Kleine chips. Kleine schermpjes. Misschien een vriendelijke stem. Niet te luid, want dan zou de hele groentekraam de hele ochtend tegen zichzelf praten.
Of misschien juist wel luid.
“Ze kunnen verschillende stemmen krijgen,” zei Milo.
Lena zuchtte.
Henk straalde.
“Precies! Een deftige stem voor de krieltjes. Een zware stem voor de piepers. En een kinderstem voor de krieltjes.”
“Krieltjes zijn ook piepers,” zei Lena.
“Maar kleinere,” zei Henk.
“Dat weet ik.”
“Mooi. Dan begrijpen we elkaar.”
Op dat moment kwam Babs van de bloemenkraam erbij staan. Ze droeg een roze jas, een gele sjaal en een mand vol zonnebloemen. Babs zag er iedere zaterdag uit alsof ze per ongeluk in een vrolijk schilderij was gevallen en had besloten er te blijven wonen.
“Ik wil ook zoiets,” zei ze.
“Met aardappels?” vroeg Henk.
“Nee, Henk. Met bloemen. Ik heb tenminste smaak.”
Henk keek naar zijn kist.
“Mijn aardappels hebben ook smaak.”
“Niet op die manier.”
“Ze zijn heel smakelijk.”
Babs legde haar mand op Milo’s kraam. Een zonnebloem rolde eruit en bleef tegen Lena’s pot met kaarsjes liggen.
“Wat wilt u automatiseren?” vroeg Milo.
Babs klapte in haar handen.
“Het kiezen.”
“Van bloemen?”
“Van liefde, Milo.”
Milo keek naar Lena. Lena keek terug, maar zei niets. Dat vond hij verstandig. Liefde was een groot onderwerp op een drukke markt.
Babs praatte verder.
“Mensen komen bij mij en zeggen: ik heb iets goed te maken. Of: mijn zus is jarig, maar we praten eigenlijk niet meer. Of: ik wil een bosje voor mijn buurvrouw, maar niet zó romantisch dat haar man denkt dat ik plannen heb.”
“Dat zijn veel details,” zei Lena.
“Precies. En ik moet alles steeds vragen. Ik wil een apparaat waar mensen op kunnen drukken.”
Babs telde op haar vingers.
“Spijt. Liefde. Sterkte. Ik-ben-het-vergeten. En gewoon omdat het dinsdag is.”
“Die laatste vind ik mooi,” zei Lena.
“Dank je.”
Milo maakte aantekeningen. Hij wist niet goed hoe een machine kon begrijpen dat iemand precies genoeg spijt had voor zes tulpen, maar niet genoeg voor een groot boeket met lelies.
Toch klonk het niet onmogelijk.
In elk geval niet onmogelijk genoeg.
Piet de visboer kwam weer langs. Hij had een plastic bak met ijs bij zich. Op het ijs lag een makreel.
“En deze moet kunnen zwaaien,” zei Piet.
Iedereen keek naar de makreel.
“Piet,” zei Lena rustig. “Dat is een vis.”
“Dat zie ik ook wel.”
“Een dode vis.”
“Hij hoeft niet zélf te zwaaien. Daar heb je techniek voor.”
Henk knikte bewonderend.
“Die man denkt vooruit.”
“Dank je,” zei Piet.
“Niet doen,” zei Lena.
Toen klonk er een scherpe piep.
Iedereen draaide zich om.
Aan de overkant van het marktplein stond een witte bestelbus. Op de zijkant stond, in glanzende blauwe letters:
BRIGHT & BOLD
DE TOEKOMST VERKOOPT ZICHZELF
De achterdeuren gingen open.
Er stapten twee mensen uit. Allebei droegen ze een donkerblauwe jas, witte schoenen en een glimlach die er duur uitzag.
De vrouw voorop rolde een zilverkleurige zuil naar buiten. De zuil had een scherm, een camera en een klein rood lampje dat knipperde alsof het ergens heel tevreden mee was.
“Goedemorgen, marktinnovatoren!” riep ze.
Niemand antwoordde.
Zelfs de man met de verloren sok hield even zijn mond.
De vrouw glimlachte nog groter.
“Wij zijn van Bright & Bold. Wij komen u laten kennismaken met de markt van morgen.”
Naast Milo legde Lena heel rustig een luciferdoosje recht.
Toen zei ze zacht:
“Nou. Daar gaat onze rustige zaterdag.”