De teen

De teen lag niet ín de hummus.

Dat was, vond mama, een belangrijk verschil.

Hij lag óp de hummus. Keurig naast een wortelreepje en een halve olijf. Alsof hij zelf ook had geluncht en nu nog even bleef hangen.

“Niemand zegt het woord keurig,” zei mama.

“Waarom niet?” vroeg Mo.

“Omdat er niets keurigs is aan een teen in een broodtrommel.”

Mo knikte ernstig. Hij was negen en nam duidelijke instructies graag ter harte.

“Een slordige teen, dan.”

Zijn zus Noor, die elf was en daarom vond dat zij recht had op meer sarcasme, boog zich over de keukentafel. “Is het een grote teen?”

“Niet dichterbij,” zei Mammie.

“Dat was geen antwoord.”

“Dat was de bedoeling.”

Mammie stond met haar telefoon in de ene hand en een koffiemok in de andere. De koffie was koud. Dat gebeurde haar vaak. Ze zette koffie, las een bericht, beantwoordde drie andere berichten en ontdekte een uur later dat het leven haar opnieuw had ingehaald.

Mama stond bij het aanrecht met haar armen strak over elkaar.

Mama heette eigenlijk Yara, maar in huis zei iedereen mama. Zelfs de oppaspapa, die op woensdagmiddag altijd zei: “Mama, waar liggen de schone handdoeken?” terwijl hij ze zelf de avond daarvoor nog had opgevouwen.

Yara keek naar de broodtrommel alsof die haar persoonlijk had beledigd.

“Dit is niet van mij,” zei ze.

Niemand had haar ergens van beschuldigd, maar dat hield mama zelden tegen.

Mammie keek op. “Yara.”

“Nou ja, ik werk met lichamen. Iedereen denkt nu meteen dat ik een voorraad losse onderdelen in de koelkast heb.”

Noor trok haar wenkbrauwen op. “Heb je die niet dan?”

“Alleen oefenmateriaal.”

Er viel een stilte.

Mammie zette haar mok neer. “Dat was niet geruststellend.”

“Ik bedoel siliconen. Voor cursussen. Lippen, neuzen, een keer een oor. Geen tenen.”

“Waarom oefen je op oren?” vroeg Mo.

“Omdat mensen soms rare wensen hebben.”

“Zoals?”

Mama keek hem aan. “Dat vertel ik je als je achttien bent.”

“Dan vergeet ik het.”

“Nee,” zei Noor. “Dan vraag je het nog irritanter.”

Vanaf de gang klonk het geluid van een voordeur die openging. Even later verscheen oppaspapa Otis in de keuken. Hij had zijn jas nog aan, een tas met boodschappen aan één arm en een doos met kleurpotloden onder de andere.

Otis was niet echt hun papa. Hij was ook niet echt een oppas, vond hij zelf. Hij was pedagogisch zelfstandige met een flexibele gezinsrol.

Niemand wist wat dat betekende.

Otis waarschijnlijk ook niet.

Hij bleef abrupt staan.

“Waarom kijkt iedereen naar die broodtrommel?”

“Er zit een teen op de hummus,” zei Mo.

Otis knipperde.

“Een menselijke teen?”

Mama sloot haar ogen. “Waarom zou je dat vragen?”

“Omdat ik graag wil weten of ik mijn schoenen uit moet doen en tellen.”

Noor keek naar zijn voeten. “Je hebt ze nog aan.”

“Dat is waar.” Otis zette zijn tas voorzichtig op de grond. “Dan lijkt het me prematuur.”

Mammie pakte de broodtrommel vast met een ovenschoen. Ze hield hem op armlengte van zich af.

De teen was inderdaad menselijk. Dat zagen ze nu allemaal.

Hij was bleek. Klein. Aan de zijkant zat een restje donkerrode nagellak.

En om het bovenste kootje zat een dun, gouden ringetje.

“Nou,” zei Otis zacht. “Dat is niet van een kind.”

“Hoe weet je dat?” vroeg Mo.

“Kinderen dragen zelden teenringen.”

“Dat weet je niet,” zei Noor. “Kinderen kunnen heel geheimzinnig zijn.”

Mammie zette de broodtrommel terug op tafel. “We bellen de politie.”

Mama keek haar scherp aan. “Nu al?”

“Yara. Er ligt een lichaamsdeel bij de lunch.”

“Misschien is er een logische verklaring.”

“Welke dan?”

Mama dacht na.

“Een kunstproject?”

Niemand zei iets.

“Goed,” zei mama. “Dat klonk beter in mijn hoofd.”

Mammie had de telefoon al tegen haar oor. Ze liep naar het raam, weg van de kinderen. Alsof de politie minder snel zou schrikken wanneer ze haar stem dempte.

“Hallo,” zei ze. “Ik wil graag iets melden. Nee, er is niemand gewond. Voor zover wij weten. Er is alleen… een teen.”

Otis keek naar de kinderen.

“Jullie gaan allebei naar de woonkamer,” zei hij.

“Wij wonen hier,” zei Noor.

“Dat weet ik. Toch gaan jullie.”

“Waarom?”

“Omdat volwassenen dit moeten oplossen.”

Noor keek naar de teen. Daarna keek ze naar mama, die nog steeds verdacht vaak naar haar eigen handen staarde. Vervolgens naar Mammie, die aan de telefoon zei dat de teen vermoedelijk van een vrouw was, maar dat zij geen aannames wilde doen.

“Volgens mij lossen volwassenen helemaal niets op,” zei Noor.

Otis wilde antwoorden, maar toen werd er hard op de voordeur geklopt.

Niet één keer.

Drie keer.

Kort. Krachtig. Onvriendelijk.

Iedereen in de keuken verstijfde.

Mammie hield haar hand over de microfoon van haar telefoon.

“Dat is snel,” fluisterde ze.

“De politie?” vroeg Mo.

Mama schudde langzaam haar hoofd.

Door het raam zagen ze mevrouw Van Drongelen op het tuinpad staan.

Ze droeg een paarse badjas, rubberen laarzen en een gezicht waarop nieuwsgierigheid en verontwaardiging al jaren een hechte relatie hadden.

Ze klopte opnieuw.

Toen wees ze naar de keuken.

En riep ze, luid genoeg voor de hele straat:

“IK HOORDE IEMAND SCHREEUWEN. IS ER IEMAND VERMOORD?”