De Laatste Lantaarn

Een misdaadroman uit de serie ‘De Geheimen van Zandwijk’

De Laatste Lantaarn, Een verhaal van 22 hoofdstukken, e-book ePub door Sjalotte d’Oignon & Von Zeist

Inleiding

De laatste lantaarn

Een Zandwijk-mysterie deel één

Door Sjalotte d’Oignon en Von Zeist

 

De eerste keer dat Mara Witte terugkwam in Zandwijk, hing er een dode man aan de pier.

Dat was onhandig.

Niet alleen voor de dode man, die daar vermoedelijk weinig van had genoten. Ook voor Mara. Zij had zichzelf namelijk beloofd dat ze hooguit één nacht in Zandwijk zou blijven.

Eén nacht.
Een koffer uitzoeken.
Een huis verkopen.
Niet praten met oude bekenden.
Niet denken aan vroeger.

Daarna zou ze weer vertrekken.

Zandwijk lag nog steeds tussen de duinen en de zee, alsof het dorp daar ooit per ongeluk was neergezet en niemand het hart had gehad om het weg te halen. De huizen stonden dicht tegen elkaar aan. De straten waren smal. Achter bijna elk raam brandde een lamp, ook al was het nog geen zeven uur.

Mara reed langzaam over de Dorpsweg. De ruitenwissers piepten over de voorruit. De regen was dun en koppig. Precies het soort regen dat niet nat genoeg was voor een paraplu, maar wel gemeen genoeg om in je nek te kruipen.

Naast haar op de passagiersstoel lag een bruine envelop.

Daarin zat de sleutel van nummer twaalf aan de Havenstraat.

Het huis van tante Jo.

Tante Jo, die volgens de notaris vredig in haar slaap was overleden.

Mara had daar weinig moeite mee gehad. Tante Jo had altijd al de uitstraling gehad van iemand die zelfs de dood vriendelijk maar beslist zou toespreken.

“Niet op het kleed, jongen,” zou ze zeggen. “En wil je je voeten vegen?”

Mara parkeerde voor het huis en bleef nog even zitten.

Nummer twaalf zag er kleiner uit dan ze zich herinnerde. De blauwe voordeur bladderde af. Het raam van de woonkamer stond vol met planten die er droevig, maar opvallend levend uitzagen. Tante Jo had groene vingers gehad. Of een zeer overtuigende manier van dreigen.

Mara stapte uit.

De wind sloeg meteen haar jas tegen haar benen.

“Welkom thuis,” zei iemand achter haar.

Mara sloot haar ogen.

Ze kende die stem.

Natuurlijk kende ze die stem.

Ze draaide zich langzaam om.

Op de stoep van nummer tien stond Daan Veldman. Hij droeg een regenjas die ooit beige moest zijn geweest. Nu had hij de kleur van oude havermout. Zijn grijze haar plakte plat tegen zijn hoofd. In zijn hand hield hij een vuilniszak.

Daan was vroeger de buurjongen geweest. Later de jongen die haar hart had gebroken. Daarna de man die deed alsof het hem ook maar een beetje speet.

Hij glimlachte voorzichtig.

“Mara,” zei hij.

“Daan.”

“Je bent niet veranderd.”

“Dat zeggen mensen meestal als ze niet weten wat ze wél moeten zeggen.”

Hij knikte. “Dat is waar.”

Een moment lang luisterden ze naar de regen. Verderop krijste een meeuw alsof hij bezwaar had tegen de hele avond.

Daan keek naar de envelop onder Mara’s arm.

“Vanwege Jo?”

“Dat lijkt me een redelijke gok.”

“Ze heeft je gemist.”

Mara stak de sleutel in haar voordeur. “Ze had ook kunnen bellen.”

“Dat deed ze soms.”

“Niet naar mij.”

Daan zei niets.

Dat was het probleem met Zandwijk. Zelfs de stiltes hadden hier een geheugen.

Mara duwde de deur open. De bekende geur kwam haar tegemoet: lavendel, oud hout en iets zoets dat misschien koekjes waren geweest, maar net zo goed een vergeten kerststol kon zijn.

Op de kapstok hing tante Jo’s gele regenjas.

Mara keek ernaar en voelde iets in haar borst trekken.

Niet verdriet. Nog niet.

Eerder een klein, hard knoopje dat al jaren op haar wachtte.

Achter haar kuchte Daan.

“Er is vanavond het Lantaarnfeest,” zei hij. “Op de pier.”

“Dat klinkt als iets waar ik absoluut niet heen ga.”

“Dat dacht ik al.”

“Waarom vertel je het dan?”

Daan haalde één schouder op. “Omdat iedereen er zal zijn.”

Mara draaide zich naar hem om. “Dat is precies waarom ik niet ga.”

Voor het eerst glimlachte hij echt.

“Je bent dus wél niet veranderd.”

Hij liep terug naar zijn huis, met zijn vuilniszak en zijn oude regenjas. Mara keek hem na. Toen sloot ze de deur.

Binnen was het stil.

Te stil.

Op de keukentafel lag een witte envelop met haar naam erop.

Niet in tante Jo’s keurige handschrift.

Dit handschrift was schuin en haastig. De letters leunden naar voren alsof ze ergens naartoe wilden rennen.

Mara liet haar koffer in de gang staan.

Ze opende de envelop.

Er zat één vel papier in.

Daarop stond slechts één zin.

Ga vanavond niet naar de pier. Ze weten dat je terug bent.

Mara las de woorden nog een keer.

Toen nog een keer.

Buiten begon, in de verte, een fanfare te spelen.

Een valse trompet. Een trommel die te snel ging. Gelach dat opwaaide vanaf de haven.

Het Lantaarnfeest was begonnen.

Mara vouwde het briefje op.

Ze had Zandwijk ooit verlaten omdat iedereen iets wist wat zij niet mocht weten.

Blijkbaar was er in al die jaren niets veranderd.

Behalve dit:

Nu wist iemand dat ze terug was.

Inleiding

met Von Zeist | De Laatste Lantaarn

Onderstaande sectie audio-boek (tetstversie) alleen zichtbaar / bruikbaar indien ingelogd.