De Weddenmakers van Café de Laatste Ronde
De Weddenmakers van Café de Laatste Ronde, Een verhaal van 18 hoofdstukken, e-book ePub door Lavendel & Von Zeist
Inleiding
Een humoristische roman van Lavendel
De kroeg die niemand had gekocht
Café De Laatste Ronde lag verscholen tussen een schoenmaker en een winkel waar je uitsluitend porseleinen engelen kon kopen. Niemand wist precies waarom het café zo heette.
Volgens Kees, de loodgieter, omdat iedere bezoeker er na middernacht nog één bestelde.
Volgens Agnes, de voormalige verpleegster, omdat eigenaar Henk ooit drie keer was getrouwd en alle drie de huwelijken daar waren geëindigd.
En volgens Henk zelf heette het zo omdat hij de oude lichtbak voor vijfentwintig euro had overgenomen van een failliete biljartvereniging.
“Een prima naam,” zei Henk altijd. “Mensen houden van duidelijkheid.”
Het was dinsdagmiddag. Half vier. Een uur waarop fatsoenlijke mensen nog aan het werk waren en onverstandige mensen al aan de borrel zaten.
In De Laatste Ronde zaten vijf onverstandige mensen.
Kees de loodgieter stond bij de bar met een moersleutel in zijn achterzak. Hij droeg een blauwe overal die ooit nieuw was geweest, vermoedelijk in de tijd dat mobiele telefoons nog antennes hadden. Zijn grijze haar zat recht overeind, alsof het iedere ochtend opnieuw schrok van de dag.
Aan een tafeltje bij het raam zat Roos, tuinvrouw en weduwe. Zij droeg een jas met aarde op de mouw en een rode sjaal die ze bij iedere gelegenheid omhield. Zelfs bij hittegolven. Roos beweerde dat een goede sjaal een mens beschermde tegen tocht, verdriet en domme mannen.
Naast haar zat Victor, beeldend kunstenaar. Hij had een paarse hoed op, een zijden overhemd en de uitstraling van iemand die voortdurend wachtte tot een fotograaf hem ontdekte.
Aan de andere kant van de tafel zat mr. Willem Veldman, advocaat. Hij was achtenzestig, weduwnaar, zorgvuldig gekamd en gevaarlijk charmant wanneer hij daar zin in had. Hij had een glas witte wijn voor zich staan en een dossier op tafel gelegd.
Dat dossier was leeg.
Tegenover hem zat Marga, kassière bij de supermarkt. Officieel werkte ze nog drie dagen per week. Onofficieel wist ze alles van iedereen die in de wijk woonde. Wie schulden had. Wie een nieuwe liefde had. Wie beweerde geen alcohol te drinken maar op donderdagavond altijd twee flessen sherry afrekende.
Marga nam een slokje van haar jonge jenever.
“Dus,” zei ze. “Wie van jullie heeft die man zijn broek uitgetrokken?”
Het werd stil.
Zelfs de klok boven de bar leek even niet verder te tikken.
Kees keek naar Victor.
Victor keek naar Willem.
Willem keek naar zijn lege dossier.
Roos keek kalm naar iedereen en stak toen een sigaret op.
“Dat hangt ervan af,” zei zij, “over welke man we het hebben.”
Henk, de eigenaar, liet een glas uit zijn hand vallen. Het glas stuiterde op de rubberen mat en bleef heel.
“Niet weer,” mompelde hij.
Marga vouwde haar armen over elkaar.
“Die man ligt achter de coniferen bij het gemeentehuis. Zonder broek. Met alleen een sok aan. En op zijn buik staat met viltstift geschreven: IK HAD NIET MOETEN WEDDEN.”
Kees kuchte.
“Dan weet je in elk geval dat hij het zelf zegt.”
“Het is wethouder De Bruin,” zei Marga.
Nu werd het echt stil.
Wethouder De Bruin was een man met een glanzend hoofd, een hardnekkige glimlach en plannen voor de sloop van het oude wijkje. Hij wilde appartementen bouwen. Luxe appartementen, met glazen balkons en namen als De Linde Residences, hoewel de linde waarvoor het gebouw genoemd werd al jaren dood was.
Ook Café De Laatste Ronde stond op zijn lijst.
Of, zoals De Bruin het had genoemd tijdens een gemeentelijke bijeenkomst: op een interessante ontwikkellocatie.
Roos blies rook richting het plafond.
“Hij wilde onze kroeg slopen.”
“Dat is geen reden om zijn broek te stelen,” zei Henk.
“Niet?” vroeg Roos.
“Nou ja.” Henk dacht even na. “Niet volgens de wet.”
Willem schraapte zijn keel. Zijn stem klonk zoals altijd rustig, zelfs wanneer er een ramp in aantocht was.
“Laten we onderscheid maken tussen wat moreel begrijpelijk is en wat juridisch verstandig is.”
“Dat doe jij altijd,” zei Marga.
“Daar word ik voor betaald.”
“Nee,” zei Marga. “Daar werd je voor betaald. Je bent met pensioen.”
Willem glimlachte. “Daarom doe ik het nu beter.”
Victor zette zijn hoed iets rechter.
“Ik wil slechts zeggen dat ik de tekst op zijn buik bijzonder fraai vind. De letters zijn krachtig. Opstandig. Bijna poëtisch.”
Kees keek hem aan.
“Jij hebt geschreven.”
“Ik ontken niets. Maar ik bevestig ook niets. Dat is een artistiek principe.”
Roos tikte as in een schoteltje.
“Het was een weddenschap,” zei ze.
Henk sloot even zijn ogen. Hij kende die woorden inmiddels. In deze kroeg begonnen de meeste problemen met een weddenschap. Een klein bedrag. Een grote mond. Iemand die zei: dat durf je toch niet.
Vorige maand had Kees gewed dat hij de fontein op het dorpsplein roze kon laten spuiten. Dat was gelukt. Niemand wist nog hoe.
De maand daarvoor had Marga gewed dat zij burgemeester Van Dijk kon verleiden tot een tango. Ook dat was gelukt. De burgemeester had er drie dagen rugpijn aan overgehouden en Marga een bos tulpen.
Maar dit was anders.
Dit ging om De Laatste Ronde.
Om hun tafel bij het raam. Om Henks te zoute bitterballen. Om de oude jukebox die alleen liedjes speelde uit de jaren waarin iedereen jonger, dunner en slechter gekleed was.
Henk pakte een doekje en begon een glas schoon te wrijven dat al schoon was.
“Hoeveel?” vroeg hij zacht.
Roos keek hem aan.
“Vijfhonderd euro.”
“Per persoon?” vroeg Kees.
“Per persoon,” zei Roos.
Henk keek naar het gezelschap. Naar de kalme tuinvrouw, de ijdele kunstenaar, de advocaat met zijn lege dossier, de kassière met haar scherpe ogen en de loodgieter met de moersleutel.
Toen keek hij naar de deur.
Buiten klonk in de verte een sirene.
“Goed,” zei Henk. “Dan is de volgende ronde van mij.”
En voor het eerst in jaren voelde Café De Laatste Ronde niet meer als een café.
Het voelde als een hoofdkwartier.
