De pianiste van Bellavista
Een misdaadroman uit de serie ‘De Geheimen van Zandwijk’
De pianiste van Bellavista, Een verhaal van 22 hoofdstukken, e-book ePub door Sjalotte d’Oignon & Von Zeist
Proloog
De pianiste van Bellavista
De Geheimen van Zandwijk — Deel vijf
Een Mara Witte-mysterie
Door Sjalotte d’Oignon en Von Zeist
Drie uur
Om drie uur ’s nachts speelde de pianiste hetzelfde lied.
Altijd.
Niet om vijf voor drie.
Niet om tien over drie.
Precies om drie uur.
Meneer Van Alst hoorde het voor het eerst op een dinsdag.
Hij was de nachtwaker van Hotel Bellavista. Officieel was het hotel al dertig jaar gesloten. Onofficieel paste hij er sinds twee maanden op, omdat de nieuwe eigenaar de boel wilde verkopen en bang was dat jongeren naar binnen zouden gaan om muren te bespuiten, bier te drinken of “spirituele filmpjes” te maken.
Meneer Van Alst vond dat allemaal even vermoeiend.
Het hotel stond hoog boven de duinen, net buiten Zandwijk. Het had ooit grootse dagen gekend. Mensen kwamen er dansen, kuren, trouwen en doen alsof de zee hun privébezit was.
Nu waren de ramen dichtgetimmerd.
De gangen stoffig.
De lift kapot.
En de piano in de balzaal al dertig jaar niet gestemd.
Toch klonk er iedere nacht muziek.
De eerste keer dacht meneer Van Alst dat het wind was.
De tweede keer dacht hij dat het een telefoon uit zijn broekzak was.
De derde keer wist hij beter.
Het lied begon altijd met drie lage tonen.
Langzaam.
Zwaar.
Alsof iemand op een deur klopte.
Toen volgden lichte noten. Sneller. Hoger. Een melodie die tegelijk mooi en onrustig was.
Meneer Van Alst kende het lied niet.
Maar hij kende de geschiedenis van het hotel.
Iedereen in Zandwijk kende die.
Dertig jaar geleden had pianiste Clara Bellavista tijdens een optreden in de balzaal haar laatste lied gespeeld. Daarna was zij naar haar hotelkamer gegaan.
De volgende ochtend werd ze dood gevonden.
Volgens de krant was het zelfmoord.
Volgens het dorp had ze ruzie gehad met iemand.
Volgens de oude barkeeper had ze die avond gezegd dat ze “niet meer kon spelen voor mensen die liever doof bleven”.
Niemand wist wat ze daarmee bedoelde.
Of niemand wilde het weten.
Meneer Van Alst keek naar zijn wekker.
02.59 uur.
Hij zat in het oude receptiekantoortje met een beker automatenkoffie en een kruiswoordpuzzel. Buiten trok de wind aan de ramen.
“Doe het niet,” zei hij tegen het hotel.
De klok tikte.
03.00 uur.
De eerste lage toon klonk.
Meneer Van Alst sloot zijn ogen.
“Verdomme.”
Hij pakte zijn zaklamp.
De gang naar de balzaal was lang en donker. Zijn schoenen klakten op de stenen vloer. Aan weerszijden hingen vergeelde foto’s van gasten die lachend op het terras stonden.
Bij de dubbele deuren bleef hij staan.
De muziek klonk harder.
Drie lage tonen.
Daarna de snelle, lichte melodie.
Meneer Van Alst duwde de deuren open.
De balzaal was leeg.
Of bijna leeg.
In het midden stond de zwarte piano.
Hij glansde in het bleke licht van de maan. De toetsen bewogen vanzelf.
Meneer Van Alst voelde zijn mond droog worden.
“Hallo?” riep hij.
De muziek stopte.
In de stilte hoorde hij de zee.
Toen zag hij haar.
Een vrouw zat op de pianokruk.
Ze droeg een lange, donkere jurk. Haar haar hing los over haar schouders. Haar rug was naar hem toe gekeerd.
“Meneer,” zei Van Alst. “U mag hier niet zijn.”
De vrouw antwoordde niet.
Hij deed een stap naar voren.
“Mevrouw?”
De vrouw legde haar handen plat op de toetsen.
Toen draaide ze langzaam haar hoofd.
Meneer Van Alst zag geen gezicht.
Alleen donker haar.
En een witte hand die iets op de piano legde.
Een sleutel.
Zwart.
Met een klein label eraan.
KAMER 303
De vrouw stond op.
De lichten in de balzaal flakkerden.
Meneer Van Alst kneep zijn ogen dicht.
Toen hij ze weer opende, was de pianokruk leeg.
De piano stond stil.
De sleutel lag op de zwarte lak.
Buiten sloeg de wind tegen het hotel.
En ergens boven hem, op de derde verdieping, ging een deur open.




