Hoofdstuk 1 – De Eerste Verfspat
De zon hing laag boven de heuvels van Zuid-Frankrijk, alsof ze zelf ook nog even niet naar huis wilde. Ze streek met gouden vingers over de lavendelvelden, over de oude stenen muurtjes en over het gammele bordje aan de poort waarop in sierlijke, maar licht scheve letters stond:
Atelier Von Zeist
Daaronder, kleiner en met paarse verf geschreven:
Wijn proeven op eigen risico.
Markie Von Zeist stond midden op het erf met zijn handen in zijn zij. Zijn donkerblauwe polo was netjes, zijn spijkerbroek minder, en op zijn paarse sneakers zat al sinds vorige zomer een hardnekkige verfspat die hij koppig “een artistiek ongeluk” noemde.
Hij keek naar het huis.
Het huis keek terug.
Tenminste, zo voelde het.
Het was een oud Provençaals pand met luiken in afgebladderd lavendelblauw, een scheve voordeur en een dak waar minstens drie generaties mussen familiefeesten hadden gehouden. Rondom het erf groeide rozemarijn, tijm, wilde bloemen en onkruid dat zich gedroeg alsof het mede-eigenaar was.
“Dit,” zei Markie ernstig, “is geen atelier. Dit is een charmante bouwkundige dreiging.”
Vanachter hem klonk een vrolijke lach.
“Dat is precies wat een atelier moet zijn, Markie.”
Lavendel kwam uit de schuur stappen met een glas rosé in haar ene hand en een kwast in de andere. Haar blonde haar zat in een losse rommelige knot onder een zwarte baret, al was het de vraag of de knot het kapsel was of het gevolg van een kleine storm. Haar oversized zwarte schildersjas zat vol verfspatten in alle kleuren die de hemel vergeten was te gebruiken.
Op haar wang zat een veeg paarse verf.
Dat zat daar al de hele ochtend.
Markie had het haar drie keer gezegd.
Lavendel had drie keer gezegd: “Dat hoort zo.”
Ze wees met haar kwast naar de gevel.
“Zie je dat licht? Dat goud? Dat stukje schaduw onder het balkon? Dit huis wil geschilderd worden.”
“Dit huis wil gestut worden,” mompelde Markie.
Lavendel nam een slok rosé en keek gelukzalig om zich heen.
“Luister nou eens. Hoor je het?”
Markie zweeg.
In de verte tjirpten krekels. Een bij zoemde dronken tussen de lavendel. Ergens achter de olijfbomen balkte een ezel, lang en klagend, alsof hij een mening had over Franse belastingen.
“Dat,” zei Lavendel, “is inspiratie.”
“Dat,” zei Markie, “is de ezel.”
Alsof hij zijn naam gehoord had, kwam de ezel de hoek om sjokken. Hij droeg een strohoed die iets te groot was en schuin over één oor hing. Om zijn rug zat een doek vol verfspatten, en aan weerszijden bungelden tassen. Uit één tas stak een stokbrood, uit de andere drie flessen wijn en een verzameling kwasten.
De ezel bleef voor Markie staan en keek hem aan met de vermoeide wijsheid van een dier dat al te veel kunstenaars had meegemaakt.
“Bonjour, professor,” zei Lavendel.
“Hij heet nog steeds niet professor.”
“Jawel. Kijk naar hem. Hij weet dingen.”
De ezel knipperde traag.
Markie zuchtte. “Hij weet vooral waar de druiven liggen.”
Lavendel liep naar de ezel toe, aaide hem over zijn neus en trok een fles rosé uit de tas.
“Kijk, hij brengt proviand. Dat is karakter.”
“Dat is diefstal uit mijn wijnkist.”
“Een dunne lijn, Markie. Een dunne lijn.”
Ze glimlachte naar hem en op dat moment vergat hij heel even dat het dak lekte, dat de voordeur klemde, dat de waterleiding een geluid maakte alsof er een kleine draak in woonde. Lavendel had dat effect op ruimtes. En op mensen. Ze kwam ergens binnen en plotseling leek alles minder kapot en meer onderweg naar iets moois.
Markie draaide zich weer naar het huis.
“Goed,” zei hij. “Als we hier een boek over gaan schrijven, dan moet hoofdstuk één beginnen met orde.”
Lavendel trok haar wenkbrauwen op. “Orde?”
“Structuur.”
“Saai woord.”
“Een noodzakelijk woord.”
“Wijn is ook noodzakelijk.”
“Niet om tien uur ’s ochtends.”
Lavendel keek naar haar glas. “Het is ergens middag.”
“Dat is geen argument.”
“Het is een filosofie.”
Markie wilde antwoorden, maar op dat moment kwam er over het zandpad een zwarte oldtimer aanrijden. Geen gewone auto. Een lange, glanzende verschijning met chromen details, donkere ramen en een motor die spinde alsof hij net een dure lunch had gehad.
De auto stopte voor de poort.
Een stilte viel over het erf.
Zelfs de ezel keek op.
Het portier ging open.
Eerst verscheen een zwarte hoge hak.
Daarna een tweede.
Toen stapte Lady Alcina uit.
Ze droeg een grote zwarte hoed die haar gezicht half in schaduw hield. Haar blonde haar was opgestoken in een losse, rommelige knot met sierlijke plukken langs haar gezicht. Paarse oorbellen fonkelden in het zonlicht. Haar lippen waren diep paars, haar houding zelfverzekerd, en in haar hand hield ze een glas rode wijn alsof dat de normaalste reisaccessoire ter wereld was.
Ze keek naar het bordje.
Atelier Von Zeist
Daarna naar Lavendel.
Daarna naar Markie.
Toen glimlachte ze.
“Wat een verrukkelijke chaos.”
Lavendel straalde. “Dank je.”
Markie fronste. “Wie bent u?”
Lady Alcina zette één stap naar voren. Haar hak zakte licht weg in het zand, maar ze liet zich daar niet door van haar waardigheid beroven.
“Alcina,” zei ze. “Lady Alcina, als men zich gedraagt.”
“En als men zich niet gedraagt?” vroeg Lavendel nieuwsgierig.
“Dan meestal ook.”
De ezel balkte.
Lady Alcina keek naar hem. “Ah. Jullie hebben personeel.”
“Hij is medeoprichter,” zei Lavendel.
“Hij is een ezel,” zei Markie.
“Dat sluit elkaar niet uit.”
Lady Alcina liep langzaam het erf op en bekeek de schildersezels, de wijnkisten, de stapels doeken, de openstaande deur van het huis en de ladder die tegen de gevel stond maar niemand leek te vertrouwen.
“Dus dit is de plek,” zei ze.
Markie keek scherper. Zijn lichtblauwe ogen werden smal. “Welke plek?”
“De plek waar het schilderij gemaakt gaat worden.”
Lavendel draaide haar hoofd. “Welk schilderij?”
Lady Alcina nam een kleine slok rode wijn. Ze liet de stilte even hangen, niet omdat het moest, maar omdat ze duidelijk iemand was die stiltes als meubelstukken gebruikte.
“Het schilderij,” zei ze, “dat de waarheid gaat onthullen.”
Markie zuchtte diep. “We zijn nog geen uur begonnen en nu hebben we al een waarheid.”
Lavendel klapte verrukt in haar handen. “O, heerlijk! Een geheim!”
“Geen geheim,” zei Lady Alcina. “Een afspraak. Lang geleden gemaakt.”
De zon schoof verder over het erf. Een windvlaag streek door de lavendel en bracht de geur van warme aarde, druivenranken en naderend onheil mee.
Markie voelde het.
Hij had altijd een talent gehad voor problemen. Niet om ze te vermijden, helaas, maar om ze vroeg te herkennen.
“Met wie was die afspraak?” vroeg hij.
Lady Alcina keek naar het huis.
“Met de vorige eigenaar.”
Lavendel trok haar baret recht, waardoor hij juist schever kwam te zitten.
“Die oude schilder?”
“Ja,” zei Lady Alcina. “Monsieur Armand. Hij heeft iets verborgen in dit atelier.”
De ezel zette één stap achteruit, precies op Markies voet.
“Auw.”
Lavendel keek niet eens op. “Wat heeft hij verborgen?”
Lady Alcina glimlachte opnieuw, maar nu zat er iets scherps in.
“Dat weet niemand precies. Sommigen zeggen een fles wijn die nooit geopend mocht worden. Sommigen zeggen een liefdesbrief. Sommigen zeggen een schets van een vrouw die niet ouder werd.”
Markie wreef over zijn voet. “En wat zegt u?”
Lady Alcina keek hem recht aan.
“Ik zeg dat Armand nooit zomaar iets verborg.”
Lavendel keek naar het huis, en voor het eerst die ochtend zei ze niets.
Binnen kraakte iets.
Niet zomaar het gewone kraken van een oud huis dat zich uitrekt in de warmte. Dit was een kort, droog geluid.
Alsof er boven een voetstap werd gezet.
Markie verstijfde.
Lavendel zette haar glas rosé langzaam op een omgekeerde wijnkist.
Lady Alcina glimlachte.
De ezel balkte zacht.
“Er is niemand binnen,” zei Markie.
“Dat,” fluisterde Lavendel, terwijl haar ogen begonnen te glimmen, “is precies wat hoofdstuk één nodig had.”
En toen viel er vanuit het open raam op de eerste verdieping een klodder paarse verf naar beneden.
Splat.
Precies op Markies hoofd.
Een lange stilte volgde.
Lavendel beet op haar lip.
Lady Alcina keek bewonderend.
De ezel niesde.
Markie sloot zijn ogen.
Heel langzaam droop de paarse verf langs zijn voorhoofd, over één wenkbrauw en langs zijn lange neus naar beneden.
Lavendel pakte haar kwast.
“Niet bewegen,” zei ze zacht. “Dit licht is fantastisch.”
Markie opende één oog.
“Lavendel…”
“Ja, Markie?”
“Als dit het begin is van ons boek…”
Ze glimlachte.
“Dan wordt het prachtig.”
Boven hen kraakte het huis opnieuw.
En ergens achter het raam, in de schaduw van het oude atelier, leek iemand heel zacht te lachen.