De goede kant

Noor hield niet van mensen die binnenkwamen met hun gezicht al klaar.

Ze zag het meteen.

Nog voordat iemand haar studio goed en wel had betreden, nog voordat de jas uitging of de tas op een stoel belandde, had het gezicht zich al geschikt naar de verwachting van de lens. Lippen een fractie voller. Kin iets omlaag. Ogen net te groot. Schouders schuin, alsof het lichaam per ongeluk in een voordelige houding was gevallen.

Noor noemde het in stilte: de goede kant.

Iedereen had er een.
Iedereen geloofde erin.
En iedereen loog ermee.

Haar studio lag op de tweede verdieping van een oud pand aan een smalle straat waar fietsen altijd tegen elkaar leken te fluisteren. Beneden zat een bakker die te vroeg opstond en te veel kaneel gebruikte. Daardoor rook Noors werkruimte elke ochtend naar warm deeg, donkere koffie en een soort huiselijkheid die ze nooit had besteld, maar wel verdroeg.

Het licht was er goed. Niet perfect — perfect licht maakte mensen lui — maar goed genoeg om mee te vechten. Grote ramen op het noorden, witte muren met hier en daar krassen, een houten vloer die kraakte onder hakken, laarzen, twijfels en ego’s.

Aan de muur hingen geen glamourportretten. Geen lachende bruiden, geen gladde modellen met natte lippen, geen acteurs die deden alsof ze diepzinnig waren.

Er hingen handen.

Een oude mannenhand met een pleister om de duim.
De vingers van een pianiste, krom en gespannen boven haar schoot.
Een kindervuistje dat een steentje vasthield alsof het een edelsteen was.
Twee handen die elkaar net niet raakten.

Mensen vroegen vaak waarom.

Noor antwoordde dan: “Omdat handen minder liegen.”

Dat was niet helemaal waar. Handen konden ook liegen. Ze konden elegant worden neergelegd, dramatisch gevouwen, achteloos door haar gestoken. Maar handen verraadden eerder vermoeidheid. Verlangen. Onzekerheid. Honger. Schaamte.

Gezichten waren ijdeler.

Die ochtend had ze een afspraak met een vrouw die haar eigen portret nodig had voor een website. Coach, stond in de mail. Transformatiebegeleider voor vrouwelijke leiders. Noor had de woorden drie keer gelezen en toen besloten dat ze koffie nodig had.

De vrouw heette Renée en kwam tien minuten te laat binnen alsof dat onderdeel was van haar merk.

Ze droeg een beige pak, een zijden blouse en een glimlach die waarschijnlijk in verschillende tarieven beschikbaar was. Haar haar was zorgvuldig los, haar huid zorgvuldig natuurlijk, haar oorbellen zorgvuldig duur.

“Wat een heerlijke ruimte,” zei Renée, terwijl ze om zich heen keek zonder werkelijk iets te zien.

“Dank je,” zei Noor.

“Ik wil iets echts,” vervolgde Renée meteen. “Geen standaard zakelijk portret. Iets authentieks.”

Noor knikte.

Authentiek was het woord dat mensen gebruikten wanneer ze bedoelden: maak me mooier, maar zorg dat niemand ziet dat ik daarom gevraagd heb.

“Wat wil je uitstralen?” vroeg Noor.

Renée glimlachte breder. Daar was hij. De goede kant. Linkerwang naar voren, kin iets schuin, ogen warm maar niet kwetsbaar.

“Kracht. Zachtheid. Vrijheid. Een beetje mysterie misschien.”

“Natuurlijk.”

“En toegankelijkheid.”

“Ook dat.”

“Maar niet te toegankelijk.”

“Nooit.”

Renée lachte. Noor ook, precies genoeg.

Ze liet haar klant plaatsnemen op een houten kruk bij het raam. Het ochtendlicht gleed over het beige pak en maakte het minder zeker van zichzelf.

“Draai iets naar links,” zei Noor.

Renée draaide naar haar goede kant.

“Nee,” zei Noor. “Andere links.”

Een kleine aarzeling. Bijna niets. Maar Noor zag haar.

Renée gehoorzaamde, nu met de kant die ze blijkbaar niet vertrouwde. Haar mond werd smaller. Haar hand ging naar haar hals, alsof daar iets los zat.

“Laat je hand zakken.”

“Zo?”

“Nee. Echt zakken.”

De hand viel in haar schoot. De glimlach bleef hangen, maar begon moe te worden.

Noor keek door de camera. Ze wachtte. Niet op schoonheid. Schoonheid was goedkoop; je kon haar maken met licht, hoek en geduld. Noor wachtte op het moment waarop iemand vergat wat hij wilde uitstralen.

“Vertel eens iets wat niet op je website staat,” zei ze.

Renée knipperde. “Pardon?”

“Je wilt iets echts.”

“Ik dacht meer aan een echte uitstraling.”

“Uitstraling is vaak de verpakking van angst.”

Renée keek haar aan. Even verdween de coach, de leider, de vrouw die vrijheid en mysterie verkocht in pakketten van drie maanden.

“Dat is nogal een uitspraak.”

“Daarom staat hij ook niet op míjn website.”

Er ging iets door Renées gezicht. Irritatie, waarschijnlijk. Misschien interesse. Misschien allebei.

Noor maakte de eerste foto.

De klik vulde de ruimte.

Renée schrok bijna.

“Wacht, ik was nog niet—”

“Precies.”

Noor keek naar het schermpje van haar camera. Daar was ze. Niet mooier dan ze had gehoopt, maar menselijker. Eén seconde zonder controle, één seconde waarin haar gezicht niet probeerde te winnen.

“Die verwijderen we toch wel?” vroeg Renée.

“Misschien.”

“Misschien?”

Noor liet haar de foto niet zien. Nog niet. Mensen wilden te snel zichzelf keuren. Alsof ieder beeld langs een innerlijke rechtbank moest voordat het bestaansrecht kreeg.

“Ontspan je mond,” zei Noor.

“Ik ben ontspannen.”

“Je mond niet.”

Renée zuchtte. “Jij bent direct.”

“Mijn camera is erger.”

Dat werkte. Renée lachte, niet mooi, maar echt. Haar schouders zakten. Haar ogen knepen heel even samen. Noor maakte drie foto’s achter elkaar.

Klik.
Klik.
Klik.

Daar was iets. Niet de transformatiebegeleider. Niet de vrouwelijke leider. Gewoon een vrouw die misschien moe was van het dragen van haar eigen belofte.

“Je bent goed,” zei Renée, zachter.

“Noem me dat pas als je de foto’s hebt gezien.”

“Laat eens.”

“Nee.”

“Waarom niet?”

“Omdat je jezelf dan weer gaat redden.”

Renée zei niets. Buiten reed een scooter voorbij. Beneden ging de deur van de bakker open; een golf kaneel klom naar boven alsof zelfs de straat wilde troosten.

“Hoe bedoel je, redden?” vroeg Renée na een tijdje.

Noor liet de camera zakken.

“Je gaat zoeken naar wat je kent. De goede kant. Het bekende gezicht. De versie waarvan je zeker weet dat anderen haar accepteren. En alles wat daarbuiten valt, keur je af voordat het iets mag betekenen.”

Renée keek naar haar handen.

“Doe jij dat niet?” vroeg ze.

De vraag kwam onverwacht precies aan.

Noor glimlachte, maar minder snel dan anders.

“Ik sta achter de camera.”

“Dat is geen antwoord.”

“Nee.”

Even keken ze elkaar aan. Twee vrouwen in een kamer vol licht, ieder met haar eigen manieren om niet gezien te worden.

Toen trilde Noors telefoon op de tafel.

Ze negeerde het.

Nog een trilling.

Renée trok een wenkbrauw op. “Mag hoor.”

“Het is vast Livia,” zei Noor.

“Dan mag het zeker.”

Noor pakte het toestel. Op het scherm stond inderdaad:

Livia
NOODGEVAL.

Daaronder:

Oké geen noodgeval maar wel bijna.
Bel me.
Of beter: kom vanavond naar de opening.
Er komt een journalist.
Met ogen.
En waarschijnlijk handen.
Je houdt van handen.

Noor staarde naar het scherm.

Renée boog iets naar voren. “Klinkt als een vriendin.”

“Een natuurramp met lippenstift.”

“Leuk soort vriendin.”

“Voor mensen met een sterk dak, ja.”

Noor legde de telefoon weer weg, maar het bericht bleef in haar hoofd hangen. Een opening. Een journalist. Ogen. Handen.

Ze had geen zin in openingen.

Openingen waren kamers vol mensen die net deden alsof kunst hen raakte, terwijl ze vooral wilden weten wie er keek. Iedereen stond met een glas in de hand en een gezicht op halve kracht, klaar om vastgelegd te worden. Niet omdat ze het moment wilden bewaren, maar omdat afwezigheid tegenwoordig verdacht was. Als je niet op beeld stond, was je er misschien niet geweest.

En toch.

Livia wist hoe ze aas moest uitgooien.

Met ogen.
En waarschijnlijk handen.

Noor haatte zichzelf een beetje omdat ze nieuwsgierig werd.

“Denk aan iets wat je niet wilt vertellen,” zei ze tegen Renée.

“Wat?”

“Niet vertellen. Alleen eraan denken.”

Renées mond ging open voor protest, maar bleef toen stil. Haar blik gleed weg naar het raam. Daar, heel even, viel iets van haar af. Geen pose. Geen verhaal. Alleen een vrouw die een herinnering voelde.

Noor tilde de camera.

Klik.

Ze wist meteen dat het de beste foto van de ochtend was.

Renée voelde het ook. Dat was het gevaarlijke van echte foto’s: zelfs als je ze nog niet had gezien, wist je lichaam al dat er iets gestolen was.

“Wat zag je?” vroeg ze.

“Noem het geen stelen,” zei Noor.

“Ik noemde het niet zo.”

“Nog niet.”

Renée keek haar onderzoekend aan. “Je maakt mensen een beetje naakt, hè?”

Noor voelde een glimlach in haar mondhoek.

“Alleen boven de schouders.”

“Dat geloof ik niet.”

Nee, dacht Noor. Dat geloofde zij zelf ook niet.

Sommige mensen kleedden zich voor de camera juist uit zonder één knoop los te maken. Anderen bleven dichtgeritst tot in hun pupillen. En soms — zelden — was er iemand die vergat waar de stof eindigde en de huid begon.

Daarvoor deed ze het.

Niet voor mooie foto’s.
Voor dat vergeten.

Na de sessie liet Noor Renée drie beelden zien. Niet de veilige. Niet de eerste die Renée zelf gekozen zou hebben. De echte.

Renée zweeg lang.

“Mijn neus lijkt groter,” zei ze uiteindelijk.

“Ja.”

“Dat hoor je niet te zeggen.”

“Maar hij zit wel aan je gezicht.”

Renée schoot in de lach. Daarna keek ze weer naar het scherm. Haar lach verdween niet helemaal, maar werd kleiner. Warmer.

“En ik lijk… ouder.”

“Ook dat.”

“Vermoeider.”

“Misschien.”

“Maar ook aardiger.”

Noor knikte. “Dat vooral.”

Renée slikte. Haar vingers raakten het scherm niet aan, alsof de vrouw op de foto kon terugdeinzen.

“Mijn klanten verwachten kracht.”

“Misschien zijn ze moe van kracht.”

Dat bleef hangen.

Toen knikte Renée langzaam. “Deze wil ik.”

“Natuurlijk wil je deze.”

“Arrogant.”

“Meestal.”

Renée betaalde, trok haar beige jas aan en stond bij de deur nog even stil.

“Mag ik iets vragen?”

“Je doet het toch.”

“Wie fotografeert jou?”

Noor keek naar de camera in haar hand.

“Niemand.”

“Dat dacht ik al.”

De deur viel achter haar dicht.

Noor bleef alleen achter in het kaneellicht.

Ze ruimde de kruk op, zette de geheugenkaart veilig weg en liep naar het raam. Beneden stond Renée op de stoep met haar telefoon in haar hand. Ze hield hem omhoog, kantelde haar hoofd, zocht haar goede kant terug. Even leek ze een selfie te gaan maken.

Toen aarzelde ze.

Ze liet haar telefoon zakken.

Noor glimlachte.

Kleine overwinningen telden ook.

Haar eigen telefoon trilde opnieuw.

Livia:
Je komt vanavond.
Zeg niet nee.
Ik heb je naam al op de lijst gezet.
En ik draag die zwarte jurk waar jij jaloers op bent.

Noor typte:

Ik ben niet jaloers op een jurk.

Livia antwoordde meteen:

Je bent jaloers op wat de jurk meemaakt.

Noor lachte hardop, tegen haar zin.

Daarna kwam er nog een bericht.

Opening van Milo Vermeer. Die influencer met die klif-video. Heel gedoe. Expositie heet: IK WAS HIER. Tragisch, hè? Kom alsjeblieft. Er komt ook ene Elias. Journalist. Heeft ooit dat stuk geschreven over mensen die sterven voor hun laatste foto.

Noors glimlach verdween.

Milo Vermeer kende iedereen inmiddels. Niet echt, natuurlijk. Niemand kende iemand echt van een scherm. Maar zijn gezicht was overal geweest: knap, jong, verward beroemd. Een jongen met te witte tanden, te veel volgers en een bijna-val bij een rotsrand die miljoenen keren bekeken was.

Bijna-val.

Dat was hoe de media het noemden. Alsof het een genre was.

Hij had het overleefd. Iemand anders, een meisje uit zijn team, niet. Er waren tegenstrijdige verhalen. Een uitglijder. Een stunt. Een misverstand. Een telefoon die was blijven filmen nadat zij uit beeld verdween.

Noor had de video nooit willen zien.

Wel had ze screenshots gezien, ongevraagd. Stilstaande beelden van paniek die door duizenden mensen waren gedeeld onder woorden als heftigbizarkijk danniet normaal.

Niet normaal.

Alsof normaal nog ergens veilig op een stoel zat.

Noor keek naar haar camera.

IK WAS HIER.

Ze vond de titel walgelijk. En slim. En misschien precies daarom walgelijk.

Ze wilde niet gaan.

Dus wist ze dat ze waarschijnlijk zou gaan.

’s Avonds, na een te lange douche en drie mislukte pogingen om zich niet zorgvuldig aan te kleden, stond Noor voor de spiegel in haar slaapkamer. Ze droeg zwart. Niet omdat ze naar een opening ging, zei ze tegen zichzelf, maar omdat zwart praktisch was. Zwart stelde geen vragen. Zwart maakte niemand beloftes.

Haar haar liet ze los. Daarna vast. Daarna weer los.

Ze keek naar haar gezicht.

Niet te veel make-up.
Wel genoeg om te doen alsof ze geen moeite had gedaan.

Haar telefoon lag op het bed. Eén beweging en ze kon zichzelf fotograferen. Controleren. Goedkeuren. Weten hoe ze eruitzag voordat anderen het deden.

Ze pakte het toestel.

Het scherm werd wakker. Haar eigen gezicht verscheen in de donkere weerspiegeling voordat de camera openging: half zichtbaar, half schaduw. Een vrouw die wist hoe ze moest kijken om niet betrapt te worden.

Ze hield het toestel iets hoger.

Haar kin veranderde. Haar ogen ook. Een betere versie verscheen onmiddellijk, gehoorzaam als een getrainde hond.

Noor staarde naar zichzelf.

Toen drukte ze het scherm uit.

“Belachelijk,” mompelde ze.

Maar haar hart klopte net iets te snel.

Niet vanwege Livia. Niet vanwege Milo Vermeer. Niet vanwege een opening waar iedereen zou doen alsof hij niet gezien wilde worden.

Door die ene naam misschien.

Elias.

Ze kende zijn werk. Zijn stukken waren niet vriendelijk, maar ook niet goedkoop hard. Hij schreef alsof hij naast de gebeurtenis stond en tegelijk ergens anders pijn had. Jaren geleden had hij een essay gepubliceerd over een jongen die omkwam tijdens het maken van een foto op een spoorbrug. De titel was ze nooit vergeten:

Wij kijken terug omdat hij dat niet meer kan.

Ze had het artikel gehaat.

En uitgeknipt.

Het lag nog ergens in een lade, onder oude contactafdrukken en een ansichtkaart van een vrouw die ze bijna had liefgehad, maar niet dapper genoeg.

Noor deed parfum op haar polsen. Eén druppel te veel. Ze wreef ze niet tegen elkaar; dat had Livia haar ooit verboden alsof het een oorlogsmisdaad was.

Beneden op straat was de avond nat en glanzend. De stad hield van regen omdat alle lichten dan belangrijker leken. Noor stapte op haar fiets en reed door straten vol ramen waarin mensen bewogen als scènes uit films zonder geluid.

Bij de galerie stonden al mensen buiten.

Natuurlijk stonden ze buiten.

Niet om te roken, niet echt. Niet om frisse lucht. Ze stonden daar omdat de ingang de beste plek was om gezien te worden terwijl je aankwam.

Livia zag haar meteen.

Dat was een van haar talenten: mensen zien voordat ze konden ontsnappen.

“Noor!” riep ze.

Ze droeg inderdaad de zwarte jurk. Het soort jurk dat niet schreeuwde, maar langzaam een kamer overnam. Haar rode haar was opgestoken, behalve de plukken die zogenaamd toevallig langs haar hals vielen. Niets aan Livia was toevallig, behalve misschien haar geweten.

Ze kuste Noor op beide wangen en hield haar daarna op armlengte.

“Je ziet eruit alsof je niet wilde komen.”

“Dat wilde ik ook niet.”

“Perfect. Dat staat je goed.”

“Jij ziet eruit alsof je problemen gaat veroorzaken.”

“Dat wil ik ook.”

Binnen was het warm. Te warm. Witte muren, zwarte lijsten, glazen wijn, stemmen die tegen elkaar schuurden. Aan de wanden hingen grote foto’s: bergpassen, daken, tunnels, verlaten zwembaden, hotelkamers met verfrommelde lakens. Steeds ergens in beeld Milo. Soms groot, soms klein, soms alleen als schaduw in glas.

IK WAS HIER.

Onder één foto stond hij op de rand van een parkeergarage, armen wijd, stad onder hem. Zijn gezicht naar de camera gedraaid, lachend alsof zwaartekracht een mening was.

Noor voelde een afkeer die te lichamelijk was om professioneel te noemen.

“Subtiel,” zei ze.

Livia gaf haar een glas wijn. “Drink.”

“Ik werk niet voor je.”

“Nog niet.”

“Wat betekent dat?”

“Dat ik Milo heb verteld dat jij misschien zijn portret moet maken.”

Noor draaide langzaam haar hoofd naar haar vriendin.

“Livia.”

“Hij heeft iemand nodig die hem niet mooier maakt.”

“Daar heeft hij therapie voor nodig.”

“Ook, maar die fotografeert minder goed.”

Noor nam een te grote slok wijn.

“Waarom zou ik dat doen?”

“Omdat je nieuwsgierig bent.”

“Ik ben geïrriteerd.”

“Bij jou is dat hetzelfde, maar met betere schoenen.”

Noor wilde antwoorden, maar toen veranderde iets in de ruimte. Niet zichtbaar voor iedereen misschien, maar zij merkte het. Een kleine verschuiving in aandacht. Een paar hoofden draaiden. Livia’s ogen lichtten op.

“Ah,” zei ze. “Met ogen.”

Noor volgde haar blik.

De man die binnenkwam droeg geen poging tot indrukwekkendheid. Dat viel op tussen mensen die hun nonchalance zorgvuldig hadden gestreken. Donker haar, iets te lang alsof hij kappers wantrouwde. Een grijze jas met regen op de schouders. Geen glimlach voor de kamer. Geen snelle scan om te zien wie hem zag.

Hij keek naar de foto’s.

Echt keek.

Zijn gezicht was niet knap op de eenvoudige manier waarop Milo’s gezicht knap was. Het was interessanter dan dat. Alsof vermoeidheid en aandacht samen besloten hadden er te blijven wonen. Zijn handen waren leeg, behalve een notitieboekje dat half uit zijn jaszak stak.

Noor zag eerst zijn handen.

Natuurlijk.

Lange vingers. Een kleine snee bij de knokkel van zijn duim. Geen ring. Inktvlekje aan de zijkant van zijn middelvinger.

Livia boog naar haar toe.

“Dat is Elias.”

Noor nam nog een slok wijn, kleiner dit keer.

“Hij heeft inderdaad handen.”

“Zei ik toch.”

“Hou op.”

“Jij begon met kijken.”

Elias bleef staan voor de foto van Milo op de rand van de parkeergarage. Zijn hoofd kantelde nauwelijks. Geen afkeuring. Geen bewondering. Iets anders. Iets zwaarders.

Toen draaide hij zich om.

Zijn blik vond Noor niet meteen. Hij gleed langs mensen, langs glazen, langs glimlachen die op hem afgevuurd werden. Pas toen Livia haar hand opstak, keek hij hun kant op.

En daar gebeurde iets vervelends.

Niet groot. Niet filmisch. Geen muziek, geen stilvallende zaal.

Alleen een seconde waarin Noor vergat haar gezicht klaar te zetten.

Elias zag het.

Dat wist ze.

Zijn ogen bleven net lang genoeg op haar rusten om onbeleefd te zijn als hij minder rustig was geweest.

Livia glimlachte als iemand die een lucifer bij droog gras hield.

“Elias,” zei ze toen hij bij hen stond. “Dit is Noor. De fotograaf over wie ik je vertelde.”

“Niet geloven wat ze zei,” zei Noor.

Elias keek haar aan. “Alles niet, of alleen het lovende deel?”

Zijn stem was laag zonder moeite. Een stem die geen kamer wilde vullen, maar toch bleef hangen.

“Vooral het deel waarin ik aangenaam gezelschap ben.”

“Dat had ze inderdaad niet gezegd.”

Livia lachte.

Noor keek hem scherper aan dan nodig was. Hij ving het op zonder zich te verdedigen.

“Elias van Rijn,” zei hij.

“Noor.”

“Alleen Noor?”

“Voor mensen die ik net ontmoet wel.”

Er trok iets langs zijn mond. Geen glimlach. De gedachte eraan.

“Duidelijk.”

Livia keek van de een naar de ander en genoot zichtbaar. “Ik ga doen alsof ik iemand moet begroeten.”

“Livia,” zei Noor waarschuwend.

“Wat? Netwerken is ook werken.”

Ze verdween in de menigte met de souplesse van een vrouw die wist dat haar rug bekeken werd.

Noor en Elias bleven naast elkaar staan. Te dicht bij de foto van Milo. Te dicht bij elkaar ook, misschien, maar dat kon aan de drukte liggen.

“Je bent fotograaf,” zei Elias.

“Dat zei Livia net.”

“En toch wilde ik het van jou horen.”

“Waarom?”

“Omdat mensen anders klinken wanneer ze hun eigen beroep zeggen.”

“Noor, fotograaf,” zei ze droog. “Tevreden?”

“Bijna.”

Ze haatte dat hij niet geïntimideerd raakte. Ze haatte nog meer dat ze het prettig vond.

“En jij bent journalist,” zei ze. “Of schrijver, afhankelijk van hoeveel ijdelheid er in de kamer hangt.”

“Vanavond journalist. Morgen misschien schrijver.”

“Handig.”

“Soms laf.”

Dat was eerlijker dan ze verwachtte. Ze keek hem opnieuw aan. Van dichtbij zag ze dat hij moe was. Niet slaperig, maar alsof sommige beelden zich achter zijn ogen hadden genesteld en huur weigerden te betalen.

“Wat vind je van de expositie?” vroeg hij.

Noor keek naar de foto van Milo.

“Ik vind dat hij vaak bijna doodgaat in goede compositie.”

Elias ademde door zijn neus uit. Bijna een lach.

“Dat ga ik misschien citeren.”

“Dan ontken ik het.”

“Waarom?”

“Omdat het te aardig klinkt.”

Nu glimlachte hij wel.

Het stond hem niet mooier. Beter.

“En jij?” vroeg Noor. “Wat vind jij?”

Hij keek weer naar de foto. Milo’s armen wijd. De stad diep onder hem. Een lichaam als uitroepteken tegen de lucht.

“Ik weet nog niet of dit biecht is of reclame.”

Noor voelde iets in haar borst verschuiven.

“Misschien is dat tegenwoordig hetzelfde.”

“Misschien.”

Een groepje mensen naast hen hief telefoons omhoog. Milo was ergens verschenen; er ging een kleine golf van opwinding door de ruimte. Schermen lichtten op als kaarsen in een omgekeerde kerk.

“Daar is hij,” fluisterde iemand.

Noor zag Milo bij de achterwand staan. Jonger dan op de foto’s. Of misschien juist ouder door wat er achter zijn ogen schaduwde. Hij glimlachte automatisch naar iedereen die een camera ophief. Zijn lichaam kende de bewegingen: kin, kaaklijn, schouder, lach.

De goede kant.

Zelfs rouw had tegenwoordig een goede kant, dacht Noor.

Een meisje naast hen draaide haar telefoon naar zichzelf, Milo vaag op de achtergrond.

“Even een selfie met hem achter me,” zei ze tegen haar vriendin.

Noor voelde haar mond vertrekken.

Elias hoorde het ook. Hij keek niet naar het meisje, maar naar Noor.

“Je gezicht,” zei hij.

“Wat is daarmee?”

“Het zei net een heel essay.”

“Dan hoef jij het niet meer te schrijven.”

“Jammer. Ik had al een titel.”

“Laat me raden. De val van het zelfbeeld.”

“Te academisch.”

Ik, iker, ikst?”

“Te grappig.”

Hou je telefoon recht als je sterft?”

Zijn glimlach verdween.

Noor wist onmiddellijk dat ze iets had geraakt.

Niet expres. Niet helemaal.

“Sorry,” zei ze.

Elias keek naar zijn handen. Zijn duim streek langs het inktvlekje op zijn vinger.

“Hoeft niet.”

“Dat betekent meestal van wel.”

Hij keek op. “Ja.”

Tussen hen in viel een stilte die niet ongemakkelijk was, maar wel gevaarlijk. Het soort stilte waarin mensen per ongeluk eerlijk kunnen worden.

Aan de andere kant van de zaal begon Milo te spreken. Hij bedankte de galerie, zijn team, zijn volgers, iedereen die hem had gesteund na “het incident”. Hij gebruikte dat woord. Incident. Alsof een lichaam dat uit beeld verdween een koffievlek was.

Noor luisterde maar half. Haar aandacht bleef bij de man naast haar, bij de spanning in zijn kaak, bij de manier waarop hij niet naar Milo keek toen die het over verlies had.

“Je was erbij,” zei ze zacht.

Elias bewoog niet.

“Bij de klif.”

Nu keek hij wel naar haar.

“Livia praat veel.”

“Dat doet ze als ze zenuwachtig is, enthousiast is of ademt.”

“Ja,” zei hij. “Ik was erbij.”

Noor wilde vragen wat er gebeurd was. Niet als sensatie, niet als roddel. Maar de vraag stond lelijk in haar mond. Ze slikte hem in.

Elias zag ook dat.

“Dank je,” zei hij.

“Waarvoor?”

“Dat je het niet vraagt.”

Ze knikte.

Milo’s stem trilde even. De zaal werd zachter. Iemand legde een hand op zijn schouder. Drie telefoons zoomden in.

Noor keek weg.

“Daar kan ik dus niet tegen,” zei ze.

“Waartegen precies?”

“Dat verdriet pas echt lijkt wanneer het bruikbaar is.”

Elias keek naar haar alsof hij een zin vond die hij had willen schrijven.

“Maak jij nooit bruikbare beelden van verdriet?”

“Jawel,” zei Noor. “Daarom kan ik er niet tegen.”

Hij nam dat in zich op. Geen snelle reactie, geen slim antwoord. Dat beviel haar tegen haar zin.

Een ober kwam langs met glazen. Elias pakte er twee, gaf er één aan haar. Zijn vingers raakten de hare niet. Bijna niet.

Toch voelde Noor het in haar pols.

Belachelijk, dacht ze opnieuw.

“Op bruikbaar verdriet,” zei hij.

“Daar drink ik niet op.”

“Waarop dan?”

Noor keek door de zaal. Naar Milo, gevangen in zijn eigen tentoonstelling. Naar de mensen die hem wilden aanraken via pixels. Naar Livia die met iemand praatte maar ondertussen hen in de gaten hield. Naar haar eigen weerspiegeling in het donkere raam: een vrouw met een glas wijn, zwarte kleding, los haar, en naast haar een man die te goed keek.

Ze hief haar glas een klein beetje.

“Op momenten die niemand vastlegt.”

Elias tikte zijn glas tegen het hare.

“Die zijn zeldzaam.”

“Daarom.”

Ze dronken.

Even gebeurde er niets bijzonders.

Geen foto.
Geen bewijs.
Geen scherm.

Alleen het zachte geluid van glas, de warmte van wijn, de geur van regen in zijn jas en de merkwaardige gewaarwording dat de ruimte om hen heen iets kleiner was geworden.

Toen verscheen Livia plotseling naast hen met haar telefoon in de hand.

“Jullie staan hier veel te literair te doen,” zei ze. “Kom op. Eén foto.”

“Nee,” zei Noor meteen.

“Jawel. Voor mij.”

“Zeker niet.”

Livia richtte de camera al. “Geen selfie, rustig maar. Jullie hoeven jezelf niet vast te houden. Ik doe het.”

Elias keek naar Noor.

Noor keek terug.

“Een foto van ons?” vroeg hij.

“Niet van ons,” zei Noor. “Wij kennen elkaar net.”

Livia zuchtte. “Dan een bewijsje van vijandige chemie.”

“Dat past niet in je album.”

“In mijn album past alles met goede belichting.”

Noor wilde weglopen, maar Elias bleef staan. Niet poserend. Niet vragend. Gewoon aanwezig. Dat was erger.

“Eén,” zei Livia.

“Noor?” vroeg Elias.

Het was irritant netjes dat hij haar toestemming vroeg.

Ze had nee moeten zeggen.

In plaats daarvan rolde ze met haar ogen. “Eén. En als je hem ergens plaatst, vermoord ik je professioneel.”

“Liefie,” zei Livia. “Ik ben discreet als een biechtstoel met wifi.”

“Noem het geen liefie.”

“Dan noem ik het een bijna-kennismakingsding.”

“Maak nou maar.”

Livia hief haar telefoon.

Noor voelde onmiddellijk de oude reflex. Kin. Mond. Goede kant.

Ze vocht ertegen.

Naast haar bewoog Elias niet naar zijn beste versie. Hij keek niet in de lens. Hij keek naar haar.

“Je moet naar de camera kijken,” zei Noor zacht.

“Moet dat?”

Op dat moment drukte Livia af.

Het flitsje was klein. Bijna verontschuldigend.

Noor wist dat ze op de foto niet keek zoals ze wilde. Ze wist dat haar gezicht half op weg was tussen verweer en lach, tussen irritatie en iets zachters dat ze niet van plan was geweest te laten zien.

“Perfect,” zei Livia.

“Laat zien,” zei Noor.

“Nee.”

Noor verstijfde. “Pardon?”

“Je gaat jezelf redden.”

Elias keek naar haar met net genoeg verbazing om te verraden dat hij de echo begreep zonder de oorsprong te kennen.

Livia stopte haar telefoon in haar decolleté.

“Daar ga je niet zoeken,” zei ze.

“Nooit vrienden worden met exhibitionisten,” zei Noor tegen Elias.

“Te laat?”

“Veel te laat.”

Milo’s stem stierf weg. Er werd geklapt. Telefoons gingen omlaag en meteen weer omhoog. De avond schoof verder, de zaal werd luider, de wijn warmer, de blikken minder voorzichtig.

Maar ergens in Livia’s telefoon bestond nu een beeld waarop Noor zichzelf nog niet had goedgekeurd.

En erger nog: Elias stond erop.

Niet als achtergrond.
Niet als decor.
Niet als bewijs dat ze ergens was geweest.

Gewoon naast haar.

Alsof dat iets betekende.

Noor nam nog een slok wijn en deed alsof ze niet voelde dat het misschien al begonnen was.