Milo

Mijn moeder zegt dat je een uitvinding pas mag verkopen wanneer je hem zelf zonder hulp kunt gebruiken.

Dat vond ik altijd een wat beperkte kijk op vooruitgang.

Volgens die regel zouden vliegtuigen nooit zijn begonnen. Of computers. Of die zelfscan bij de supermarkt, waar ik nog steeds regelmatig word toegesproken door een boze vrouwenstem omdat ik mijn paprika te enthousiast op de weegschaal leg.

De Braphone werkte prima.

Meestal.

En als hij niet werkte, werkte hij vaak op een manier die ook interessant was. Een keer had prototype drie verbinding gemaakt met de babyfoon van mijn bovenburen. Ik had daardoor een kwartier lang meegekregen dat kleine Jip niet wilde slapen, omdat zijn knuffel “raar keek”.

Dat was geen storing.

Dat was een onverwachte luisterervaring.

Op de markt was het inmiddels half tien. Mijn spandoek hing nog steeds scheef, maar het hing. Dat vond ik een overwinning. Ik had één Braphone verkocht aan een vrouw die eigenlijk alleen vroeg waar de toiletten waren.

Ze heette mevrouw Van Dongen. Dat wist ik, omdat ze haar naam hardop zei terwijl ze haar pinpas terug in haar portemonnee stopte.

“Mevrouw Van Dongen,” had ze gezegd, “is niet iemand die zomaar een beha koopt met geluid erin.”

Ik had geknikt.

“Dat snap ik. Mevrouw Van Dongen klinkt als iemand die eerst alle technische specificaties wil horen.”

“Mevrouw Van Dongen,” zei ze, “koopt hem voor haar dochter.”

Dat was iets minder goed nieuws.

“Hoe oud is uw dochter?”

“Zesendertig.”

“Dat is een prima leeftijd voor draadloze vrijheid.”

Ze had me lang aangekeken. Daarna had ze de zwarte Braphone gekocht, maat vijfenzeventig C.

Nu stond ik met mijn armen over elkaar achter mijn kraam. Ik keek naar het lege plekje op tafel waar hij had gelegen.

Eén verkoop.

Dat was niet slecht.

Het was ook niet goed, als je eerlijk rekende. Maar grote dingen begonnen zelden met een rij van mensen die applaudisseerden. Grote dingen begonnen meestal met één persoon die zich afvroeg of hij nog genoeg geld had voor lunch.

Naast mij verkocht Lena haar vierde kaars van de ochtend.

Ze rekende af met een vrouw in een rode regenjas.

“Deze heet: Ik heb vandaag al genoeg gedaan,” zei Lena. “Hij ruikt naar sinaasappel, cederhout en een middag waarop niemand iets van je wil.”

De vrouw hield de pot onder haar neus.

“Die neem ik.”

“Goede keuze.”

“Hij is voor mijn man.”

Lena knikte zonder een spier te vertrekken.

“Dan wens ik u veel sterkte.”

De vrouw lachte en liep weg.

Ik leunde iets naar Lena toe.

“Je verkoopt geur in potten met passief-agressieve etiketten.”

“Klopt.”

“En mensen worden daar blij van.”

“Ook klopt.”

“Ik verkoop een technisch hoogstandje dat een dagelijks probleem oplost.”

Lena keek opzij.

“Welk dagelijks probleem is dat precies?”

“Dat je nooit weet waar je koptelefoon is.”

“Milo.”

“En dat je telefoon altijd onderin je tas zit.”

“Milo.”

“En dat bandjes van bh’s soms—”

“Stop maar.”

Ik zweeg.

Niet omdat ik geen argumenten meer had. Ik had er nog minstens zeven. Maar Lena keek naar me met een blik die duidelijk maakte dat ze zo nodig een kaars kon ontwikkelen met de geur van een dichtgeslagen deur.

Een man met een grijze pet bleef bij mijn kraam staan. Hij had een boodschappentas bij zich waar een prei uitstak.

Hij wees naar de Braphones.

“Zijn dat bh’s?”

“Dat zijn Braphones,” zei ik.

“Dus ja.”

“Ze zijn ook bh’s.”

“Voor vrouwen?”

“Voor iedereen die er eentje wil dragen.”

De man pakte een beige exemplaar voorzichtig op, alsof hij een onbekend dier aaide.

“En wat doet-ie?”

“Hij speelt geluid af. Muziek, podcasts, telefoongesprekken. Via bluetooth. De speakers zitten in de cups verwerkt.”

De man draaide de Braphone om.

“Dan hoor je de radio uit je borsten komen?”

Ik glimlachte.

“Als u het zo zegt, klinkt het bijna ouderwets.”

Lena kuchte. Ik wist zeker dat ze haar lach inhield.

De man dacht er even over na.

“Mijn vrouw luistert altijd naar van die moordpodcasts.”

“Dan is dit ideaal.”

“Waarom?”

“Dan heeft ze haar handen vrij tijdens het koken.”

De man keek naar zijn prei.

“Dat lijkt me juist gevaarlijk.”

Daar had ik geen goed antwoord op.

Hij legde de Braphone terug en liep verder. Twee tellen later hoorde ik hem tegen iemand zeggen: “Ze verkopen hier tegenwoordig alles.”

Ik keek naar Lena.

“Hij was geïnteresseerd.”

“Hij was bang.”

“Angst is ook een vorm van belangstelling.”

“Dat moet je op een T-shirt zetten.”

“Goed idee.”

“Niet doen.”

Ik pakte mijn notitieblokje. Op de eerste bladzijde stond een lijst met ideeën voor de markt. Onder andere:

  • demonstratie met rustige muziek
  • gratis proefluisteren
  • flyer aanpassen
  • misschien minder panterprint

Ik schreef erbij:

  • T-shirt: Angst is ook belangstelling

Lena keek mee.

“Je schrijft dat echt op.”

“De beste ideeën komen onverwacht.”

“Dat geloof ik meteen.”

Op dat moment kwam er een meisje van een jaar of acht bij de kraam staan. Ze droeg gele regenlaarzen, hoewel het niet regende. Haar vader stond iets verderop naar aardbeien te kijken.

Het meisje wees naar een rode Braphone.

“Is dat een geheime superheldenbeha?”

Ik keek haar serieus aan.

“Dat mag ik niet bevestigen.”

Haar ogen werden groot.

“Maar kan hij ook bellen?”

“Ja.”

“En muziek doen?”

“Ja.”

“En kan hij mijn vader laten horen dat ik een hond mag?”

Achter haar draaide de vader zich langzaam om.

Ik legde mijn hand op mijn hart.

“Dat hangt af van de verbinding.”

Het meisje knikte alsof ze dat volledig begreep.

Lena boog zich naar haar toe.

“Je moet voorzichtig zijn,” zei ze. “Milo test alles eerst op zichzelf.”

Het meisje keek naar mij.

“Draag jij er ook een?”

“Voor de wetenschap,” zei ik.

Lena keek me aan.

“Dat is niet waar.”

“Nee,” gaf ik toe. “Maar ik overweeg het.”

Het meisje giechelde. Haar vader kwam erbij staan en nam haar zacht bij de schouder.

“Kom, Saar. We gaan.”

“Papa, ik wil een superheldenbeha.”

“Je hebt al drie T-shirts met glittereenhoorns.”

“Dat is iets heel anders.”

“Dat weet ik.”

Ze verdwenen richting de bloemenkraam.

Ik keek hen na. Daarna keek ik naar mijn Braphones.

“Kinderen begrijpen innovatie nog,” zei ik.

“Kinderen willen ook een pony in de woonkamer,” zei Lena.

“Dat is geen tegenargument.”

Lena draaide een kaars rond op haar tafel. Het etiket was nieuw. Ik had hem eerder nog niet gezien.

VERWARRING, MAAR DAN GEZELLIG.

“Is die voor mij?” vroeg ik.

“Die is voor iedereen die denkt dat ducttape een bouwmateriaal is.”

“Ducttape ís een bouwmateriaal.”

“Voor een korte periode.”

“Alles is tijdelijk, Lena.”

Ze keek me aan. Deze keer lachte ze niet meteen.

“Dat is onverwacht filosofisch voor iemand die een bluetoothbeha verkoopt.”

Ik haalde mijn schouders op.

“Je staat lang genoeg op een markt, dan krijg je vanzelf gedachten.”

“Of koude voeten.”

“Ook dat.”

De wind trok plotseling aan. Mijn spandoek klapperde hard boven ons hoofd.

Toen hoorden we een scheurend geluid.

Lena keek omhoog.

Ik keek omhoog.

Het roze doek liet los.

Niet een klein stukje. Niet voorzichtig.

Het hele spandoek kwam naar beneden.

Het landde precies op mijn kraam.

Een metalen hoek raakte een knopje van de rode Braphone.

Meteen sprong het blauwe lampje aan.

“VERBONDEN MET MILO’S TELEFOON,” zei de Braphone luid.

Daarna begon mijn telefoon te rinkelen.

Op het scherm verscheen één woord.

MAM.

Lena keek naar het scherm. Toen naar mij.

“Neem maar op,” zei ze.

“Waarom?”

“Omdat ik heel graag wil weten of ze denkt dat dit briljant of strafbaar is.”