Hoofdstuk 11 — Rosé bij Maanlicht
De klok van Saint-Véran had één keer geslagen.
Eén heldere toon.
Daarna was de nacht weer dichtgevallen over de ruïne, de lavendelvelden en de oude schuur alsof niemand iets had gehoord.
Maar zij hadden het gehoord.
Lavendel stond roerloos bij de werkbank. De lantaarn was gedoofd, maar het schilderij gaf nog steeds licht. Niet fel. Niet als vuur of zon. Meer als maanlicht dat had geleerd te ademen.
Op de blauwe deur in het doek stond één woord.
Avignon.
Markie Von Zeist staarde ernaar met een uitdrukking die ergens tussen ernstig ongeloof en formele belediging in zat.
“Avignon,” zei hij.
Lavendel knikte langzaam.
“Avignon.”
“Dat is geen antwoord. Dat is een stad.”
Lady Alcina veegde met haar vingertoppen voorzichtig langs haar wangen. Haar make-up was nog altijd indrukwekkend, maar haar ogen verrieden wat het schilderij had losgemaakt. Zij had net gezien hoe haar grootmoeder haar moeder redde. Hoe Isabeau achterbleef. Hoe mensen van vlees en bloed veranderden in schuld, stilte en geschiedenis.
“Avignon was de stad waar Isabeau het bewijs naartoe wilde brengen,” zei ze zacht. “Naar een journalist.”
Delacourt zat nog steeds op de houten kist bij de deur van de schuur. Zijn zilveren wandelstok lag naast hem op de grond. Zonder de stok leek hij minder op een kunsthandelaar en meer op een man die eindelijk niet meer wist welke rol hij moest spelen.
“Niet alleen een journalist,” zei hij.
Markie draaide zich naar hem.
“Natuurlijk niet. Het zou ook te eenvoudig zijn als er één journalist was die toevallig nog een archiefdoos had liggen met ‘oplossing mysterie’ erop.”
Delacourt keek vermoeid op.
“Er was een drukkerij in Avignon. Klein, onafhankelijk. Imprimerie du Papillon Noir. De Zwarte Vlinder. Ze drukten pamfletten, politieke stukken, aanklachten. Dingen die officiële kranten niet durfden aan te nemen.”
Lavendel keek naar het schilderij.
“Isabeau wilde haar verhaal laten drukken.”
“Ja,” zei Delacourt. “Met kopieën van het bewijs. Misschien ook schetsen van het schilderij.”
Lady Alcina pakte het oude document met de namen en betalingen van tafel. Haar vingers lagen precies boven de naam van Lucien Pourpre, maar raakten hem niet aan.
“Als ze dat wilde doen, waarom is er dan nooit iets gepubliceerd?”
“Misschien heeft het Avignon nooit bereikt,” zei Markie.
Balthazar, die bij de deur stond, balkte zacht.
Niet instemmend.
Eerder bezwaar makend.
Lavendel keek naar hem.
“Of wel,” zei ze.
Markie volgde haar blik.
“Je denkt dat hij het weet?”
“Zijn overgrootvader heeft Élise gered. Misschien droeg hij meer dan alleen het kind.”
Balthazar snoof waardig.
Delacourt keek naar de ezel alsof hij hem nu pas werkelijk zag.
“De voerman,” fluisterde hij. “Natuurlijk. Als Isabeau haar dochter meegaf, kan ze ook iets anders hebben meegegeven.”
“Brieven,” zei Lavendel.
“Pigmenten,” zei Lady Alcina.
“Of kopieën,” zei Markie. “Van alles.”
Buiten streek de wind door de lavendel. De geur kwam de schuur binnen: donker, kruidig, bijna blauw. Lavendel haalde diep adem. Ze voelde hoe moe ze was. Haar knieën deden pijn van het kruipen door geheime gangen. Haar vingers zaten vol verf, wijn, stof en iets wat ze liever niet identificeerde. Haar baret hing half in haar haar. Haar jas was inmiddels zo kleurrijk besmeurd dat zelfs zij zich afvroeg of er nog zwarte stof onder zat.
En toch voelde ze een tinteling.
Niet alleen spanning.
Roeping.
Het schilderij had hen niet naar Avignon gestuurd als omweg. Het had hen gestuurd omdat daar het volgende stuk waarheid lag.
Markie keek naar haar.
“Je wilt vannacht nog vertrekken.”
Lavendel glimlachte klein.
“Je kent me te goed.”
“Ik ken de blik van iemand die net besloten heeft mijn nachtrust te vernietigen.”
Lady Alcina schudde haar hoofd.
“Nee. Niet vannacht.”
Lavendel wilde protesteren, maar Alcina hief haar hand.
“Niet omdat ik bang ben. Omdat Delacourt niet de enige is die achter dit verhaal aan zit. Als de namen op die lijst nog altijd macht hebben, dan zijn we vanaf nu kwetsbaar. We moeten slim zijn.”
Markie keek haar aan.
“Eindelijk een zin die ik volledig steun.”
Delacourt lachte schor.
“U denkt dat u nog tijd heeft?”
Markie draaide zich traag naar hem.
“U zit niet in de beste positie om dramatische vragen te stellen.”
Delacourt stond moeizaam op.
“Mijn mannen zullen terugkomen.”
Lady Alcina’s blik werd gevaarlijk.
“Dan is het onverstandig van jou om hier te blijven.”
“U begrijpt me verkeerd,” zei Delacourt. “Ze werken niet alleen voor mij.”
De stilte werd opnieuw zwaar.
Lavendel voelde haar maag samentrekken.
“Voor wie dan?”
Delacourt keek naar het document op tafel.
“Namen op die lijst. Nakomelingen. Mensen met wijnhuizen, raadszetels, museale connecties. Ik dacht dat ik hen kon chanteren als het nodig was. Ik dacht dat ik slim was.”
Markie zei droog: “Dat lijkt een veelvoorkomend begin van rampen.”
“Zodra zij begrijpen dat het schilderij echt bestaat, zullen ze niet wachten op beleefd overleg.”
Lady Alcina pakte haar hoed van de werkbank en zette hem langzaam op.
“Dan verbergen we het doek.”
“Nee,” zei Lavendel onmiddellijk.
Iedereen keek naar haar.
Ze legde haar hand op het schilderij. Het licht pulseerde zacht onder haar palm.
“Niet opnieuw. Het heeft vijftig jaar verborgen gelegen. Dat was lang genoeg.”
Markie keek haar aan. Deze keer geen protest. Alleen aandacht.
“Wat stel je voor?”
Lavendel keek naar de blauwe deur op het doek. Naar het woord Avignon.
“We nemen het mee. Maar we verdwijnen niet. We gaan naar Avignon alsof we daar moeten zijn.”
“Dat moeten we ook,” zei Markie.
“Precies.”
“En wat doen we onderweg met Delacourt?” vroeg Lady Alcina koel.
Balthazar balkte op een toon die opvallend veel leek op een voorstel.
Markie keek naar hem.
“Nee. We binden hem niet aan de ezel.”
Lavendel trok haar wenkbrauwen op.
“Niemand had dat gezegd.”
“Ik ken die blik van Balthazar inmiddels.”
Delacourt rechtte zijn rug.
“Ik ga mee.”
Lady Alcina lachte zonder warmte.
“Absoluut niet.”
“Ik ken de namen. De families. De archieven. De wegen. Ik weet wie in Avignon nog kan helpen.”
“En wie zegt dat we jou vertrouwen?”
Delacourt keek naar het schilderij.
Daarop keek Isabeau hem nog steeds aan.
Hij leek kleiner te worden onder die geschilderde blik.
“Niemand,” zei hij zacht. “Maar misschien is vertrouwen niet nodig. Misschien is toezicht genoeg.”
Markie dacht na.
Lavendel zag het aan hem. Zijn strakke gezicht, zijn lichtblauwe ogen, de diepe lijnen bij zijn mond. Hij wilde nee zeggen. Hij wilde Delacourt naar het dorp slepen, overdragen aan wie dan ook, het liefst met een etiket: voorzichtig behandelen, inhoud onbetrouwbaar.
Maar hij wist ook dat Delacourt bruikbaar kon zijn.
“Als u één keer liegt,” zei Markie langzaam, “één keer verdwijnt, één keer iets probeert dat lijkt op dubbelspel…”
Delacourt hief zijn handen.
“Dan?”
Balthazar zette een stap naar voren en liet zijn tanden zien.
Markie knikte naar de ezel.
“Dan bespreekt u het met hem.”
Delacourt slikte.
“Duidelijk.”
Ze besloten niet in de schuur te blijven.
Te zichtbaar.
Te dicht bij Saint-Véran.
Te veel sporen.
Lady Alcina kende een oud zomerhuisje tussen de wijngaarden, eigendom van een vriendin van een nicht van een wijnmaker die volgens Alcina “niet graag vragen stelde zolang de wijn op temperatuur bleef”.
Markie vond dat een zorgwekkende aanbeveling, maar Lavendel vond het veelbelovend.
Ze pakten alles zorgvuldig in.
Het schilderij werd opnieuw opgerold, maar anders dan eerst. Niet als gevonden relikwie, maar als iets levends dat men warm moest houden. Lavendel wikkelde haar eigen sjaal eromheen, een paarse lap met verfspatten, en bond het vast met linnen touw.
De oude lijst met namen ging in Markies tas.
De brief aan Markie bleef in zijn borstzak.
Delacourt kreeg zijn wandelstok terug, maar Lady Alcina nam de zilveren knop ervan af en stak die in haar eigen tas.
“Voor de zekerheid,” zei ze.
Delacourt keek gekrenkt.
“Die stok is antiek.”
“Dan zal hij blij zijn even zonder hoofd te reizen.”
Balthazar droeg de wijn, de tassen, het schilderij en een hoeveelheid morele autoriteit die niemand durfde te betwisten.
Ze verlieten de schuur in stilte.
De nacht was inmiddels volledig gevallen. De maan hing boven de lavendelvelden als een dun geschilderde schijf. De lucht was helder en diepblauw. Overal klonken insecten. In de verte, tegen de donkere heuvel, stond de ruïne van Saint-Véran. De kapotte klokkentoren zweeg weer alsof hij nooit had gesproken.
Lavendel keek er nog één keer naar om.
“Denk je dat Isabeau daar nog is?” vroeg ze zacht aan Markie.
Hij volgde haar blik.
“Ik denk dat iets van haar daar is.”
“En de rest?”
Hij keek naar het opgerolde schilderij op Balthazars rug.
“Misschien onderweg naar Avignon.”
Lavendel glimlachte flauwtjes.
“Je wordt bijna poëtisch.”
“Ik ben moe. Dat lijkt soms op poëzie.”
Ze liepen verder.
Het zomerhuisje lag achter een rij oude platanen, verscholen tussen wijnranken en een veld wilde bloemen dat in het maanlicht bijna wit leek. Het was klein, van natuursteen, met groene luiken en een terras dat uitkeek over de vallei.
Lady Alcina vond de sleutel onder een losse tegel bij de deur.
Markie keek haar aan.
“U breekt niet in?”
“Nee. Ik leen met voorkennis.”
“Dat is een prachtige juridische categorie.”
Binnen rook het huisje naar stof, rozemarijn en gesloten zomers. Er stond een houten tafel, een kleine keuken, een lage bank en boven een slaapzolder. Aan de muren hingen vergeelde prenten van druivenoogsten en een kalender uit een jaar waarin niemand blijkbaar haast had gehad.
Balthazar werd op het beschutte terras gezet met water, hooi en de belofte dat niemand hem vannacht nog zou vragen wereldgeschiedenis te bewaken.
Hij leek dat redelijk te vinden.
Delacourt moest aan de tafel zitten, onder toezicht van Lady Alcina, die haar fles rode wijn eindelijk opende met een kalmte die bijna ceremonieel was.
Lavendel vond in een kast een fles rosé.
“Ah,” zei ze met een zucht die uit haar tenen leek te komen. “Eindelijk beschaving.”
Markie keek naar de fles.
“Je noemt dit beschaving?”
“Na geheime tunnels, bloedpigment en ezelmilitie? Absoluut.”
Ze schonk twee kleine glazen in. Eén voor zichzelf. Eén hield ze Markie voor.
Hij keek ernaar.
“Ik drink zelden rosé na bovennatuurlijke kunstincidenten.”
“Dan is dit een mooie eerste keer.”
Hij nam het glas aan.
Hun vingers raakten elkaar kort.
Lavendel voelde het.
Markie ook, al deed hij alsof hij vooral het glas inspecteerde.
Ze gingen buiten op het terras zitten, even weg van Delacourt en Alcina’s ondervragende blik. Balthazar stond een paar meter verderop onder een vijgenboom en kauwde tevreden op hooi, alsof hij niet zojuist een kunsthistorische crisis had geleid.
De maan lag over de wijngaarden.
Alles was zilver en paars.
Lavendel nam een slok rosé. Fris, droog, licht kruidig. Ze sloot haar ogen.
“Dat had ik nodig.”
Markie zat naast haar, zijn glas onaangeraakt in zijn hand.
“Je had ook rust nodig.”
“Dat komt later.”
“Dat zeg je vaak.”
“En toch krijg ik meestal gelijk.”
Hij keek naar haar.
In het maanlicht waren zijn ogen zachter. De rimpels in zijn gezicht dieper, maar niet hard. Zijn zilverwitte haar stond alle kanten op, met nog een takje lavendel erin.
Lavendel stak haar hand uit en plukte het voorzichtig weg.
“Je draagt de Provence in je haar.”
“Dat verklaart de jeuk.”
Ze glimlachte.
Een moment zaten ze stil.
Binnen klonk Lady Alcina’s stem, laag en streng. Delacourt antwoordde gedempt. Af en toe tikte er een glas op hout.
Buiten was alleen de nacht.
Markie nam eindelijk een slok rosé.
“Niet slecht,” zei hij.
Lavendel keek overdreven verrast.
“Markie Von Zeist geeft een compliment aan rosé. Schrijf de datum op.”
“Het was geen compliment. Het was een voorlopige afwezigheid van kritiek.”
“Bij jou is dat champagne.”
Hij draaide het glas tussen zijn vingers.
Daarna werd hij stil.
Lavendel voelde dat de stilte veranderd was.
Niet ongemakkelijk.
Dieper.
“De brief,” zei ze zacht.
Markie keek niet naar haar.
“Ja.”
“Je doet alsof het alleen vreemd is.”
“Het ís vreemd.”
“Maar het raakt je ook.”
Hij zweeg lang.
Zo lang dat Lavendel dacht dat hij niet zou antwoorden.
Toen zei hij: “Iemand die vijftig jaar geleden leefde, schreef mijn naam op. Niet alleen mijn naam. Ze beschreef mij. Mijn neiging tot wantrouwen. Mijn rol bij jou.”
Lavendel keek naar haar glas.
“Ja.”
“Dat betekent óf dat dit alles een zeer uitgebreide manipulatie is, óf…”
“Óf?”
Hij keek naar de maan boven de velden.
“Óf ik ben ergens in betrokken waarvan ik de randen niet kan zien.”
Lavendel legde haar hand op de tafel tussen hen.
“Je hoeft het niet alleen te begrijpen.”
Markie keek naar haar hand.
Toen legde hij de zijne ernaast.
Niet erop.
Ernaast.
Dichtbij genoeg dat warmte de afstand kon overbruggen.
“Ik ben gewend dingen alleen te begrijpen,” zei hij.
“En lukt dat goed?”
Hij keek haar aan.
Ze glimlachte zacht.
“Retorische vraag?”
“Een beetje.”
Hij zuchtte.
“Mijn familie komt uit Nederland. Voor zover ik weet hebben wij niets met Isabeau, Saint-Véran of Avignon te maken. Maar mijn grootvader reisde. Veel. Hij handelde in boeken, prenten, oude kaarten. Mijn vader zei altijd dat hij meer verhalen had gekocht dan verkocht.”
Lavendel luisterde.
“Had hij ooit iets uit Frankrijk?”
“Alles uit Frankrijk. Kisten vol. Maar na zijn dood is veel verdwenen. Verkocht, weggegeven, zoekgeraakt.” Hij zweeg even. “Er was één doos waar mijn vader nooit over sprak. Blauw hout. Met een koperen slot.”
Lavendel ging rechter zitten.
“Blauw?”
“Ja.”
“Zoals een deur?”
Markie keek haar droog aan.
“Dat wilde ik zelf nog even verdringen.”
Lavendel voelde haar hart sneller slaan.
“Wat zat erin?”
“Ik weet het niet. Ik was jong. Ik herinner me alleen dat mijn vader boos werd toen ik eraan kwam. Niet gewoon streng. Bang.”
“Waar is die doos nu?”
Markie keek naar zijn glas.
“Verdwenen.”
Lavendel zei niets.
Balthazar hief buiten zijn hoofd.
Alsof hij luisterde.
“Misschien,” zei Lavendel langzaam, “is Isabeau’s verhaal ooit dichter bij jouw familie gekomen dan je dacht.”
“Of mijn familie dichter bij het hare.”
Hij nam nog een slok rosé.
Deze keer groter.
Lavendel glimlachte klein.
“Voor iemand die zelden rosé drinkt na bovennatuurlijke kunstincidenten, pas je je snel aan.”
“Overleven vraagt flexibiliteit.”
Ze lachten zacht.
Niet omdat iets grappig genoeg was.
Maar omdat ze even moesten ademen.
Toen klonk binnen een stoel die hard over de vloer schoof.
Lady Alcina riep: “Lavendel. Markie.”
Ze stonden meteen op.
Binnen stond Delacourt bij de tafel. Niet dreigend. Niet vluchtend. Hij keek naar het document met de namen alsof hij er zojuist iets in had gezien dat hij eerder had gemist.
Lady Alcina hield haar glas rode wijn in de ene hand en de zilveren knop van zijn wandelstok in de andere.
“Vertel het,” zei ze.
Delacourt wees naar een ondertekening onderaan de lijst.
“Deze naam.”
Markie boog zich over het papier.
Lavendel kwam naast hem staan.
De naam was klein geschreven, haastig, niet zo sierlijk als de andere handtekeningen.
M. van Seyst
Lavendel keek op.
Markie werd doodstil.
Lady Alcina keek naar hem.
“Van Seyst,” zei ze. “Dat lijkt op…”
“Von Zeist,” maakte Delacourt af.
Markie zei niets.
Zijn gezicht werd niet bleek.
Niet zichtbaar.
Maar Lavendel voelde hoe hij zich vanbinnen terugtrok, alsof ergens een oude deur dichtsloeg.
“Dat kan toeval zijn,” zei ze snel.
Markie keek haar aan.
“Kan.”
Maar zijn stem zei iets anders.
Delacourt pakte een vergrootglas uit zijn binnenzak. Natuurlijk had hij een vergrootglas. Zelfs half ingestort bleef de man irritant professioneel.
“Er staat iets achter,” zei hij. “Een functie misschien.”
Hij legde het glas boven de regel.
Lavendel boog dichterbij.
Naast de naam stond, bijna onleesbaar:
cartographe
Kaartenmaker.
Markie sloot langzaam zijn ogen.
“Mijn grootvader handelde in kaarten,” zei hij.
De kamer werd stil.
Buiten balkte Balthazar één keer.
Niet verbaasd.
Eerder alsof hij wilde zeggen: Eindelijk.
Lady Alcina legde voorzichtig de zilveren knop neer.
“Misschien was jouw grootvader niet een van de schuldigen,” zei ze.
Markie opende zijn ogen.
“Hij staat op dezelfde lijst.”
“Misschien tekende hij iets anders,” zei Lavendel. “Misschien maakte hij kaarten van de tunnels. Misschien wist hij niet waarvoor ze waren.”
Delacourt keek naar het document.
“Of misschien wist hij precies waarvoor ze waren.”
Markie keek hem scherp aan.
Lavendel stapte tussen hen in.
“Niet nu.”
Delacourt hief zijn handen.
“Feiten zijn niet altijd vriendelijk.”
“Nee,” zei Lavendel. “Maar jij hoeft ze niet als messen te gooien.”
Dat trof hem.
Even keek Delacourt weg.
Markie pakte het document op. Zijn vingers waren strak om het oude papier.
“Avignon,” zei hij.
Lady Alcina knikte.
“Daar vinden we misschien de drukkerij. Of wat ervan over is.”
“En misschien,” zei Lavendel zacht, “vinden we ook waarom jouw familienaam op die lijst staat.”
Markie vouwde het papier voorzichtig dicht.
“Dan vertrekken we bij zonsopgang.”
Lavendel keek naar hem.
“Niet vannacht?”
Hij keek terug.
“Jij had rust nodig.”
Ze glimlachte flauwtjes.
“En jij?”
“Ik heb antwoorden nodig.”
“Die slapen soms ook tot de ochtend.”
Hij wilde iets zeggen, maar Balthazar begon buiten zacht te snuiven.
Niet rustig.
Onrustig.
Alle vier keken ze naar de deur.
Lavendel liep naar het raam en schoof het luik een stukje open.
De wijngaarden lagen stil onder maanlicht.
Eerst zag ze niets.
Toen wel.
Aan de rand van het pad, tussen de platanen, brandde een klein lichtje.
Daarna een tweede.
En een derde.
Lantaarns.
Mensen.
Ze kwamen langzaam dichterbij.
Lady Alcina fluisterde: “Ze hebben ons gevonden.”
Delacourt werd bleek.
“Dat zijn niet mijn mannen.”
Markie keek naar het document in zijn hand.
“Dan heeft iemand anders haast gekregen.”
Balthazar balkte luid.
Lavendel greep het opgerolde schilderij.
Lady Alcina doofde de kaars op tafel.
De kamer viel in donker, alleen verlicht door maanlicht en de zachte gloed die door Lavendels sjaal heen uit het schilderij kwam.
Buiten klonk een stem.
Een oude vrouwenstem.
Krakend, maar krachtig.
“Doe open. Ik weet dat jullie daar zijn.”
Markie fluisterde: “Vriend of vijand?”
Delacourt schudde zijn hoofd.
Lady Alcina luisterde.
Toen veranderde haar gezicht.
“Geen van beide,” zei ze.
Lavendel keek haar aan.
“Wie is het?”
Buiten klonk de stem opnieuw.
“En zeg tegen Balthazar dat hij niet zo moet schreeuwen. Hij kent mij.”
De ezel werd stil.
Lady Alcina liep naar de deur.
“Dat is Manon.”
Ze opende.
Op de drempel stond een kleine oude vrouw met een kromme rug, een lantaarn in haar hand en ogen zo scherp als glasscherven. Achter haar stonden drie andere dorpsbewoners, zwijgend, met jassen over hun nachtkleren en gezichten die te veel wisten om toevallig te zijn.
De oude vrouw keek langs Alcina naar binnen.
Naar Lavendel.
Naar Markie.
Naar Delacourt.
Toen naar het gloeiende schilderij in Lavendels armen.
Manon knikte langzaam.
“Dus,” zei ze. “Het licht is terug.”
Niemand antwoordde.
Manon stapte zonder uitnodiging naar binnen.
Ze rook naar hooi, tabak, tijm en oude koppigheid.
“Goed,” zei ze. “Dan wordt het tijd dat jullie horen wat er werkelijk naar Avignon is gebracht.”