Milo
Na de kus met Lena liep ik ruim twintig minuten met haar door de regen zonder iets zinnigs te zeggen.
Dat was opmerkelijk.
Ik zeg normaal gesproken veel. Vaak te veel. Ik kan een eenvoudige vraag beantwoorden met een uitleg, een voorbeeld en een zijweg over de geschiedenis van bluetooth.
Maar nu was mijn hoofd leeg.
Niet helemaal leeg.
Er zat vooral één gedachte in.
Ik heb Lena gekust.
Daarnaast zat er nog een kleinere gedachte.
Ze heeft mij teruggekust.
Die tweede gedachte was nog beter.
We liepen richting het centrum. Lena had mijn hand losgelaten toen we een drukke straat overstaken, maar daarna pakte ze hem weer vast. Alsof het de normaalste zaak van de wereld was.
Voor mij voelde het niet normaal.
Het voelde beter dan normaal.
“Je bent stil,” zei Lena.
“Ik denk na.”
“Dat is gevaarlijk.”
“Dat zeggen mensen vaak tegen me.”
“Misschien moet je luisteren.”
Ik keek naar haar.
“Jij hebt me gekust.”
“Jij begon.”
“Dat klopt.”
“Dan moet je nu niet doen alsof ik verantwoordelijk ben voor jouw gezicht.”
“Wat is er met mijn gezicht?”
“Je kijkt alsof je net een prijs hebt gewonnen.”
Ik dacht aan Roderick. Aan de map. Aan het bedrag dat ik had afgewezen.
“Dat is eigenlijk niet helemaal onjuist.”
Lena kneep licht in mijn hand.
“Je hebt geen prijs gewonnen, Milo.”
“Nee.”
“Je hebt iets gedaan wat goed voelde.”
“Dat is misschien beter.”
Ze keek voor zich uit.
“Dat hoop ik.”
Voor een paar tellen liep ze weer stil naast me. Ik kende haar lang genoeg om te weten dat ze niet stil was omdat ze niets dacht. Lena was stil wanneer ze veel te veel dacht.
“Heb je spijt?” vroeg ik.
Ze bleef staan.
De regen viel zacht op haar jas. Achter ons reed een fietsbel voorbij. Voor ons trok een vrouw een hond mee die duidelijk een andere kant op wilde.
Lena keek me aan.
“Nee.”
Mijn schouders zakten.
“Maar,” zei ze.
Natuurlijk kwam er een maar.
“Maar ik wil niet dat je denkt dat één kus betekent dat ik nu alles makkelijk vind.”
“Dat denk ik niet.”
“Mooi.”
“Ik vind bijna niets makkelijk.”
“Dat geloof ik meteen.”
Ik glimlachte.
“Wat maakt het lastig?”
Lena keek naar onze handen.
“Jij bent net uit een kantoor gelopen waar je een groot bedrag hebt afgewezen. Je hebt geen idee hoe je nu verder moet. Ik heb je geholpen met een paar teksten en een lijst met vragen.”
“Meer dan dat.”
“Misschien. Maar ik wil niet dat we ineens doen alsof we een bedrijf én een relatie zijn, terwijl we nog niet eens weten hoe we een Braphone wasmachinebestendig krijgen.”
“Dat is eerlijk.”
“En ik wil niet dat jouw droom straks mijn verantwoordelijkheid wordt.”
Die zin deed even pijn.
Niet omdat ik vond dat ze ongelijk had.
Omdat ik bang was dat ik dat misschien al een beetje had gedaan.
“Ik wil dat ook niet,” zei ik.
Lena keek op.
“Ik wil je hulp,” ging ik verder. “Ik vind je ideeën goed. Ik vind jou goed. Heel goed, trouwens.”
Ze trok een mondhoek op.
“Rustig maar.”
“Maar de Braphone is mijn verantwoordelijkheid. Als hij niet werkt, is dat mijn probleem. Als ik geld moet regelen, moet ik dat regelen.”
“Goed.”
“En als jij zegt dat mijn verpakking nog steeds lelijk is, dan mag je dat ook gewoon zeggen.”
“Je verpakking is niet lelijk.”
“Echt niet?”
“Hij is nog niet af.”
“Dat klinkt erger.”
“Het is eerlijk.”
Ik knikte.
“Dus we doen rustig?”
“We doen rustig.”
“Maar niet alsof die kus niet gebeurd is?”
Lena keek naar mijn mond. Heel kort.
“Nee,” zei ze. “Niet alsof die kus niet gebeurd is.”
Daarna liepen we verder.
Dit keer iets langzamer.
We gingen eten bij een klein Surinaams eethuisje aan een plein achter de bibliotheek. Het was warm binnen. De ramen waren beslagen en er hing een geur van kruiden, rijst en iets gefrituurds waar ik meteen gelukkig van werd.
Lena bestelde roti.
Ik ook.
“Je hoeft niet hetzelfde te nemen als ik,” zei ze.
“Maar het klonk goed.”
“Dat is geen reden.”
“Het is een uitstekende reden.”
We gingen aan een tafel bij de muur zitten. Boven ons hing een schilderij van een strand met palmbomen. Het zag eruit alsof iemand het ooit als prijs had gewonnen bij een loterij.
Ik vond het mooi.
Lena zag dat ik ernaar keek.
“Je zou alles mooi vinden als er een verhaal bij zit,” zei ze.
“Dat is niet waar.”
“Je fuchsia spandoek?”
“Dat was gedurfd.”
“Dat was pijnlijk.”
“Het trok wel aandacht.”
“Een brandalarm trekt ook aandacht.”
Ik wilde protesteren, maar de eigenaar kwam onze borden brengen. De roti was groot. Veel groter dan ik had verwacht.
Lena keek naar mijn bord.
“Je gaat dit niet opkrijgen.”
“Dat weet je niet.”
“Ik ken je nu ruim een week.”
“Dat is praktisch een heel seizoen.”
Ze lachte.
Ik begon te eten. De eerste hap was heerlijk. De tweede ook. Daarna herinnerde ik me dat ik eigenlijk geen idee had hoe je roti netjes at.
Lena zag mijn worsteling.
“Je mag je handen gebruiken.”
“Dat weet ik.”
“Je probeert het met een vork.”
“Ik wilde beleefd zijn.”
“Roti is niet beleefd. Roti is een ervaring.”
Ze scheurde een stukje van haar pannenkoek af en vouwde het om de vulling.
“Zo.”
Ik keek naar haar handen.
“Oké.”
Ik probeerde hetzelfde.
Mijn eerste poging mislukte. De aardappel viel terug op mijn bord.
Lena keek ernaar.
“Dat was moedig.”
“Dank je.”
“Dat was geen compliment.”
“Dat weet ik.”
Bij de tweede poging lukte het wel.
“Zie je?” zei ze. “Je kunt dingen afmaken.”
“Dat is een heel lage lat.”
“Maar je ging eroverheen.”
We aten een tijdje zonder te praten. Dat voelde niet ongemakkelijk. Bij Lena was stilte zelden leeg. Ze zat altijd ergens vol met woorden die nog niet klaar waren.
Na een paar minuten legde ze haar eten neer.
“Wat ga je nu doen?” vroeg ze.
Ik wist meteen dat ze de Braphone bedoelde.
“Eerst Farah haar exemplaar afmaken.”
“Goed.”
“Dan wil ik er nog een paar bouwen. Niet veel. Misschien tien.”
“Waarom tien?”
“Omdat ik dan kan testen zonder meteen te doen alsof ik een fabriek ben.”
Lena knikte.
“Dat is verstandig.”
“Ik kan ze verkopen via de markt. Misschien via jouw website, als je het goed vindt. Jij hebt daar al een betaalpagina.”
“Mijn website verkoopt kaarsen.”
“Maar mensen die kaarsen kopen, luisteren misschien ook naar muziek.”
“Dat is een opvallend verkoopargument.”
“Je begrijpt wat ik bedoel.”
“Ja.”
Ik pakte mijn glas water.
“En ik heb nog een ander idee.”
Lena keek me aan.
Dat was de blik die ze kreeg wanneer ze zich voorbereidde op iets wat waarschijnlijk te veel tape, stroom of uitleg zou bevatten.
“Ik wil een luisteravond organiseren.”
Ze knipperde.
“Een wat?”
“Een kleine avond. Bij de markt misschien. Of in een café. Mensen kunnen de Braphone proberen. Jij verkoopt kaarsen. Farah kan vertellen hoe zij hem gebruikt. Misschien vraagt Piet of hij kibbeling wil leveren.”
“Piet wil altijd kibbeling leveren.”
“Precies.”
“Milo.”
“Wat?”
“Een luisteravond met beha’s, kaarsen en vis.”
“Als je het zo zegt, klinkt het beter dan ik had verwacht.”
Ze lachte zo hard dat een vrouw aan de tafel naast ons omkeek.
Ik voelde geen schaamte.
Niet eens een beetje.
“Het hoeft niet groot,” zei ik. “Juist klein. Echte mensen. Eerlijke reacties. Geen glanzende brochure.”
Lena keek me lang aan.
“Dat is eigenlijk een goed idee.”
Ik legde mijn hand op mijn hart.
“Wil je dat herhalen?”
“Absoluut niet.”
“Maar je vindt het goed.”
“Misschien.”
“Lena.”
“Ja. Ik vind het goed.”
Ik leunde achterover.
“Dit is een geweldige dag.”
“Je hebt ook een man met glanzende schoenen afgewezen.”
“Dat was vooral eng.”
“Je hebt hem afgewezen én daarna een plan gemaakt.”
“Met hulp.”
“Met hulp,” zei ze. “Maar jij deed het.”
Mijn telefoon trilde op tafel.
Een bericht van mijn moeder.
Zondag. Zes uur. Eva komt ook. Neem Lena mee. Ik heb te veel gemaakt.
Lena zag de naam op het scherm.
“Je moeder is vasthoudend.”
“Dat is een vriendelijk woord.”
“Gaat ze echt te veel maken?”
“Ja.”
“Wat maakt ze?”
“Lasagne.”
Lena keek weg.
“Dat is gemeen.”
“Waarom?”
“Omdat niemand nee kan zeggen tegen lasagne.”
“Dus je gaat mee?”
Ze keek mij aan.
“Dat heb ik niet gezegd.”
“Maar je denkt erover na.”
“Dat heb ik ook niet gezegd.”
“Lena.”
Ze nam een laatste hap roti.
Toen veegde ze haar vingers af aan een servet.
“Als ik mee ga,” zei ze, “ben ik niet jouw vriendin.”
“Oké.”
“Ik ben ook niet jouw zakenpartner.”
“Oké.”
“Ik ben gewoon Lena.”
Ik knikte.
“Dat is mijn favoriete versie.”
Haar ogen werden zachter.
“En jij bent gewoon Milo,” zei ze.
“Dat lijkt me haalbaar.”
“Mooi.”
Mijn telefoon trilde opnieuw.
Dit keer was het geen bericht van mijn moeder.
Het was Roderick.
Milo, jammer dat we niet tot elkaar zijn gekomen. Ik wens je succes. Mocht je van gedachten veranderen, dan weet je mij te vinden.
Onder zijn bericht stond een link.
Ik opende hem.
Een bericht op de website van Bright & Bold.
Bovenaan stond een foto van een vrouw met sportoortjes, een felle glimlach en een telefoon om haar arm.
De kop luidde:
BRIGHT & BOLD ONTWIKKELT NIEUW DRAAGBAAR AUDIOCONCEPT VOOR ACTIEVE VROUWEN
Mijn maag trok samen.
Ik las verder.
Er stond niets over de Braphone.
Niet letterlijk.
Maar er stond genoeg.
Draagbaar geluid.
Comfortabel geïntegreerd in kleding.
Een opvallende nieuwe stap in persoonlijke audiotechnologie.
Lena pakte mijn telefoon aan.
Ze las het bericht.
Haar gezicht veranderde.
Niet veel.
Maar genoeg.
“Hij gaat jouw idee gebruiken,” zei ze.
Ik keek naar de foto.
Naar de woorden.
Naar de toekomst die ineens niet alleen van mij leek te zijn.
“Misschien,” zei ik.
Lena legde de telefoon langzaam terug op tafel.
“Dan,” zei ze, “moeten we sneller zijn.”