De dag van de eigen knoppen
De blauwe loper lag maandagmiddag op de vloer van Milo’s schuur.
Hij was opgerold, nat aan de randen en veel langer dan Milo had verwacht.
“Hoe lang is dat ding eigenlijk?” vroeg hij.
Lena keek op van haar notitieboek.
“Zeventien meter.”
“Dat is een heel lange mening.”
“Het is vooral een heel lelijke kleur blauw.”
Noor zat op de grond met een schaar in haar hand. Ze had het eerste stuk van de loper rechtgetrokken. Naast haar lagen al drie nette rechthoeken.
“Als we hier hengsels aan maken,” zei ze, “hebben we stevige tassen.”
“Voor aardappels?” vroeg Milo.
“Voor aardappels, bloemen, noten, sokken. Alles wat een mens op de markt koopt en vervolgens te zwaar vindt.”
Lena schreef iets op.
Boven aan haar blad stond:
MARKTTAS
WIJ WETEN ZELF WAAR ONZE KNOPPEN ZITTEN.
Daaronder had ze kleine tekeningen gemaakt. Een aardappel. Een tulp. Een vis. Een sok zonder partner.
Milo boog zich eroverheen.
“Die vis kijkt boos.”
“Dat is Piet.”
“Die sok kijkt verdrietig.”
“Die is zijn partner kwijt.”
“En de aardappel heeft een snor.”
Lena keek hem aan.
“Dat is geen vraag.”
Milo glimlachte.
“Het wordt mooi.”
“Dank je.”
De deur ging open.
Henk kwam binnen, gevolgd door Babs, Piet, mevrouw De Ruiter, de kaasboer, de stroopwafelvrouw en de man met de stoffen luifels.
De man met de stoffen luifels droeg een grote rol grijs garen.
“Ik hoorde dat er iets genaaid moet worden,” zei hij.
“Kun jij naaien?” vroeg Milo.
“Nee,” zei de man. “Maar ik ken iemand die dat kan.”
Achter hem verscheen zijn vrouw.
Ze heette Ans. Ze was klein, droeg een paarse regenjas en keek alsof ze haar hele leven al wist dat haar man zonder haar geen klem, touw of luifel langer dan drie dagen heel kon houden.
“Geef maar,” zei Ans.
Noor gaf haar een stuk blauwe loper.
Ans voelde aan de stof.
“Dit is best degelijk,” zei ze.
“Dat zei Henk ook,” zei Lena.
“Dan heeft Henk onverwacht verstand van textiel.”
Henk stak zijn kin op.
“Ik heb verstand van alles dat in een krat past.”
“Dat is niet waar,” zei Babs.
“Het is grotendeels waar.”
Binnen een kwartier was de schuur vol.
Niet met lawaai, al was er genoeg lawaai.
Met plannen.
De blauwe loper werd in stukken geknipt. Ans zette haar naaimachine op de tafel bij het raam. De machine ratelde vrolijk. De stroopwafelvrouw knoopte hengsels van oude marktbanners. De kaasboer maakte een stapel kartonnen labels.
Piet wilde dat iedere tas een klein visje kreeg.
“Geen visje,” zei Lena.
“Een heel klein visje.”
“Geen visje.”
“Een subtiele makreel?”
“Piet.”
“Goed. Maar later mag ik er wel één ontwerpen.”
“Later,” zei Lena.
Dat betekende meestal nee.
Maar Piet leek tevreden.
Milo zat aan zijn werkbank met Noor.
Tussen hen in lag een oud houten paneel. Het paneel kwam van de kraam van de sokkenman. Er had ooit een bord op gezeten met de tekst: TWEEDE SOK HALVE PRIJS.
Milo had het bord omgedraaid.
Nu bouwde hij er een nieuw apparaat in.
Geen scherm met gezichtsherkenning.
Geen wifi.
Geen verborgen netwerk.
Alleen zes grote knoppen en zes lampjes.
Boven het paneel schreef Lena met zwarte verf:
DE MARKTKNOP
Druk op wat u nodig hebt. Vraag daarna vooral een mens.
De knoppen waren groot genoeg voor iedereen.
Groen voor advies.
Geel voor een proefje.
Rood voor hulp met dragen.
Blauw voor waar is Piet?
Wit voor ik ben mijn partner kwijt.
En een oranje knop waarop stond:
gewoon even kijken.
“Waarom heeft die laatste een knop?” vroeg Noor.
“Dat wilde de stroopwafelvrouw,” zei Milo. “Zij vindt dat mensen die gewoon even kijken ook recht hebben op erkenning.”
“Wat doet de knop?”
Milo drukte erop.
Een lampje ging zacht aan.
Daarna klonk Lena’s stem uit een klein speakertje.
“Welkom. Kijk gerust rond. U hoeft nergens haast mee te hebben.”
Noor glimlachte.
“Dat is fijn.”
“Ja,” zei Milo. “Dat vond Lena ook.”
De groene knop zei:
“Zoek een kraam die weet waar het over gaat. Dat zijn er hier nogal veel.”
De gele knop zei:
“Een proefje is geen contract. Maar wel lekker.”
Bij de witte knop ging een belletje.
Daarna zei het apparaat:
“Vermist: een partner, een sok of misschien alleen uw geduld. Vraag het even rond.”
Piet hoorde dat en kwam meteen kijken.
“Waar is mijn knop?”
Milo wees naar de blauwe knop.
Piet drukte erop.
Er klonk een kort geluid van een meeuw.
Daarna zei het apparaat:
“Piet is waarschijnlijk bij de vis. Of bij een gesprek over vis.”
Piet knikte.
“Dat klopt bijna altijd.”
“Het is geen serieus systeem,” zei Henk.
“Jawel,” zei Lena. “Alleen niet op de manier die Bright & Bold bedoelt.”
De volgende zaterdag hing er een nieuw bord bij de ingang van de markt.
DE DAG VAN DE EIGEN KNOPPEN
Kom proeven, vragen, kijken, helpen en een tas meenemen.
Onder het bord stond een tweede regel.
GEEN GEGEVENS NODIG.
EEN GOED HUMEUR MAG.
Het idee was van mevrouw De Ruiter.
“Als je dat niet opschrijft,” had ze gezegd, “denken sommige mensen straks dat ze ergens toestemming voor moeten geven.”
De markt zag er feestelijk uit.
Niet strak.
Niet symmetrisch.
Juist niet.
Overal hingen lichtjes. Babs had slingers gemaakt van oude bloemenwikkels. De kaasboer had vlaggetjes van kaaspapier geknipt. De stroopwafelvrouw deelde kleine stukjes uit in de vorm van hartjes.
Lena had haar kraam uitgebreid met een tafel vol markttassen.
De tassen waren stevig blauw, maar niet meer glanzend. Ans had er donkere hengsels aan genaaid. Op iedere tas stond dezelfde zwarte zin.
WIJ WETEN ZELF WAAR ONZE KNOPPEN ZITTEN.
Ze liepen verrassend goed.
De eerste klant die er eentje kocht, was een vrouw met een kinderwagen.
“Deze is perfect voor boodschappen,” zei ze.
“Dat was ook de bedoeling,” zei Lena.
“En de tekst is heerlijk.”
“Dat is ook de bedoeling.”
Milo keek toe terwijl Lena een tas overhandigde.
Ze stond achter haar eigen kraam. Niet alleen met kaarsen, maar ook met iets dat zij had bedacht. Iets dat zij had gemaakt van een vervelend plan van iemand anders.
Hij voelde opnieuw die rustige trots.
Lena zag hem kijken.
“Wat is er?” vroeg ze.
“Niks.”
“Milo.”
“Ik vind je goed.”
Lena keek even weg.
“Dat is een rare zin.”
“Maar wel waar.”
Ze pakte zijn hand.
“Dank je.”
Bij Henk stond De Pieperij volop te draaien.
Het kastje had een nieuwe tekst gekregen. Niet omdat Milo dat nodig vond, maar omdat Henk erop stond.
Wanneer iemand op de knop voor kruimige aardappels drukte, zei de deftige stem:
“Voor stamppot kiest u kruimige aardappels. Vraag Henk gerust om hulp. Hij is vandaag in uitstekende vorm, aldus Henk.”
“Dat laatste heb ik zelf toegevoegd,” zei Henk tegen een klant.
“Dat dacht ik al,” zei de klant.
Piet had bij zijn viskraam een klein bord neergezet.
HET VISSEINTJE DOET HET.
MAAR PIET OOK.
Steeds wanneer iemand zei dat hij of zij “straks wel terugkwam”, ging het rode lampje aan. De accordeon speelde zijn korte, beleefde teleurstelling.
Veel mensen moesten erom lachen.
Sommige mensen kochten inderdaad vis.
Piet zei dat dit kwam door techniek.
Milo zei dat dit kwam door de kibbeling.
Ze besloten allebei dat ze gelijk hadden.
Noor stond bij De Marktknop.
Ze legde aan mensen uit wat de knoppen deden. Ze vertelde niet meer over Bright & Bold, tenzij iemand ernaar vroeg. Dan bleef ze eerlijk, maar rustig.
“Een apparaat is niet slecht omdat het een apparaat is,” hoorde Milo haar tegen een oudere man zeggen. “Het wordt lastig als iemand het gebruikt zonder dat jij weet wat er gebeurt.”
De man knikte.
“Dat geldt ook voor mijn televisie.”
“Misschien wel,” zei Noor.
“Die praat soms tegen me.”
Noor keek naar het toestel op de grond.
“Dat is wel iets anders.”
Rond het middaguur kwam Daan aanlopen.
Hij droeg geen donkerblauwe jas. Geen tablet. Geen naamkaartje.
Alleen een gewone groene trui en een papieren zak in zijn hand.
Milo zag hem als eerste.
“Daar is Daan,” zei hij zacht.
Noor keek op.
Ze werd stil.
Daan bleef aan de rand van het plein staan. Hij zag eruit alsof hij niet wist of hij welkom was.
Lena liep naar hem toe.
“Hallo,” zei ze.
“Hallo.”
“Kom je kijken?”
Daan knikte.
“Als dat mag.”
“Dat mag.”
Hij hield de papieren zak omhoog.
“Ik heb iets meegenomen.”
Piet keek meteen geïnteresseerd.
“Is het vis?”
“Nee.”
“Dan is het waarschijnlijk minder belangrijk.”
Daan glimlachte voorzichtig.
Hij gaf de zak aan Noor.
Daarin zat een dikke stapel papieren.
“Wat is dit?” vroeg Noor.
“Een kopie van de campagneplannen,” zei Daan. “De echte versie. Met de Signaalplugs, de gegevens en alle afspraken met de partners.”
Noor keek naar de stapel.
“Waarom geef je dit aan mij?”
“Omdat jij ermee begonnen bent om eerlijk te zijn. En omdat ik niet wil dat Romy straks zegt dat alles een misverstand was.”
Lena keek hem scherp aan.
“Ga je dit ook zelf vertellen?”
Daan knikte.
“Ja.”
“Dan is dat goed.”
“Waar is Romy eigenlijk?” vroeg Milo.
Daan keek naar het marktplein.
“Bright & Bold heeft de campagne stopgezet. Er wordt intern onderzoek gedaan.”
Piet trok zijn wenkbrauwen op.
“Betekent dat dat ze nu naar zichzelf gaan kijken?”
“Zoiets,” zei Daan.
“Dat lijkt me ingewikkeld,” zei Piet.
Daan glimlachte weer, iets makkelijker nu.
“Romy is niet meer bij de campagne betrokken.”
“Dat betekent niet dat het probleem weg is,” zei Noor.
“Nee,” zei Daan. “Dat weet ik.”
Hij keek naar De Marktknop.
“Maar dit is wel beter.”
Milo keek naar het houten paneel.
Het was een beetje scheef gemonteerd. Eén lampje zat niet helemaal recht. De blauwe knop voor Piet was al vies van de vingers.
Het was niet glad.
Het was niet professioneel op de manier van Bright & Bold.
Maar er stonden mensen omheen.
Ze lachten. Ze drukten op knoppen. Ze praatten met elkaar.
“Ja,” zei Milo. “Dit is beter.”
Tegen drie uur begon het te waaien.
De luifels klapperden.
Een vlaggetje van kaaspapier vloog weg en landde op de muts van mevrouw De Ruiter. Karel de meeuw probeerde een stroopwafelhartje te stelen. De stroopwafelvrouw joeg hem weg met een theedoek.
“Wegwezen, Karel!”
Karel vloog naar de kraam van de sokkenman.
Daar pakte hij een blauwe markttas bij het hengsel.
“Niet die!” riep de sokkenman.
De meeuw trok.
De tas trok terug.
Ans had hem goed genaaid.
Karel liet los en vloog beledigd weg.
“Zie je wel,” zei Ans tegen haar man. “Degelijk werk.”
De man met de stoffen luifels knikte bewonderend.
“Die tas houdt dingen vast.”
“Dat is ook de bedoeling,” zei Ans.
Later die middag werd de wind harder.
Henks oude luifel begon gevaarlijk te klapperen.
Iedereen hoorde het.
Eerst een flap.
Toen nog een flap.
Daarna een geluid alsof een reus een tafelkleed uitklopte.
Henk keek omhoog.
“O nee.”
Een metalen stang schoot los.
De luifel zakte scheef.
Milo rende erheen.
Piet ook. Babs hield een bak tulpen vast. De kaasboer greep een paal. De man met de stoffen luifels pakte zijn rol garen, keek ernaar en besefte dat dit niet het juiste moment was voor garen.
“De klem!” riep hij.
“Welke klem?” riep Henk.
“De grote grijze!”
“Die heb jij altijd kwijt!”
“Vandaag niet!”
Hij dook onder zijn kraam en kwam omhoog met de grote grijze klem.
Het was inderdaad een bijzonder goede klem.
Binnen een minuut stond iedereen mee te duwen, vast te houden en aanwijzingen te roepen.
“Meer naar links!”
“Dat is mijn links!”
“Niet aan de aardappels trekken!”
“Wie staat er op mijn voet?”
“Dat is een zak Bildtstar!”
De luifel klapte nog één keer hard.
Toen zat de stang weer vast.
De markt applaudisseerde.
Niet omdat het zo spectaculair was.
Maar omdat het gelukt was.
Henk keek naar zijn luifel.
Toen naar de mensen om hem heen.
“Bedankt,” zei hij.
Daarna keek hij naar Milo.
“Nu heb ik wel een nieuwe nodig.”
Milo knikte.
“Dat weet ik.”
“Geen blauwe.”
“Geen blauwe.”
“En geen slimme.”
Milo keek naar De Pieperij.
Henk zag het.
“Niet slimmer dan nodig,” verbeterde hij.
“Dat kan ik maken.”
Lena kwam naast Milo staan.
Ze keek naar de markt. Naar de blauwe tassen. Naar de mensen. Naar de kramen die weer gewoon rommelig en levendig waren.
“Volgens mij,” zei ze, “hebben we genoeg voor een nieuw plan.”
Milo keek haar aan.
“Wat voor plan?”
Lena wees naar de markttassen.
“Een gezamenlijke pot.”
“Voor Henks luifel?”
“Voor dingen die de markt echt nodig heeft. Een luifel. Een beter stopcontact. Een bord dat niet omwaait. Kleine hulpmiddelen waar iedereen iets aan heeft.”
Milo dacht na.
“Een marktfonds.”
“Dat klinkt een beetje saai.”
“De Pot met Puf?”
Lena lachte.
“Dat klinkt beter.”
Piet hoorde het.
“De Pot met Puf?” herhaalde hij. “Daar wil ik best aan bijdragen.”
“Met geld?” vroeg Babs.
Piet dacht even na.
“Met geld. En misschien één keer met vis.”
“Geld,” zei Lena.
“Goed. Geld.”
Milo pakte zijn notitieblokje.
Op een nieuwe bladzijde schreef hij:
DE POT MET PUF
Voor de markt. Door de markt.
Hij keek naar Lena.
“Dit wordt weer veel werk.”
“Ja,” zei Lena.
“Maar ook mooi.”
“Ja.”
“En misschien moeten we eerst even koffie drinken.”
Lena glimlachte.
“Dat is het verstandigste dat je vandaag hebt gezegd.”
Op dat moment begon De Marktknop te piepen.
Iedereen keek op.
Het groene lampje knipperde.
Toen het gele.
Toen het rode.
Milo liep erheen.
“Wat is er nou weer?”
Hij drukte op de oranje knop.
De stem van Lena klonk uit het speakertje.
“Welkom. Kijk gerust rond. U hoeft nergens haast mee te hebben.”
Daarna volgde een tweede stem.
De deftige stem van De Pieperij.
“Behalve als er een luifel naar beneden komt.”
Er viel een korte stilte.
Toen begon de hele markt te lachen.
Milo keek naar Lena.
“Die heb jij er niet ingezet.”
Lena schudde haar hoofd.
Noor keek naar het paneel.
Daan keek naar Milo.
Piet keek naar de lucht.
“Misschien,” zei hij, “worden onze apparaten toch een beetje te slim.”
Milo keek naar het knipperende lampje.
Toen glimlachte hij.
“Niet slimmer,” zei hij.
“Alleen goed opgevoed.”