Milo
Mijn moeder zei ja voordat ik mijn vraag helemaal had afgemaakt.
“Je mag de garage gebruiken,” zei ze door de telefoon.
“Maar ik wilde eerst uitleggen wat—”
“Je hebt een luisteravond.”
“Ja.”
“Volgende vrijdag.”
“Ja.”
“En je hebt ruimte nodig.”
“Ook ja.”
“Dan gebruik je de garage.”
Ik stond op de stoep voor het marktplein. Lena stond naast me met haar handen in haar jaszakken. Ze probeerde niet mee te luisteren, maar ik wist dat ze ieder woord kon verstaan.
“Mam, er komt misschien wat extra materiaal,” zei ik.
“Dat staat er al.”
“En Farah komt misschien testen.”
“Gezellig.”
“En Lena helpt met de verpakking.”
Mijn moeder liet een korte stilte vallen.
Dat deed ze alleen wanneer ze expres wilde laten merken dat ze iets interessants hoorde.
“Dat is fijn,” zei ze.
“Mam.”
“Wat?”
“Niet zo doen.”
“Ik doe helemaal niets.”
Lena keek naar mij. Haar mondhoeken trilden.
“Goed,” zei mijn moeder. “Ik ruim vanmiddag de rechterkant ook op.”
“De rechterkant is van jou.”
“Precies. Maar nu kunnen we daar een tafel zetten.”
“Dat hoeft niet.”
“Milo.”
Ik kende die toon.
“Een tafel zou fijn zijn,” gaf ik toe.
“Dat dacht ik ook. Kom je vanavond eten? Dan kunnen we plannen.”
“Ja.”
“Neem Lena mee.”
Ik keek naar Lena.
Zij trok één wenkbrauw op.
“Mijn moeder wil weten of je vanavond mee-eet,” zei ik.
“Dat klinkt niet als een vraag.”
“Dat is het meestal ook niet.”
Lena keek naar het plein. Naar Piet, die alweer een klant hielp terwijl hij met zijn andere hand een stuk kabeljauw inpakte.
“Oké,” zei ze.
“Oké?”
“Ja. Ik eet mee.”
Mijn moeder hoorde het blijkbaar.
“Hallo, Lena,” zei ze door de telefoon.
Lena pakte de telefoon van me over.
“Hallo, mevrouw Van Dijk.”
“Zeg maar Marja.”
“Hallo, Marja.”
“Eet je alles?”
Lena keek naar mij.
“Bijna alles.”
“Prima. Milo eet ook bijna alles. Behalve doperwten.”
“Mam.”
“Wat? Hij heeft een lastige relatie met doperwten.”
Lena glimlachte.
“Dat is goed om te weten.”
Ik pakte de telefoon terug.
“Tot vanavond.”
“Zes uur,” zei mijn moeder. “En Milo?”
“Ja?”
“Neem die Braphone niet mee aan tafel.”
“Waarom zou ik?”
“Vorige kerst had je een broodrooster mee.”
“Dat was een prototype.”
“Precies mijn punt.”
Ze hing op.
Lena keek me aan.
“Je moeder is leuk.”
“Dat zeggen mensen vaak.”
“Misschien moet je luisteren.”
“Jij gebruikt mijn eigen zinnen tegen me.”
“Dat is efficiënt.”
We liepen terug naar mijn busje. Nou ja, het was niet echt een busje. Het was een oude grijze bestelauto die ik van mijn vader had geërfd. Hij startte alleen als je de koppeling diep genoeg indrukte en hem daarna met respect toesprak.
Ik had hem ooit Boris genoemd.
Lena vond dat geen goede naam.
“Een busje mag geen mensennaam hebben,” zei ze.
“Waarom niet?”
“Omdat het dan voelt alsof je iemand beledigt wanneer hij niet start.”
“Boris heeft gevoelens.”
“Boris heeft een kapotte uitlaat.”
“Ook gevoelens.”
Ik stak de sleutel in het contact.
“Kom op, Boris.”
De motor zei niets.
Lena keek uit het raam.
“Misschien wil hij eerst een compliment.”
“Hij is een sterke, betrouwbare auto.”
De motor sloeg aan.
Lena draaide zich naar me toe.
“Dat is verontrustend.”
“Zie je wel?”
“Dat bewijst niets.”
“Het bewijst dat Boris goed reageert op positieve bevestiging.”
“Net als jij.”
Ik keek haar aan.
“Dat was aardig.”
“Wen er niet aan.”
De garage van mijn moeder zag er die avond uit alsof er een kleine, zeer rommelige fabriek was ontploft.
Op de werkbank lagen speakers, draadjes, kleine printplaatjes en zwarte stoffen bandjes. Op de grond stonden dozen met verpakkingen. In de hoek stond een rek met beha’s in verschillende maten.
Mijn moeder had inderdaad de rechterkant van de garage opgeruimd. Haar fiets stond nu buiten onder een zeil. Op de vrijgekomen plek had ze een klaptafel neergezet.
Daarop stond een schaal met koekjes.
Mijn moeder geloofde in voorbereiding.
En in koekjes.
“Dit is veel groter dan ik dacht,” zei Lena.
“Dat zeg ik ook steeds,” zei ik.
Ze keek naar de doos met bandjes.
“Ik bedoel de hoeveelheid werk.”
“O.”
“Niet alles gaat over jou.”
“Dat weet ik.”
“Waarom zeg je dan altijd o?”
“O.”
Ze zuchtte, maar ze glimlachte erbij.
Mijn moeder kwam vanuit de keuken naar buiten met een dienblad vol glazen.
“Daar zijn jullie.”
Ze gaf Lena een kus op haar wang. Daarna keek ze naar mij.
“Jij kunt de limonade pakken.”
“Hallo mam.”
“Hallo jongen.”
Mijn zus Eva zat al aan de klaptafel. Ze had haar jas nog aan en was bezig een Braphone te bekijken alsof ze een bijzonder interessant insect vasthield.
“Dus dit is hem,” zei ze.
“Voorzichtig,” zei ik.
“Ik ben voorzichtig.”
Op dat moment liet ze een speaker uit haar hand vallen.
Hij stuiterde één keer op de tafel.
Iedereen keek stil.
Eva pakte hem op.
“Hij is nog heel.”
Ik haalde adem.
“Dat is fijn.”
Eva keek naar Lena.
“Jij bent dus Lena.”
“Dat klopt.”
“Mijn broer praat veel over je.”
“Milo,” zei ik.
“Wat? Je doet moeilijk over hoe ze naar je verpakking kijkt. Over hoe ze je eten geeft. Over hoe ze denkt dat je niet moet tekenen.”
Lena keek naar mij.
Ik voelde mijn gezicht warm worden.
“Dat zijn zakelijke onderwerpen,” zei ik.
“Ja,” zei Eva. “Heel zakelijk.”
Mijn moeder zette de glazen neer.
“Niet plagen.”
Eva keek haar aan.
“Jij hebt hem toch gevraagd om Lena mee te nemen?”
Mijn moeder glimlachte alsof zij nergens van wist.
“Ik heb alleen lasagne gemaakt.”
“Precies,” zei Eva.
Lena keek naar mij.
“Je familie is snel.”
“Dat heb je eerder gezegd.”
“Het wordt er niet minder waar van.”
We gingen aan tafel.
De lasagne was goed. Natuurlijk was hij goed. Mijn moeder maakte lasagne alsof ze er een prijs mee kon winnen. Met veel groenten, te veel kaas en precies genoeg knapperige randjes.
Lena nam een tweede keer op.
Dat stelde mijn moeder zichtbaar gerust.
“Dus,” zei mijn moeder. “Vertel over vrijdag.”
Ik legde mijn vork neer.
“We doen een luisteravond op de markt. Van zeven tot negen. Mensen kunnen de Braphone proberen. Farah komt. Piet verkoopt kibbeling. Lena verkoopt kaarsen.”
“En jij verkoopt Braphones?” vroeg Eva.
“Als het goed is.”
“Hoeveel heb je er klaar?”
Ik keek naar de garage.
“Nog niet genoeg.”
“Hoeveel is genoeg?”
“Tien.”
Eva keek naar de onderdelen.
“En hoeveel heb je er nu?”
“Vier die helemaal af zijn. Drie die bijna af zijn. En drie waarvan ik nog niet weet of ze zich gedragen.”
“Dat klinkt niet als tien,” zei ze.
“Dat weet ik.”
Mijn moeder schepte extra salade op haar bord.
“Kun je hulp gebruiken?”
“Misschien met inpakken,” zei ik.
Lena keek op.
“Ik kan de verpakking doen.”
“Natuurlijk kun jij dat,” zei ik.
Ze hield haar vork stil.
“Dat bedoelde ik niet.”
“Ik weet het. Maar je kunt het goed.”
Mijn moeder keek van mij naar Lena.
Toen stond ze op.
“Ik haal koffie,” zei ze.
Eva stond ook op.
“Ik help.”
Ze hielp nooit vrijwillig met koffie.
Dat betekende maar één ding.
Ze lieten ons alleen.
Lena keek naar haar bord.
“Je hoeft niet steeds te doen alsof ik alles goed kan.”
“Maar je kunt veel goed.”
“Dat weet ik niet altijd.”
Ik zei niets.
Ze keek op.
“Wat?”
“Dat herken ik.”
“Jij?”
“Ja.”
“Jij doet alsof je alles kunt maken.”
“Dat is iets anders.”
“Is dat zo?”
Ik dacht aan Roderick. Aan zijn kantoor. Aan de manier waarop ik eerst bijna had geloofd dat ik Bright & Bold nodig had om iets te betekenen.
Misschien deed ik inderdaad vaak alsof ik alles wist.
Of alsof ik alles alleen kon.
“Misschien niet,” zei ik.
Lena legde haar vork neer.
“Ik wil helpen met vrijdag. Echt.”
“Dat weet ik.”
“Maar ik wil niet dat je straks denkt dat de Braphone alleen lukt door mij.”
“Dat denk ik niet.”
“Goed.”
“Maar ik denk wel dat hij beter wordt met jou erbij.”
Ze keek me aan.
Ik voelde meteen dat ik iets te groots had gezegd.
Of misschien was het niet te groot.
Misschien was het gewoon waar.
Lena keek weer naar haar bord.
“Dat is gevaarlijk aardig,” zei ze zacht.
“Sorry.”
“Niet sorry zeggen.”
“Oké.”
“En niet meteen oké zeggen.”
“Dat is een lastige regel.”
Ze lachte.
Precies op dat moment kwamen mijn moeder en Eva terug met koffie.
Eva zette een mok voor Lena neer.
“Dus,” zei ze. “Hoe lang kennen jullie elkaar nu?”
“Minder dan twee weken,” zei Lena.
Eva keek geschokt.
“En nu al gezamenlijke producten, gezamenlijke diners en een gezamenlijke marktavond?”
“We hebben geen gezamenlijke producten,” zei Lena.
“De Braphone is van Milo,” zei ik.
“En de kaarsen zijn van Lena,” zei mijn moeder.
“Maar jullie zijn duidelijk een team,” zei Eva.
Lena en ik keken elkaar aan.
Dit keer zei niemand meteen nee.
Na het eten gingen we terug de garage in.
Mijn moeder had een stapel kleine kartonnen doosjes klaargezet. Lena ging aan de klaptafel zitten met haar laptop, een liniaal en een stapel proefetiketten.
Ik keek over haar schouder mee.
Ze had een nieuw ontwerp gemaakt.
De voorkant was rustig. Zwart, crème en een klein paars accent. Geen schreeuwerige letters. Geen vrouw die door een park sprong.
Alleen:
DE BRAPHONE
LUISTER & LIFT
Daaronder stond:
Gemaakt door Milo van Dijk.
Voor handen die al genoeg te doen hebben.
Mijn keel werd even droog.
“Lena,” zei ik.
Ze keek op.
“Ja?”
“Dit is echt mooi.”
Ze keek weer naar haar scherm.
“Dank je.”
“Niet alleen mooi. Het voelt alsof het van mij is.”
Nu keek ze me wel aan.
“Dat is de bedoeling.”
Mijn moeder stond een paar meter verderop bandjes in kleine zakjes te doen. Eva plakte labels op oplaadkabels.
Allebei deden ze alsof ze ons niet hoorden.
Maar ik wist beter.
“Mag ik iets vragen?” zei ik.
Lena knikte.
“Als vrijdag goed gaat… wil je dan officieel met mij samenwerken?”
Ze werd stil.
Niet geschrokken.
Maar serieus.
“Wat bedoel je met officieel?”
“Dat je me helpt met de teksten. Met de verpakking. Met hoe ik vertel wat de Braphone is. En dat je daar natuurlijk voor betaald krijgt.”
Lena keek naar het scherm. Haar vingers lagen stil op het toetsenbord.
“Ik wil niet jouw werknemer worden,” zei ze.
“Dat wil ik ook niet.”
“Ik wil mijn eigen werk houden.”
“Dat moet je ook houden.”
“En ik wil niet dat jouw bedrijf straks belangrijker wordt dan wat ik zelf heb opgebouwd.”
“Dat wil ik niet van je vragen.”
Ze keek me aan.
“Wat vraag je dan wel?”
Ik dacht even na.
Niet te lang.
Want ik wist het al.
“Ik vraag of we iets kunnen maken waar we allebei beter van worden.”
Lena keek naar de verpakking.
Toen zei ze: “Eerst vrijdag.”
Dat was geen ja.
Maar het was ook geen nee.
Ik glimlachte.
“Eerst vrijdag.”
Mijn telefoon trilde in mijn broekzak.
Ik verwachtte een bericht van mijn moeder. Misschien een foto van Eva die met een Braphone op haar hoofd poseerde. Misschien een herinnering dat ik mijn jas niet moest vergeten.
Maar het was een onbekend nummer.
Ik opende het bericht.
Beste meneer Van Dijk,
Wij hebben vernomen dat u op vrijdag een demonstratie organiseert op de markt. Bright & Bold Retail wijst u erop dat draagbare audioproducten onderhevig kunnen zijn aan veiligheids- en merkrechten. Wij raden u aan juridisch advies in te winnen voordat u producten aanbiedt aan consumenten.
Met vriendelijke groet,
Juridische afdeling Bright & Bold Retail
Ik las het bericht twee keer.
Mijn maag trok samen.
Lena zag mijn gezicht.
“Wat is er?”
Ik gaf haar mijn telefoon.
Ze las het.
De kleur trok langzaam uit haar gezicht.
“Dat is geen waarschuwing,” zei ze.
“Wat dan?”
Ze keek op.
“Dat is intimidatie.”