Hoofdstuk 14 — De kelder onder de kapel

De zon hing laag boven de heuvels van de Provence en kleurde de wijngaarden alsof iemand er met een brede penseelstreek goud overheen was gegaan. Tussen de rijen druivenstokken liep een smal zandpad naar een oude stenen kapel, half verscholen achter cipressen en wilde lavendel.

Markie Von Zeist liep voorop, met zijn handen diep in de zakken van zijn spijkerbroek. Zijn zilverwitte haar stond alle kanten op, alsof hij zojuist ruzie had gehad met de mistral en verloren had. Naast hem liep Lavendel, haar zwarte schildersjas vol opgedroogde verfspatten, een glas rosé voorzichtig tussen twee vingers geklemd.

Achter hen sjokte de ezel.

De ezel droeg twee tassen, drie wijnflessen, een rol canvas, een strohoed die net iets te scheef op zijn hoofd stond, en een doek met verfspatten om zijn nek. Hij keek alsof hij het allemaal diep onrechtvaardig vond, maar ook alsof hij geen betere plannen had.

“Markie,” zei Lavendel zacht, “weet je zeker dat dit de juiste kapel is?”

Markie bleef staan en keek naar het gebouwtje. De kapel was klein, scheefgezakt en ouder dan sommige geheimen. Boven de houten deur hing een verweerd Mariabeeldje, waarvan de neus ontbrak.

“Zeker?” mompelde hij. “Nee. Maar dat maakt het meestal interessanter.”

Lavendel glimlachte. “Dat is jouw manier om te zeggen dat we verdwaald zijn.”

“Verdwaald zijn is slechts reizen zonder publiek.”

De ezel balkte.

“Zie je?” zei Lavendel. “Zelfs hij gelooft je niet.”

Markie negeerde het commentaar en haalde het stukje perkament uit zijn borstzak. Het was de kaart die ze in hoofdstuk 13 uit de lijst van het oude schilderij hadden gehaald. Er stonden nauwelijks woorden op, alleen een ruwe tekening van een kapel, drie druivenbladeren en een merkwaardig symbool: een paarse verfspat in de vorm van een sleutel.

Lavendel nam het perkament over. Haar ronde paarse oorbellen bewogen zachtjes toen ze haar hoofd schuin hield.

“Hier staat iets,” fluisterde ze. “Niet met inkt. Met wijn.”

Markie keek haar aan. “Met wijn?”

“Rode wijn. Oude rode wijn. Kijk maar.”

Ze hield het perkament tegen het avondlicht. Langzaam verschenen er dunne, roestbruine letters.

Waar verf en wijn elkaar ontmoeten, opent de steen haar mond.

Markie trok een wenkbrauw op. “Poëtisch. Onhandig. Verdacht.”

“Dus helemaal ons soort aanwijzing,” zei Lavendel.

Ze liepen naar de kapeldeur. Het hout kraakte al voordat Markie het aanraakte. Binnen rook het naar stof, vochtige steen en een zweem van rozemarijn die door een gebroken raampje naar binnen waaide. Het interieur was eenvoudig: een paar oude banken, een altaartje, gedoofde kaarsen en een vloer van ongelijke stenen.

Lavendel zette haar glas rosé op een vensterbank en keek rond.

“Als ik een steen was met een mond,” zei ze, “waar zou ik dan zitten?”

“Waarschijnlijk op een plek waar niemand naar luistert,” antwoordde Markie.

“Dus naast jou?”

Hij keek haar ernstig aan. Toen brak er heel even een glimlach door. Klein, dun, maar echt.

De ezel stak zijn hoofd naar binnen en niesde zo hard dat er stof uit de balken dwarrelde.

En toen klonk er een geluid.

Niet luid. Niet dramatisch.

Een zachte klik.

Lavendel draaide zich om. “Heb jij dat gedaan?”

Markie schudde zijn hoofd.

De ezel keek overdreven onschuldig.

Onder het altaar schoof een smalle steen langzaam een paar centimeter naar achteren.

Lavendel zette twee stappen vooruit, bukte en wreef met haar vingers over de rand. Er zat paarse verf op. Oud, donker en diep in de groeven getrokken.

“De verfspatsleutel,” fluisterde ze.

Markie knielde naast haar en duwde tegen de steen. Met een lage zucht schoof hij opzij. Daaronder verscheen een donkere opening met een smalle trap die naar beneden leidde.

Uit de kelder kwam koele lucht omhoog.

En de geur van wijn.

Niet zomaar wijn.

Oude wijn. Kostbare wijn. Wijn met geheimen.

Lavendel pakte haar glas rosé weer van de vensterbank. “Voor de moed.”

“Je hebt al moed,” zei Markie.

“Ja, maar met rosé klinkt het gezelliger.”

Ze daalden af. Markie eerst, Lavendel achter hem, en de ezel bleef boven staan, duidelijk van mening dat ondergrondse avonturen niet in zijn contract stonden.

De trap eindigde in een gewelfde kelder. Langs de muren lagen wijnvaten, sommige gebarsten, andere nog verzegeld met was. Overal stonden flessen onder lagen stof, met etiketten die door de tijd bijna onleesbaar waren geworden.

In het midden van de ruimte stond een ezel.

Niet de ezel met strohoed.

Een schildersezel.

Daarop stond een doek, bedekt met een zwart fluwelen kleed.

Lavendel voelde haar hart sneller kloppen.

“Markie…”

“Ik zie het.”

Aan de achterkant van de kelder brandde plotseling een kaars.

Daar stond Lady Alcina.

Ze leunde tegen een groot wijnvat alsof de hele kelder voor haar gebouwd was. Haar grote zwarte hoed wierp een schaduw over haar gezicht. In haar hand hield ze een glas rode wijn dat zo donker was dat het bijna zwart leek. Haar paarse lippen krulden in een glimlach.

“Eindelijk,” zei ze. “Ik begon al te denken dat jullie de kaart verkeerd zouden lezen.”

Markie verstijfde. “U.”

“Wat een warmte, Markie. Ik heb u ook gemist.”

Lavendel keek van Markie naar Lady Alcina. “Jullie kennen elkaar?”

“Vroeger,” zei Markie kort.

Lady Alcina lachte zacht. “Vroeger is een aardig woord voor dingen waar mannen liever niet over praten.”

Lavendel trok haar schildersjas iets rechter. “En u bent hier omdat…?”

“Omdat dit,” zei Lady Alcina terwijl ze naar het bedekte schilderij wees, “niet zomaar een schilderij is.”

Markie liep langzaam naar de schildersezel. Zijn gezicht was strak, maar zijn ogen verraadden spanning.

“Niet aanraken,” zei Lady Alcina.

Hij stopte.

“Waarom niet?”

“Omdat waarheid altijd eerst toestemming vraagt,” zei ze. “En soms bijt.”

Lavendel nam een slok rosé. “Dat klinkt precies als iets wat iemand zegt vlak voordat er iets vreselijk ingewikkelds gebeurt.”

Lady Alcina knikte tevreden. “Scherp. Daarom mag ik je.”

Ze zette haar glas rode wijn neer op een omgekeerd krat en liep naar het schilderij. Met één sierlijke beweging trok ze het fluwelen kleed weg.

Lavendel hapte naar adem.

Op het doek stond een landschap geschilderd: dezelfde heuvels, dezelfde kapel, dezelfde wijngaard. Maar in het midden van het schilderij stonden twee figuren. Een jonge kunstenaar met zilverwit haar en een vrouw met blond haar onder een zwarte hoed.

Markie en Lady Alcina.

Jaren jonger.

Tussen hen in stond een derde figuur, half verborgen in lavendelstruiken. Een vrouw met een schildersjas, paarse oorbellen en verf op haar wang.

Lavendel.

Maar dat kon niet.

Het schilderij was oud. Veel ouder dan het moment waarop zij Markie had ontmoet.

“Wat is dit?” fluisterde ze.

Markie antwoordde niet.

Lady Alcina keek naar haar, en heel even verdween de speelse hardheid uit haar gezicht.

“Dit is het eerste schilderij van de reeks,” zei ze. “Het schilderij dat nooit voltooid had mogen worden.”

Lavendel stapte dichterbij. Ze zag dat de derde figuur geen gezicht had. Alleen een vage plek, alsof de kunstenaar haar nog moest afmaken.

“Waarom sta ik daarop?”

“Misschien omdat je altijd al onderweg was,” zei Lady Alcina.

Markie draaide zich naar haar om. “Stop met raadsels.”

“Maar Markie,” zei ze zacht, “raadsels zijn het enige dat jou ooit in beweging krijgt.”

Hij balde zijn handen tot vuisten. “Ik heb dit vernietigd.”

“Nee,” zei Lady Alcina. “Je hebt geprobeerd het te vergeten. Dat is iets anders.”

De kelder werd stil.

Boven hen balkte de ezel, alsof hij vond dat iemand nu toch echt moest uitleggen wat er aan de hand was.

Lavendel legde een hand op Markies arm. “Wat heb je geschilderd?”

Hij keek naar het doek. Zijn lichtblauwe ogen leken plotseling veel ouder.

“Een belofte,” zei hij.

Lady Alcina nam haar glas weer op. “En een vloek.”

Lavendel slikte. “Natuurlijk. Het kon geen gewone belofte zijn.”

Op dat moment begon de paarse verfspat op het perkament in Lavendels hand te gloeien. Niet fel, niet als vuur, maar zacht en warm, als avondlicht door druivensap.

De verfspat op het schilderij begon ook te gloeien.

Toen verscheen er langzaam tekst onderaan het doek.

Drie glazen. Twee waarheden. Eén verdwenen naam.

Lavendel keek naar Markie.

Markie keek naar Lady Alcina.

Lady Alcina keek naar de donkere hoek achter de wijnvaten.

Daar klonk een voetstap.

Langzaam kwam er iemand uit de schaduw.

Een oude man in een verbleekte notarisjas, met een map onder zijn arm en een kurkentrekker aan een ketting om zijn hals.

“Pardon,” zei hij schor. “Ik geloof dat dit mijn moment is.”

Lady Alcina sloot haar ogen. “Ach nee.”

Markie zuchtte diep. “Niet hij.”

Lavendel keek verbaasd. “Wie is hij?”

De oude man boog stijfjes.

“Mijn naam is Étienne Clos du Secret,” zei hij. “Bewaker van testamenten, verzegelde flessen en zeer ongelukkige liefdesgeschiedenissen.”

Hij tikte met zijn kurkentrekker tegen de map.

“En ik ben hier om hoofdstuk vijftien onmogelijk te maken.”

Boven in de kapel balkte de ezel opnieuw.

Dit keer klonk het bijna als applaus.