Hoofdstuk 15 — Het testament van de vergeten fles
De oude man in de verbleekte notarisjas stond midden in de kelder alsof hij daar al jaren hoorde. Misschien was dat ook zo. In een kelder waar schilderijen konden gloeien, oude beloftes in wijn geschreven stonden en Lady Alcina plotseling uit schaduwen verscheen, was een notaris met een kurkentrekker aan een ketting eigenlijk nauwelijks nog vreemd te noemen.
Lavendel keek hem van top tot teen aan.
“U bent hier om hoofdstuk vijftien onmogelijk te maken?” vroeg ze.
Étienne Clos du Secret knikte ernstig.
“Dat is correct.”
Markie Von Zeist zuchtte. Zijn lange gezicht trok in een plooi die ergens tussen irritatie en vermoeidheid in zat.
“Étienne doet dat vaker,” zei hij. “Hij verschijnt op momenten waarop niemand hem nodig heeft en verklaart dan dat alles juridisch ingewikkeld ligt.”
“Niet juridisch ingewikkeld,” verbeterde Étienne. “Historisch gevoelig.”
Lady Alcina nam een trage slok rode wijn. Haar paarse lippen lieten een perfecte afdruk achter op het glas.
“Hij bedoelt: vervelend.”
“Precies,” zei Markie.
Lavendel keek naar het oude schilderij op de ezel. De drie figuren in het landschap leken bijna te ademen. De jonge Markie, de jonge Lady Alcina en de mysterieuze derde vrouw zonder gezicht. Een vrouw met paarse oorbellen, verf op haar wang en een schildersjas.
Een vrouw die verdacht veel op Lavendel leek.
“Goed,” zei Lavendel. “Ik wil best even meegaan in het drama. Maar als iemand mij kan uitleggen waarom ik op een oud schilderij sta dat gemaakt is vóór ik hier ooit kwam, dan zou dat heel fijn zijn.”
Étienne hief een vinger.
“Daarvoor moeten wij eerst het testament openen.”
“Van wie?” vroeg Lavendel.
“Van de fles.”
De stilte die volgde was zo volledig dat zelfs het stof leek te luisteren.
Boven in de kapel balkte de ezel.
Lavendel knipperde. “Pardon?”
Étienne liep naar een wijnvat achter in de kelder. Daar hing een klein ijzeren kastje aan de muur, verzegeld met paarse was. In de was stond hetzelfde symbool als op het perkament: een verfspat in de vorm van een sleutel.
“Het testament,” zei Étienne, “bevindt zich in de laatste fles van Château des Trois Ombres. Oogstjaar negentienhonderd achtenzeventig. Een wijn die slechts één keer gebotteld is en daarna officieel nooit heeft bestaan.”
Markie sloot zijn ogen. “O nee.”
Lady Alcina glimlachte. “O jawel.”
Lavendel keek van de een naar de ander. “Waarom krijg ik het gevoel dat iedereen hier een verleden heeft behalve ik?”
“Dat is niet helemaal waar,” zei Étienne. “U heeft misschien juist te veel verleden.”
Lavendel zette haar handen in haar zij. Haar oversized zwarte schildersjas ritselde, de verfspatten erop bijna net zo levendig als haar ogen.
“Meneer Clos du Secret, ik ben dol op mysterie, wijn en dramatische oude mannen in kelders, maar mijn geduld is geen eindeloze wijngaard. Leg uit.”
De notaris leek even onder de indruk. Toen knikte hij plechtig.
“Zoals u wenst.”
Hij pakte de kurkentrekker die aan zijn halsketting hing en stak die in het zegel van het ijzeren kastje. Tot Lavendels verbazing paste de spiraal precies in een verborgen slot. Met een klik sprong het deurtje open.
Binnen lag één fles.
Ze was bedekt met stof, spinrag en tijd. Het glas was donker, bijna zwart. Om de hals zat een lint van verbleekt paars fluweel. Het etiket was grotendeels verdwenen, maar één woord was nog leesbaar:
Mémoire.
Herinnering.
Étienne nam de fles voorzichtig in beide handen.
“Deze fles,” zei hij, “is geschonken op de avond dat het eerste schilderij voltooid had moeten worden.”
“Maar het werd niet voltooid,” zei Lavendel.
“Nee,” antwoordde Lady Alcina. Haar stem was zachter geworden. “Omdat Markie vertrok.”
Markie keek haar scherp aan. “Ik vertrok omdat jij loog.”
“Ik verzweeg iets.”
“Dat is een elegante manier van liegen.”
Lady Alcina’s ogen fonkelden. “En jij vluchtte. Dat is een mannelijke manier van zwijgen.”
Lavendel hief haar glas rosé. “Voor we hier in een toneelstuk veranderen: wat werd er verzwegen?”
Étienne kuchte.
“Dat staat in het testament.”
Hij zette de fles op een klein stenen tafeltje midden in de kelder. Op het moment dat het glas de steen raakte, gloeiden de paarse verfspatten op het schilderij opnieuw op. Ook het perkament in Lavendels hand werd warm.
Markie keek strak naar de fles.
“Niet openen,” zei hij.
Lavendel draaide zich naar hem om. “Waarom niet?”
Hij antwoordde niet meteen. Zijn gezicht, dat meestal iets afstandelijks had, leek plotseling breekbaar.
“Omdat sommige herinneringen niet terugkomen als gasten,” zei hij uiteindelijk. “Ze komen terug als schuldeisers.”
Lady Alcina zette haar glas neer.
“Poëtisch,” zei ze. “Onhandig. Verdacht.”
Lavendel kon het niet helpen. Ze glimlachte.
“Dat zei jij gisteren ook bijna.”
“Ik steel alleen van mensen die het verdienen,” zei Lady Alcina.
Étienne trok de kurkentrekker uit zijn ketting en hield hem boven de fles.
“Volgens de voorwaarden van het testament mag de fles uitsluitend geopend worden in aanwezigheid van drie getuigen: de schilder, de vrouw met de hoed en de vrouw zonder gezicht.”
Lavendel voelde een koude rilling over haar rug.
“De vrouw zonder gezicht?”
Étienne keek naar het schilderij.
“Zo werd zij genoemd.”
“Maar ik héb een gezicht,” zei Lavendel.
“Nu wel,” antwoordde de notaris.
Dat was het moment waarop de ezel boven in de kapel besloot dat hij er genoeg van had.
Er klonk een hoop gestommel, gevolgd door een harde bonk, daarna het geschuif van hoeven op steen. Even later verscheen de ezel bovenaan de trap. Zijn strohoed zat achterstevoren op zijn hoofd. Om zijn nek hing de doek met verfspatten als een heldhaftige cape.
Hij keek naar beneden alsof hij wilde zeggen: zonder mij gaat dit natuurlijk mis.
“Daar hebben we getuige vier,” zei Lavendel.
“Dieren tellen niet,” zei Étienne automatisch.
De ezel balkte beledigd.
Lady Alcina keek omhoog. “In Provence tellen ezels soms meer dan notarissen.”
“Een pijnlijk maar niet geheel onjuist punt,” mompelde Markie.
De ezel daalde voorzichtig de trap af, stap voor stap, met de waardigheid van een burgemeester die een brug opent. Eenmaal beneden snuffelde hij aan de fles, snoof, en trok toen zijn lip op.
Lavendel knikte. “Hij keurt de wijn af.”
“Onmogelijk,” zei Étienne.
“Hij is Frans,” zei Lavendel. “Hij mag dat.”
Étienne negeerde het dier en boorde de kurkentrekker in de oude kurk. Het geluid was klein, maar in de kelder klonk het alsof iemand een zegel van de tijd zelf verbrak.
Langzaam trok hij.
De kurk kwam los met een zachte zucht.
En toen gebeurde er iets vreemds.
Er kwam geen wijngeur uit de fles.
Er kwam lavendel uit.
Niet letterlijk; geen bloemen, geen paarse blaadjes. Maar de geur vulde de kelder: warme lavendelvelden na zonsondergang, vermengd met oude verf, natte steen en rode wijn die te lang op een geheim had gewacht.
Lavendel sloot haar ogen.
Heel even zag ze iets.
Een atelier.
Niet het atelier dat ze kende, maar een kamer met hoge ramen en witte gordijnen die bewogen in de mistral. Overal stonden doeken. Op de vloer lagen penselen, druiventakken, paarse linten. Een jonge Markie stond voor een schildersezel, nerveus en bezeten. Lady Alcina zat in een stoel bij het raam, haar zwarte hoed op haar knie, een glas rode wijn in haar hand.
En in het midden van de kamer stond een derde vrouw.
Geen gezicht.
Alleen licht.
Lavendel opende haar ogen.
“Wat was dat?” fluisterde ze.
“De eerste herinnering,” zei Étienne.
Hij haalde uit zijn binnenzak drie kleine glaasjes. Niet groter dan vingerhoeden. Hij schonk in elk glas een beetje wijn. De vloeistof was donkerrood, maar zodra ze het glas raakte, verscheen er een paarse glans in.
“Drie glazen,” zei Lavendel zacht. “Twee waarheden. Eén verdwenen naam.”
Markie draaide zich van de tafel weg.
“Ik drink niet.”
Lady Alcina keek naar hem. “Je dronk toen wel.”
“Toen was ik jonger.”
“Toen was je banger.”
Hij keek haar aan. “Pas op.”
Lavendel pakte een van de glaasjes.
“Genoeg,” zei ze.
Haar stem was niet luid, maar iedereen zweeg.
Zelfs de ezel.
“Ik weet niet in wat voor oude liefdesgeschiedenis ik terecht ben gekomen,” zei Lavendel. “En ik weet ook niet waarom een schilderij mij kent voordat ik mezelf kende. Maar ik weet wel dat wij geen stap verder komen als jullie allebei blijven doen alsof verdriet een wedstrijd is.”
Markie keek naar de vloer.
Lady Alcina wendde haar blik af.
Lavendel hief het kleine glas.
“Ik drink eerst.”
“Nee,” zei Markie onmiddellijk.
Maar ze had de wijn al aan haar lippen gezet.
De smaak was onmogelijk te beschrijven. Het was wijn, ja, maar ook herinnering. Het was zoet en bitter tegelijk. Het smaakte naar zomeravonden die nooit waren begonnen, naar brieven die niet waren verstuurd, naar verf die opdroogde op een doek dat niemand mocht zien.
De kelder verdween.
Lavendel stond weer in het oude atelier.
Deze keer zag ze meer.
De jonge Markie schilderde gejaagd. Hij keek telkens naar de vrouw zonder gezicht.
“Blijf staan,” zei hij. “Als ik je gezicht vind, blijft alles bestaan.”
Lady Alcina stond naast hem.
“Markie, je begrijpt niet wat je doet.”
“Ik begrijp precies wat ik doe.”
“Nee,” zei ze. “Je schildert haar niet. Je roept haar.”
De vrouw zonder gezicht draaide zich langzaam naar Lavendel toe.
En toen hoorde Lavendel een stem.
Haar eigen stem.
Maar jonger. Of ouder. Of allebei.
“Als hij mij afmaakt, moet iemand verdwijnen.”
Lavendel wilde vragen wie, maar het visioen brak open in wit licht.
Ze hapte naar adem en stond weer in de kelder. Het glaasje viel uit haar hand, maar de ezel stak net zijn hoofd vooruit en ving het onhandig in zijn mond.
“Held,” fluisterde Lavendel.
De ezel keek trots, al had hij geen idee waarom.
Markie stond nu vlak bij haar.
“Wat zag je?”
Lavendel keek naar het schilderij. De derde figuur had nog steeds geen gezicht, maar de contouren waren scherper geworden. De paarse oorbellen waren nu duidelijk zichtbaar. Ook de verfspat op de wang.
“Ik zag een atelier,” zei ze. “Jij schilderde haar. Mij. Of iemand zoals ik.”
Markie werd bleek.
Lady Alcina pakte het tweede glas en dronk zonder aarzeling.
Haar ogen werden donker.
Ze stond roerloos, maar haar hand kneep zo hard om het glas dat Lavendel bang was dat het zou breken.
Toen fluisterde Lady Alcina: “Ik heb haar naam gestolen.”
De woorden vielen zwaar op de stenen vloer.
Markie draaide zich langzaam naar haar toe.
“Wat zei je?”
Lady Alcina keek hem aan. Geen glimlach nu. Geen spel. Geen verleiding, geen masker.
Alleen schuld.
“Ik heb haar naam gestolen,” herhaalde ze. “Niet uit wreedheid. Uit angst.”
Étienne boog zijn hoofd. Alsof dit het moment was waarop hij al die jaren had gewacht.
Lavendel voelde haar hart bonzen. “Wiens naam?”
Lady Alcina keek naar het schilderij.
“De naam van de muze.”
Bij dat woord trilde het doek.
De verf begon te bewegen.
De wijngaard op het schilderij ruiste. De geschilderde lavendel wiegde in een wind die in de kelder niet bestond. De jonge Markie op het doek draaide zijn hoofd. De jonge Lady Alcina keek verschrikt naar iets buiten beeld.
En de vrouw zonder gezicht zette één stap naar voren.
Niet op het doek.
Uit het doek.
Markie greep Lavendels arm.
“Niet dichterbij.”
Maar Lavendel kon niet bewegen.
Uit het schilderij kwam een hand. Een hand van verf, licht en paarse schaduw. Daarna een arm, een schouder, een hals.
Toen stond ze daar.
De vrouw zonder gezicht.
Ze droeg een schildersjas die leek op die van Lavendel, maar ouder, lichter, bijna doorschijnend. Haar haar was vaag blond, als zonlicht door wijn. Op haar wang zat een paarse verfspat.
Waar haar gezicht had moeten zijn, was een zachte leegte.
Geen horror. Geen angst.
Eerder verdriet.
Lavendel voelde tranen prikken zonder te weten waarom.
De vrouw hief haar hand en wees naar Markie.
Daarna naar Lady Alcina.
Daarna naar Lavendel.
Étienne pakte uit zijn map een oud document, dichtgevouwen en verzegeld met paarse was.
“Volgens het testament,” zei hij, en zijn stem trilde nu, “moet de verdwenen naam worden uitgesproken door degene die haar plaats heeft ingenomen.”
Lavendel voelde de betekenis voordat ze hem begreep.
“Ik?” vroeg ze.
Étienne knikte.
“Maar ik ken haar naam niet.”
De vrouw zonder gezicht stapte dichterbij. De lucht om haar heen rook naar lavendel, wijn en natte verf.
Ze legde haar hand op Lavendels borst, precies boven haar hart.
En toen wist Lavendel het.
Niet als een gedachte.
Als een herinnering.
Een naam rolde door haar heen, zacht en helder, alsof iemand hem jaren geleden in haar ziel had geschreven en daarna met verf had bedekt.
Markie fluisterde: “Lavendel, nee…”
Lady Alcina sloot haar ogen.
Lavendel keek naar de vrouw zonder gezicht.
En sprak de naam uit.
“Éloïse.”
De kelder beefde.
Alle flessen langs de muren begonnen zacht te rinkelen. Het schilderij lichtte op als een venster naar een andere zomer. De ezel balkte zo hard dat er stof uit het gewelf viel.
De vrouw zonder gezicht boog haar hoofd.
En langzaam verscheen haar gezicht.
Ze leek niet precies op Lavendel.
Maar ze droeg dezelfde warmte in haar ogen. Dezelfde vrolijke zachtheid. Dezelfde koppige vonk van iemand die verf morst en daar vervolgens kunst van maakt.
Markie zakte bijna door zijn knieën.
“Éloïse,” fluisterde hij.
Lady Alcina veegde haastig een traan weg alsof het een belediging was dat die bestond.
Éloïse glimlachte.
Toen sprak ze.
Haar stem klonk als een penseelstreek over papier.
“Eindelijk.”
Lavendel durfde nauwelijks adem te halen. “Wie ben jij?”
Éloïse keek haar aan.
“Ik ben wat overbleef van de eerste belofte.”
Ze draaide zich naar Markie.
“En jij, mijn arme schilder, hebt nooit begrepen dat je niet mij moest afmaken.”
Markie slikte. “Wat dan wel?”
Éloïse wees naar het oude doek.
“Het verhaal.”
Op dat moment scheurde het document in Étiennes hand vanzelf open. Binnenin lag geen testament, maar een smalle strook canvas. Daarop stonden woorden geschreven in paarse verf:
Wanneer de naam terugkeert, begint het echte schilderij.
Zoek de vierde kleur onder de fontein van Saint-Rémy.
Maar pas op voor de man die zonder schaduw drinkt.
Lavendel las de zin twee keer.
“De man die zonder schaduw drinkt?” zei ze.
Étienne werd lijkbleek.
Lady Alcina fluisterde iets dat beslist niet geschikt was voor een kapel.
Markie keek naar de trap.
Boven hen, in de kapel, klonk langzaam geklap.
Eén paar handen.
Rustig.
Spottend.
Lavendel draaide zich om.
Bovenaan de trap stond een lange man in een wit linnen pak. In zijn hand hield hij een glas heldere wijn. De avondzon viel door het kapelraam achter hem naar binnen.
Maar op de stenen vloer lag geen schaduw.
De man glimlachte.
“Goedenavond,” zei hij. “Ik geloof dat jullie iets hebben gevonden dat van mij is.”
De ezel zette één stap naar voren, trok zijn strohoed recht en balkte dreigend.
Lavendel keek naar Markie.
Markie keek naar Lady Alcina.
Lady Alcina pakte de fles Mémoire alsof het een wapen was.
En Éloïse fluisterde:
“Te laat.”