Hoofdstuk 17 — Aubemauve
De kerkklokken luidden over Saint-Rémy alsof heel de Provence wakker moest worden voor een ramp die eeuwen te laat kwam.
Lavendel stond druipend naast de fontein, haar paarse sneakers vol ijskoud water, haar zwarte schildersjas zwaar van de nattigheid. Een sliert blond haar was uit haar rommelige knot ontsnapt en plakte tegen haar wang, precies naast de paarse verfspat die zojuist de fontein had geopend.
In Markies hand gloeide de glazen ampul.
Aubemauve.
De vierde kleur.
Ze bewoog in het glas alsof ze ademde. Geen verf zoals verf hoorde te zijn. Geen vloeistof, geen licht, geen rook. Het was alsof de ochtend en de herinnering samen een geheim hadden gekregen en dat geheim nu in een klein flesje gevangen zat.
Aan de overkant van het plein stond Victor Sansombre.
Achter hem verzamelden zich de schaduwlozen. Mannen en vrouwen zonder donkere afdruk op de stenen. Hun gezichten waren vaag, alsof iemand geprobeerd had hen uit te gummen maar halverwege moe was geworden. Sommigen droegen schilderskielen. Anderen wijnschorten. Eén vrouw had een bruidsboeket van verdroogde lavendel in haar handen.
De ezel drukte zijn snuit tegen Lavendels arm.
“Ja,” fluisterde ze. “Ik vind het ook nogal veel voor een dinsdag.”
Lady Alcina stond naast het schilderij, de fles Mémoire nog altijd stevig in haar hand. Haar grote zwarte hoed wierp een scherpe schaduw over haar gezicht — en Lavendel merkte ineens hoe belangrijk dat was.
Een schaduw.
Een bewijs dat je nog bij jezelf hoorde.
Éloïse zat half in, half uit het schilderij gevangen. Haar handen grepen de rand van het doek alsof het een raam was dat dicht wilde slaan. Over de geschilderde Provence trok de donkere vlek steeds verder. De lavendelvelden op het doek kleurden zwartpaars. De wijngaarden bogen onder een wind die niet bestond.
Markie keek naar de ampul, toen naar Victor.
“Wat heb je gedaan?”
Victor nam rustig een slok van zijn heldere wijn.
“Geduld gehad.”
“Eeuwenlang?” vroeg Lavendel.
Victor keek haar aan. “Tijd is minder vervelend als niemand je ziet verouderen.”
“Dat klinkt eenzaam.”
Heel even verdween zijn glimlach.
Maar alleen heel even.
“Eenzaamheid is een kleine prijs voor terugkeer.”
Lady Alcina lachte kil. “Terugkeer? Jij noemt het terugkeer? Je sleept een stoet verloren zielen achter je aan.”
Victor draaide zich half om naar de schaduwlozen.
“Verloren? Nee. Bewaard.”
Een oude schilder zonder schaduw hief langzaam zijn hoofd. Zijn ogen waren leeg, maar er zat pijn in.
“Bewaard is niet hetzelfde als levend,” zei Lavendel.
De schilder keek naar haar, alsof haar stem hem door mist heen bereikte.
Victor merkte het en zijn gezicht verstrakte.
“Genoeg.”
Hij stak zijn hand uit naar Markie.
“De ampul.”
Markie hield Aubemauve dichter tegen zijn borst.
“Nee.”
“Je weet niet hoe je haar moet gebruiken.”
“Jij wel?” vroeg Lavendel.
Victor glimlachte. “Ik heb lang genoeg naar het doek geluisterd.”
Éloïse riep vanaf het schilderij: “Hij liegt! Aubemauve gehoorzaamt niet aan bezit.”
Victor keek naar haar. Zijn stem werd zacht.
“Arme Éloïse. Nog altijd denk je dat kunst vrij wil zijn.”
“Dat wil ze ook,” zei Lavendel.
Victor keek geamuseerd. “En jij weet dat?”
Lavendel kneep haar ogen samen. Ze voelde de kou van de fontein nog in haar botten, maar daaronder brandde iets warmer. Iets koppigs. Iets dat rook naar verf, rosé en lavendelvelden na regen.
“Ik weet dat kunst gaat lekken zodra je haar probeert op te sluiten.”
De ezel balkte bevestigend.
“Dank je,” zei Lavendel.
Étienne Clos du Secret stond iets achter hen, wit weggetrokken maar nog steeds met zijn map onder zijn arm.
“Volgens het oude testament,” zei hij bibberend, “mag de vierde kleur slechts worden aangebracht door degene die de verdwenen naam heeft teruggegeven.”
Iedereen keek naar Lavendel.
Lavendel keek naar Étienne.
“Natuurlijk,” zei ze. “Want waarom zou ik gewoon eens droog blijven en toekijken?”
Markie schudde zijn hoofd.
“Nee.”
“Markie.”
“Nee, Lavendel. Je weet niet wat het kost.”
“Niemand weet dat ooit van tevoren,” zei ze zachter. “Dat is helaas de administratie van het leven.”
Hij keek haar aan. Zijn lange, ernstige gezicht stond vol angst. Niet de angst van een man die bang was voor Victor. Maar van iemand die al eens iemand verloor aan een schilderij.
Éloïse keek naar hem vanaf het doek.
“Markie,” zei ze zacht. “Je kunt haar niet beschermen door haar stil te zetten.”
Die woorden raakten hem harder dan Victor ooit had gekund.
Lady Alcina zette de fles Mémoire op de rand van de fontein.
“Dan moeten we snel zijn,” zei ze. “Victor wordt sterker zolang het schilderij hem herinnert.”
De donkere vlek op het doek kroop verder. Nu bereikte zij de geschilderde kapel. De lucht boven het landschap werd zwart als oude wijn.
Victor zette een stap naar voren.
De schaduwlozen volgden.
Hun voetstappen maakten geen geluid.
Dat was misschien nog erger dan wanneer ze dat wel hadden gedaan.
Lavendel stak haar hand uit naar Markie.
“De ampul.”
Hij bleef een seconde te lang stil.
Toen legde hij haar het kleine glazen flesje in de hand.
Zijn vingers bleven heel even op de hare liggen.
“Als het doek iets van je vraagt,” zei hij hees, “geef het dan niet alles.”
Lavendel glimlachte klein.
“Markie, lieverd, ik ben een kunstenares. Ik geef altijd te veel. Maar nooit zonder commentaar.”
Ze draaide zich naar het schilderij.
Éloïse keek haar aan.
“Je moet de kleur niet op Victor schilderen,” zei Éloïse. “Dat is wat hij wil.”
“Waar dan?”
Éloïse legde haar hand op haar eigen borst.
“Op de plek waar het verhaal ontbreekt.”
Lavendel keek naar het doek. De jonge Markie. De jonge Lady Alcina. De wijngaard. De kapel. Éloïse, nu met gezicht. En daarachter, bijna onzichtbaar, de lege figuur van Victor, geschilderd in afwezigheid.
Maar er was nog iets.
In het midden van het doek, tussen de drie oorspronkelijke figuren, zat een kleine onbeschilderde plek. Geen fout. Geen beschadiging. Een bewust leeg gelaten stukje canvas.
Niet groter dan een munt.
Lavendel voelde het meteen.
“Daar,” fluisterde ze.
Victor’s stem sneed over het plein.
“Niet doen.”
Lavendel keek over haar schouder.
“Dat klinkt alsof ik precies goed zit.”
Victor hief zijn hand.
De schaduwlozen kwamen in beweging.
Lady Alcina stapte naar voren. Ze gooide de fles Mémoire hoog in de lucht, ving haar bij de hals en trok met haar tanden de oude kurk eruit.
“Wie wijn van herinnering wil,” zei ze, “moet tegen de kater kunnen.”
Ze slingerde de fles in een wijde boog. Rode wijn spatte over de stenen van het plein. Waar de druppels vielen, verschenen kleine schaduwen. Niet groot, niet stevig, maar genoeg om de schaduwlozen te laten wankelen.
Een jonge vrouw met een lavendelboeket keek naar de schaduw aan haar voeten en begon te huilen.
“Ik… ik had er één,” fluisterde ze.
Victor siste woedend.
“Alcina!”
“Lady Alcina,” zei ze opnieuw, en schonk nog een straal wijn over het plein.
Étienne dook achter de fontein, bladerde paniekerig in zijn documenten en riep: “Ik zoek de clausule over noodgebruik van betoverde wijn!”
“Doe dat vlugger!” riep Markie.
De ezel had intussen besloten dat hij ook een strategie had. Hij draafde naar een klein terrasje aan de rand van het plein, greep met zijn tanden een rood-wit geblokt tafelkleed en trok het met één ruk van de tafel. Borden, lepels en een mandje brood vlogen door de lucht.
Het tafelkleed belandde over het hoofd van twee schaduwlozen, die verward tegen elkaar aan botsten.
Lavendel kon ondanks alles bijna lachen.
“Dat dier verdient een eigen hoofdstuk.”
Markie stond nu tussen haar en Victor in. Zijn handen trilden, maar zijn stem was scherp.
“Victor! Kijk naar mij.”
Victor draaide zijn hoofd.
“Altijd zo dramatisch, Markie.”
“Je wilde eeuwigheid,” zei Markie. “Maar je hebt alleen stilstand gemaakt.”
Victor’s gezicht werd hard.
“Jij praat over stilstand? Jij liet haar onafgemaakt achter.”
“Ik was bang.”
“Je was laf.”
“Ja,” zei Markie.
Dat ene woord was zo eenvoudig dat het plein even leek stil te vallen.
Markie haalde adem.
“Ik was laf. Ik dacht dat als ik het schilderij niet afmaakte, niemand hoefde te verdwijnen. Ik dacht dat onvoltooide kunst minder pijn deed dan verlies.”
Éloïse sloot haar ogen.
Markie keek naar het doek.
“Maar ik heb jullie allemaal gevangen gehouden in mijn angst.”
Lady Alcina keek naar hem. Haar uitdrukking verzachtte.
Victor lachte honend.
“Wat ontroerend. Een schuldbekentenis onder maanlicht.”
“Nee,” zei Markie. “Een afleiding.”
Victor’s ogen schoten naar Lavendel.
Te laat.
Lavendel had de ampul geopend.
Er kwam geen geur uit. Geen damp. Alleen een dun straaltje kleur dat zich om haar penseel wikkelde. Waar dat penseel vandaan kwam wist ze niet eens precies; waarschijnlijk uit een van haar jaszakken, waar altijd minstens drie penselen, twee kurken en een verdwaald stukje kaas woonden.
Aubemauve raakte de haren van het penseel.
Lavendel voelde iets door haar heen trekken.
Geen visioen dit keer.
Een vraag.
Wat wil je bewaren?
Ze keek naar Éloïse.
Naar Markie.
Naar Lady Alcina met haar glasrode woede en verborgen verdriet.
Naar Étienne, die half achter de fontein zat en nu eindelijk een papier omhooghield alsof hij de wet zelf had gevangen.
Naar de ezel, trots verstrikt in het tafelkleed.
Naar de schaduwlozen, al die mensen die ooit iets hadden gewild: gezien worden, geliefd blijven, niet verdwijnen.
En toen wist ze het antwoord.
“Niets,” fluisterde ze.
De kleur op haar penseel trilde.
“Ik wil niets bewaren door het op te sluiten.”
Ze zette het penseel op de lege plek in het schilderij.
Victor schreeuwde.
Maar het penseel bewoog al.
Lavendel schilderde geen gezicht. Geen lichaam. Geen slot. Geen sleutel.
Ze schilderde een deur.
Een kleine deur in het midden van de wijngaard, precies tussen herinnering en begin. De deur had de kleur van vroege ochtend boven lavendelvelden: paars, roze, goud en iets wat geen naam had behalve Aubemauve.
Zodra de laatste penseelstreek het doek raakte, brak het schilderij open.
Niet letterlijk.
Het scheurde niet. Het verbrandde niet.
Het ademde uit.
Een warme wind stroomde over het plein. De geur van lavendel, natte verf en rijpe druiven vulde de nacht. De kerkklokken stopten abrupt, alsof iemand hun keel had dichtgekust.
De schaduwlozen bleven staan.
Toen keek de jonge vrouw met het lavendelboeket naar haar voeten.
Onder haar lag een schaduw.
Klein.
Bevend.
Maar echt.
Eén voor één begonnen de anderen hun schaduw terug te krijgen. Sommigen vielen op hun knieën. Sommigen lachten. Sommigen verdwenen in goudpaars licht, niet alsof ze stierven, maar alsof ze eindelijk verder mochten lopen.
Victor deinsde achteruit.
“Nee.”
Zijn witte pak begon donker te worden. Niet door wijn. Door schaduw. Onder zijn voeten verscheen een vlek, maar die lag verkeerd. Ze viel niet achter hem. Ze kroop naar hem toe, als een dier dat zijn eigenaar na jaren terugvindt en niet zeker weet of het hem nog vergeeft.
Victor keek doodsbang naar de grond.
“Dit is niet de bedoeling.”
Lavendel hield het penseel nog steeds vast.
“Schaduwen zijn lastig,” zei ze. “Ze volgen je niet omdat je de baas bent. Ze volgen je omdat je echt bent.”
Victor schudde zijn hoofd.
“Ik wilde alleen blijven.”
Éloïse stapte nu volledig uit het schilderij.
Dit keer zonder strijd.
Ze liep naar Victor toe. Iedereen hield zijn adem in.
Markie maakte een beweging, maar Lady Alcina legde een hand op zijn arm.
“Laat haar.”
Éloïse bleef voor Victor staan.
“Je wilde niet blijven,” zei ze zacht. “Je wilde dat niets zonder jou verderging.”
Victor keek haar aan. Voor het eerst leek hij niet machtig. Alleen oud. Ouder dan zijn gezicht.
“Ik was bang om vergeten te worden.”
Éloïse knikte.
“Dat worden we allemaal een beetje.”
Ze hief haar hand en raakte zijn wang aan.
Victor sloot zijn ogen.
Zijn schaduw bereikte zijn voeten.
Een ogenblik leek het alsof hij eindelijk heel werd.
Maar toen greep hij plotseling naar Éloïse’s pols.
“Dan kom jij met mij mee.”
De lucht knapte.
Markie riep haar naam.
Lady Alcina gooide de lege fles Mémoire naar Victor, maar die spatte tegen een onzichtbare muur uiteen.
Victor trok Éloïse naar zich toe en stapte achteruit, recht naar het schilderij.
De deur die Lavendel had geschilderd stond open.
Daarachter glansde een landschap dat niet het doek was en niet de werkelijkheid. Een tussenplaats. Een ochtend die nog niet besloten had of zij dag wilde worden.
Victor sleepte Éloïse mee naar de deur.
Lavendel dacht niet na.
Ze sprong.
Markie greep naar haar, maar ving alleen een natte mouw.
“Lavendel!”
De wereld kantelde.
Lavendel, Victor en Éloïse vielen door de geschilderde deur.
En kwamen terecht in een lavendelveld onder een aubemauve hemel.
Het veld strekte zich eindeloos uit. Geen Saint-Rémy. Geen plein. Geen fontein. Alleen rijen lavendel, zilvergroene olijfbomen in de verte en een zon die nog niet was opgekomen.
Éloïse lag op de grond, bleek en flikkerend. Victor stond boven haar, zijn schaduw nu als een donkere mantel om hem heen.
Lavendel krabbelde overeind. Haar baret was verdwenen. Haar haar hing los rond haar gezicht. Haar penseel had ze nog.
Victor draaide zich naar haar om.
“Jij had buiten moeten blijven.”
Lavendel veegde modder van haar wang.
“Dat zeggen mensen vaker net voordat ik iets verstandigs doe.”
“Je begrijpt deze plaats niet.”
“Nee,” zei Lavendel. “Maar ik begrijp deuren. Als je ze schildert, mag je ook bepalen wie erdoorheen mag.”
Victor lachte. “Dit is mijn domein.”
Lavendel keek naar de lavendelvelden. Naar de hemel. Naar de kleur die overal in de lucht hing.
“Dat denk je omdat je nooit iets hebt gemaakt zonder het te willen bezitten.”
Ze doopte haar penseel in de laatste rest Aubemauve die nog aan de haren kleefde.
Victor stapte naar haar toe.
“Wat ga je doen? Mij overschilderen?”
Lavendel glimlachte.
“Erger.”
Ze draaide zich om en schilderde op de lucht een raam.
Niet groot. Niet perfect. Een beetje scheef zelfs. Maar door het raam zag ze het plein van Saint-Rémy. Markie stond aan de andere kant, bleek van angst. Lady Alcina naast hem, woedend en prachtig. Étienne zwaaide met papieren. De ezel probeerde met zijn hoofd door het schilderij te duwen.
“Markie!” riep Lavendel. “Ik heb een raam gemaakt!”
Aan de andere kant hoorde ze zijn stem, dof maar duidelijk.
“Waarom geen deur?”
“Geen tijd voor bouwkritiek!”
Victor stormde op haar af.
Éloïse kwam overeind en greep hem van achteren vast. “Nu!”
Lavendel stak haar hand door het geschilderde raam.
Markie begreep het.
Hij pakte haar hand.
Op datzelfde moment beet de ezel in de rand van het schilderij en trok met alle kracht die een beledigde, natte, Franse ezel kon opbrengen.
Lady Alcina greep Markies middel.
Étienne greep Lady Alcina’s mantel.
En samen trokken ze.
Lavendel voelde Victor’s vingers langs haar jas schampen. Een koude pijn schoot door haar schouder.
Toen scheurde de lucht open.
Lavendel en Éloïse vlogen door het raam terug het plein op. Ze kwamen in een onwaardige hoop terecht boven op Markie, Lady Alcina, Étienne en het tafelkleed.
De ezel viel als laatste om, zeer dramatisch, hoewel niemand hem had aangeraakt.
Het schilderij klapte dicht.
De deur op het doek verdween.
Maar Victor bleef niet achter.
Zijn hand stak nog uit de geschilderde opening.
Daarna zijn arm.
Zijn gezicht verscheen in het canvas, verwrongen van woede.
“Jullie kunnen mij niet buitensluiten!”
Lavendel lag hijgend op de stenen. Haar penseel was bijna leeg. Aubemauve gloeide nog één keer op.
Ze kroop naar het doek.
Markie wilde haar tegenhouden, maar Éloïse pakte zijn hand.
“Laat haar het afmaken,” zei ze.
Lavendel keek Victor recht aan.
“Je had gelijk,” zei ze. “Iemand moet in het schilderij ontbreken.”
Victor’s ogen werden groot.
“Niet ik.”
“Nee,” zei Lavendel zacht. “Je macht.”
Ze zette de laatste streep Aubemauve dwars over de geschilderde schaduw achter Victor.
Niet over zijn gezicht.
Niet over zijn hart.
Over dat wat hem aan het doek bond.
De schaduw brak in duizend kleine paarse vogels.
Victor schreeuwde, maar zijn stem werd meegenomen door vleugels. De vogels vlogen uit het schilderij, cirkelden boven het plein en losten op in het eerste licht van de ochtend.
Victor bleef achter op het doek.
Maar anders.
Niet als heerser.
Niet als verzamelaar.
Als een kleine, verre figuur aan de rand van de wijngaard, met eindelijk een gewone schaduw aan zijn voeten.
Het plein werd stil.
De eerste echte ochtendzon gleed over de daken van Saint-Rémy.
Aubemauve verdween uit de ampul. Het glas werd helder en leeg.
Éloïse stond naast Lavendel. Ze was nog altijd licht, nog altijd niet helemaal van deze wereld, maar haar gezicht was vredig.
Markie kwam langzaam overeind.
“Éloïse…”
Zij glimlachte naar hem.
“Je hoeft me niet meer af te maken.”
Zijn ogen werden nat.
“Wat moet ik dan doen?”
Ze keek naar Lavendel. Daarna naar Lady Alcina. Daarna naar de ezel, die nog steeds half onder het tafelkleed lag en deed alsof dat een bewuste keuze was.
“Verder schilderen,” zei Éloïse.
Toen boog ze zich naar Lavendel en kuste haar zacht op het voorhoofd.
“Dank je, tweede vorm.”
Lavendel slikte.
“Ik weet nog steeds niet helemaal wat ik ben.”
Éloïse glimlachte.
“Mooi. Dan kun je nog van alles worden.”
Langzaam begon Éloïse op te lossen in licht. Niet verdrietig. Niet gewelddadig. Maar als ochtendmist boven lavendelvelden.
Markie fluisterde haar naam nog één keer.
“Éloïse.”
Ze keek naar hem.
“Vergeet me niet te veel,” zei ze. “Maar ook niet te weinig.”
En toen was ze weg.
Alleen de geur van lavendel bleef achter.
Lady Alcina draaide zich om, zogenaamd om haar hoed recht te zetten. Maar Lavendel zag dat ze haar ogen afveegde.
Étienne haalde diep adem en keek naar zijn documenten.
“Juridisch gezien,” zei hij, “is dit een nachtmerrie.”
De ezel balkte.
Lavendel glimlachte moe.
“Eindelijk zegt iemand iets normaals.”
Markie pakte het schilderij op. Het doek was veranderd. De kapel stond er nog. De wijngaard ook. De jonge Markie en Lady Alcina waren verdwenen. Éloïse was verdwenen.
Alleen een klein geschilderd deurtje bleef achter tussen de lavendelstruiken.
En onderaan, in sierlijke paarse letters, stond een nieuwe zin:
Wie de vierde kleur vindt, moet kiezen wat niet wordt meegenomen.
Lavendel las de woorden hardop.
Markie fronste.
Lady Alcina werd heel stil.
Étienne sloeg zijn map dicht.
“Dat,” zei hij, “is geen einde.”
De ezel stapte naar het schilderij, snoof eraan en trok een bijzonder afkeurend gezicht.
Lavendel keek naar de opkomende zon boven Saint-Rémy.
In de verte begonnen de eerste luiken open te slaan. Een bakker zette zijn deur op een kier. Ergens rook het naar vers brood. De wereld deed alsof er niets gebeurd was.
Maar op Lavendels natte jas zat een nieuwe verfspat.
Niet paars.
Niet rood.
Aubemauve.
Een kleine, glanzende vlek precies boven haar hart.
Markie zag het ook.
“Lavendel…”
Ze legde haar hand erop.
De vlek was warm.
Uit de verte, misschien uit het schilderij, misschien uit de heuvels, klonk een stem die leek op Éloïse.
De keuze komt nog.
Lady Alcina keek naar de weg richting het zuiden.
“Dan stel ik voor,” zei ze, “dat we eerst wijn drinken.”
Lavendel keek naar haar doorweekte kleren, naar Markies bezorgde gezicht, naar de ezel met het tafelkleed als cape, naar Étienne die eruitzag alsof hij een eeuw vakantie nodig had.
Toen glimlachte ze.
“Rosé voor mij.”
Markie zuchtte.
“Het is zes uur ’s ochtends.”
Lavendel sloeg haar arm door de zijne.
“Precies. Ontbijtwijn.”
En terwijl de zon de Provence goud kleurde, liepen ze samen het plein af.
Achter hen bleef het schilderij even staan tegen de fontein.
Niemand zag hoe het kleine geschilderde deurtje heel langzaam op een kier ging.