Milo

Aan het einde van de avond stonden er achttien namen op Noors clipboard.

Achttien.

Niet tien.

Niet twaalf.

Achttien mensen die een formulier hadden ingevuld. Achttien mensen die hun maat hadden opgeschreven. Achttien mensen die wilden luisteren naar muziek, podcasts of luisterboeken zonder eerst hun tas, jaszakken en bankstel af te zoeken naar oortjes.

Ik keek naar het papier alsof het elk moment kon verdwijnen.

“Achttien,” zei ik.

Noor keek op.

“Dat zeg je nu al voor de vierde keer.”

“Maar het zijn er ook echt achttien.”

“Dat blijft zo, zelfs als je het vaker zegt.”

Farah stond naast haar met een kop muntthee.

“Er waren ook mensen die eerst willen afwachten,” zei ze. “Dat is goed.”

“Goed?” vroeg ik.

“Ja. Ze waren nieuwsgierig, maar eerlijk. Niet iedereen hoeft meteen ja te zeggen.”

Ik knikte.

Dat klonk verstandig.

Maar ik dacht vooral aan achttien.

Achttien Braphones.

Achttien doosjes.

Achttien keer bandjes controleren, knopjes testen, opladen, uitleggen en hopen dat er geen meditatieve mannenstem uit de speakers kwam.

Mijn moeder kwam naast me staan.

“Je kijkt alsof je een probleem hebt.”

“Geen probleem,” zei ik. “Een planning.”

Ze glimlachte.

“Dat woord heb je van Lena.”

“Ik weet het.”

Lena stond aan de andere kant van de zaal. Ze hielp Joost met het verzamelen van lege glazen. Haar groene jas hing over een stoel. Haar haar was losgeraakt uit de knot die ze aan het begin van de avond had gemaakt.

Ze lachte om iets wat Joost zei.

Ik keek iets te lang.

Mijn moeder zag dat natuurlijk.

“Ga haar helpen,” zei ze.

“Ze redt zich wel.”

“Dat weet ik. Maar jij niet.”

“Mam.”

“Wat? Jij hebt de hele avond met iedereen gepraat behalve met haar.”

“Dat is niet waar.”

“Je hebt drie keer naar haar gezwaaid vanaf de Braphone-tafel.”

“Dat telt als contact.”

“Ga.”

Mijn moeder duwde me niet letterlijk.

Dat hoefde ook niet.

Ik liep naar Lena toe.

“Heb je hulp nodig?” vroeg ik.

Ze keek op.

“Met glazen?”

“Ja.”

“Kun jij glazen dragen?”

“Dat heb ik eerder gedaan.”

“Zonder iets te laten vallen?”

Ik pakte twee lege glazen van de tafel.

“Voor honderd procent.”

Ze keek me aan.

“Niet zeggen.”

“Sorry.”

“Ook niet.”

“Deze regel blijft ingewikkeld.”

Ze glimlachte en pakte de rest van de glazen.

Samen liepen we naar de kleine keuken achter in De Oude Drukkerij. De ruimte was smal. Er stond een oud aanrecht, een vaatwasser die eruitzag alsof hij al bestond voordat bluetooth was uitgevonden en een stapel schone theedoeken.

Ik zette de glazen neer.

Lena deed hetzelfde.

Even zei niemand iets.

Door de halfopen deur hoorden we de anderen napraten. Piet riep dat hij de laatste kibbeling zelf wel op zou eten. Eva riep dat dit geen offer was. Noor zei dat ze het clipboard mee naar huis nam omdat Milo het anders zou kwijtraken.

Ze had gelijk.

“Achttien,” zei ik.

Lena draaide zich naar me om.

“Ja.”

“Dat is veel.”

“Het zijn achttien inschrijvingen. Geen achttien bestellingen die morgen af moeten.”

“Dat weet ik.”

“Maar?”

Ik leunde met mijn handen op het aanrecht.

“Maar ik wil ze niet teleurstellen.”

Lena knikte langzaam.

“Dat snap ik.”

“Ik heb gezegd dat ik ze binnen drie weken kan leveren.”

Ze keek me aan.

“Heb je dat gezegd?”

“Misschien.”

“Milo.”

“Ze vroegen wanneer het kon.”

“En jij zei drie weken?”

“Het klonk haalbaar.”

Lena sloot heel even haar ogen.

Niet boos.

Eerder alsof ze tot tien telde.

“Hoeveel Braphones kun jij in drie weken maken?”

“Achttien.”

“Alleen?”

“Ik heb mijn moeder. Eva. Misschien Farah.”

“Je moeder kan helpen inpakken. Eva kan kabels labelen. Farah kan testen.”

“Dat is veel hulp.”

“Maar jij bent nog steeds de enige die precies weet hoe alles technisch moet.”

Ik keek naar de vloer.

Ze had gelijk.

Natuurlijk had ze gelijk.

“Ik kan langer werken,” zei ik.

“Milo.”

“Het is maar drie weken.”

“Je was vanochtend om half zes al in de garage.”

“Dat was voorbereiding.”

“Dat was stress.”

Ik wilde zeggen dat ik niet gestrest was.

Maar dat zou een belachelijke leugen zijn geweest.

“Misschien kan ik een paar onderdelen vooraf laten maken,” zei ik. “De bandjes bijvoorbeeld. Of de doosjes. En ik kan grotere aantallen speakers bestellen.”

“Met welk geld?”

Ik keek op.

Daar had ik niet goed over nagedacht.

Niet omdat ik geen geld had. Ik had wat spaargeld. En de opbrengst van mijn marktverkoop. Maar genoeg voor achttien sets onderdelen, betere stof, verpakkingen en misschien een extra test?

Nee.

Niet zonder dat mijn rekening ongemakkelijk begon te doen.

“Ik regel het wel,” zei ik.

Lena keek me lang aan.

Ik kende die blik.

Het was dezelfde blik die ze had gehad toen ik bijna meteen ja wilde zeggen tegen Bright & Bold.

“Milo,” zei ze zacht. “Je hoeft niet alles vanavond te regelen.”

“Maar ik moet wel iets doen.”

“Ja. Maandag kun je bellen. Prijzen vergelijken. Een plan maken.”

“Een echte planning.”

“Precies.”

Ik knikte.

“Oké.”

Ze wees naar me.

Ik hief mijn handen.

“Niet zeggen. Ik weet het.”

Lena glimlachte.

Toen werd ze weer serieus.

“En nog iets.”

“Wat?”

“Je hebt vanavond heel goed geluisterd naar mensen.”

“Dank je.”

“Maar je luisterde niet naar jezelf.”

Ik begreep niet meteen wat ze bedoelde.

Ze ging verder.

“Je stond daar bijna drie uur. Je hebt geen pauze genomen. Je hebt nauwelijks gegeten. Je was zo bezig met bewijzen dat de Braphone echt is, dat je vergat dat jij ook echt bent.”

Ik keek naar de lege glazen.

Dat klonk als iets wat je zei tegen iemand die te moe was om het zelf te merken.

“Het ging goed,” zei ik.

“Ja.”

“Roderick kwam langs en ik raakte niet in paniek.”

“Dat deed je goed.”

“Er waren achttien inschrijvingen.”

“Dat is geweldig.”

“Dus waarom voelt het alsof ik iets verkeerd doe?”

Lena stapte dichterbij.

“Omdat je denkt dat succes alleen telt als je er kapot van gaat.”

De woorden kwamen harder binnen dan ik had verwacht.

Ik wilde ertegenin gaan.

Maar ik kon geen goed argument bedenken.

Mijn vader had altijd lang gewerkt. Niet omdat hij dat leuk vond, maar omdat er rekeningen waren. Omdat dingen gemaakt moesten worden. Omdat er altijd nog iets stuk was dat gerepareerd moest worden.

Ik had hem vaak in zijn schuur gezien, laat op de avond. Een lamp boven zijn hoofd. Een beker koude koffie op de werkbank.

Hij had dan gezegd: “Nog even.”

Nog even was soms drie uur.

Misschien had ik dat onthouden.

Misschien dacht ik ergens dat iets pas belangrijk was als je er alles voor gaf.

“Ik weet niet hoe ik het anders moet doen,” zei ik.

Lena keek zachter.

“Dan leer je het.”

“Hoe?”

“Door niet morgen al achttien Braphones te beloven.”

“Die heb ik al beloofd.”

“Dan door maandag eerst te slapen.”

Ik lachte kort.

“Dat is geen ondernemersadvies.”

“Dat is mensenadvies.”

Ik wilde haar kussen.

Niet omdat ik iets wilde oplossen met een kus. Niet omdat ik haar woorden wilde onderbreken.

Ik wilde haar gewoon dichtbij hebben.

Dus vroeg ik: “Mag ik je kussen?”

Ze keek naar me.

“Nu vraag je het?”

“Dat leek me verstandig.”

“Het is heel verstandig.”

“Dus?”

“Ja.”

Ik kuste haar.

Deze keer was het niet buiten een groot kantoor, met regen en adrenaline.

Het was in een kleine keuken die naar afwasmiddel rook. Achter ons zoemde de oude koelkast. In de zaal klonk gelach.

Maar het voelde rustiger.

Alsof ik nergens heen hoefde.

Alsof achttien namen niet meteen achttien problemen waren.

Alleen achttien mogelijkheden.

Toen Lena iets naar achteren ging, hield ze haar handen nog even op mijn armen.

“Maandag,” zei ze, “gaan we plannen.”

“Ja.”

“En zondag?”

Ik glimlachte.

“Lasagne?”

“Je moeder maakt veel lasagne.”

“Dat is een feit.”

“Dan zondag lasagne.”

“En zaterdag?”

Ze trok haar wenkbrauw op.

“Het is al zaterdag.”

Ik keek naar de klok boven de deur.

Twaalf minuten over twaalf.

“Dat is waar.”

“Dus nu?”

Ik keek haar aan.

“Nu brengen we glazen terug.”

“Precies.”

We liepen samen terug de zaal in.

Maar voor ik de keuken uitging, trilde mijn telefoon.

Een onbekend nummer.

Ik opende het bericht.

Geen juridisch taalgebruik deze keer.

Geen waarschuwing.

Alleen een foto.

Op de foto stond een grote reclamezuil op het station. Een vrouw in een sporttop rende door een park. Om haar middel zat een brede, glanzende band.

In grote letters stond:

BOLD SOUNDWEAR
BE FREE. BE HEARD.

Onder de foto stond één zin.

Ze zijn sneller dan je dacht. — R.

Ik bleef staan.

Lena zag mijn gezicht.

“Wat is er?”

Ik liet haar de foto zien.

Ze las de tekst.

Toen keek ze me aan.

“Roderick?”

Ik knikte.

“Ze hebben iets gemaakt.”

Lena keek nog eens naar de sportieve vrouw op het scherm.

Naar de brede band om haar middel.

Het was geen Braphone.

Niet precies.

Maar het was dichtbij genoeg.

“Dan,” zei Lena, “moeten we maandag niet alleen plannen.”

Ik wachtte.

Ze gaf mijn telefoon terug.

“We moeten ook kiezen wat de Braphone wél is.”