Hoofdstuk 18 — De Nacht van de Blauwe Maan

De mistral was gaan liggen.

Dat alleen al voelde als een gebeurtenis.

De hele dag had de wind door de cipressen gejaagd alsof hij ruzie had met de heuvels van de Provence. Hij had stof over het erf geblazen, de waslijn laten dansen en Lavendel drie keer gedwongen haar zwarte baret achterna te rennen, terwijl Markie vanaf het bankje bij de oude platanen droog had opgemerkt:

‘Een kunstenaar moet lijden.’

Waarop Lavendel, met haar baret scheef op haar blonde rommelknot en een paarse verfveeg op haar wang, had teruggeroepen:

‘Een schrijver ook. Wacht maar tot ik je in hoofdstuk achttien iets héél ongemakkelijks laat meemaken.’

Nu, uren later, was het stil.

Niet gewoon stil, maar Zuid-Frans stil. Het soort stilte waarin krekels het hoogste woord voeren, de wijnranken zacht ritselen en ergens in de verte een hond blaft alsof hij een geheim kent dat niemand anders mag weten.

Boven de heuvels hing een volle maan. Niet wit, niet geel, maar met een vreemde koele glans. Blauwachtig bijna.

Lavendel stond op het terras van het oude atelierhuis, een glas rosé in haar hand, en kneep haar ogen samen.

‘Markie?’

Vanuit de deuropening klonk zijn stem.
‘Als het over die maan gaat: ik heb haar ook gezien.’

Markie Von Zeist kwam naar buiten, langzaam, met die bedachtzame pas van iemand die altijd eerst de wereld wantrouwt voordat hij haar beschrijft. Zijn zilverwitte haar stond nog warriger dan anders, alsof de mistral er een persoonlijke opdracht van had gemaakt. Hij droeg zijn donkerblauwe polo, een spijkerbroek en zijn paarse sneakers met witte veters. Op één schoen zat nog altijd die ene hardnekkige verfspat.

‘Ze is blauw,’ zei Lavendel.

‘Maanlicht doet rare dingen met mensen.’

‘En met wijn?’

Markie keek naar haar glas.
‘Vooral met jou.’

Lavendel glimlachte en nam een slok.
‘Ik heb het gevoel dat er iets gaat gebeuren.’

‘Dat zeg je elke avond.’

‘Ja, maar meestal gebeurt er dan ook iets.’

Alsof het ezeltje dat had verstaan, klonk er achter de schuur een zacht maar nadrukkelijk gebalk.

‘Zie je?’ zei Lavendel.

Markie zuchtte.
‘Dat is geen voorteken. Dat is een ezel met een dramatisch temperament.’

De ezel heette officieel Alphonse, maar niemand noemde hem zo. Zelfs de dierenarts niet. Voor iedereen was hij gewoon Ezel. Hij was klein, eigenwijs en had een strohoed die voortdurend schuin over één oor zakte. Om zijn rug lag een doek vol oude verfvlekken, en aan weerszijden droeg hij manden waarin van alles verdween: schildersdoeken, penselen, stokbroden, flessen wijn, verdwaalde brieven, en soms dingen waarvan niemand nog wist wie ze erin had gestopt.

Lavendel liep het trapje af naar het erf.

‘Kom, Markie. Hij roept ons.’

‘Hij balkt.’

‘Dat is ezeltaal voor: kom onmiddellijk, er is iets geheimzinnigs aan de hand.’

‘Ik vrees dat jij vloeiender ezel spreekt dan verstandig is.’

Toch volgde Markie haar.

Achter de schuur stond Ezel onder de oude vijgenboom. Zijn strohoed hing inderdaad scheef, en hij krabde met een hoef in het stof. Niet zomaar wat krabben. Nee, hij schraapte doelbewust over dezelfde plek, telkens opnieuw.

Lavendel hurkte naast hem neer.
‘Wat heb je gevonden, mon petit?’

Ezel snoof.

Markie boog zich voorover. In het maanlicht zag hij tussen het stof iets glinsteren.

‘Wacht.’

Hij knielde met enige moeite neer, veegde aarde opzij en pakte een klein metalen voorwerp op. Het was rond, plat en oud. Een munt misschien. Of een zegel.

Lavendel hield haar glas opzij zodat er geen rosé in het archeologische moment terechtkwam.

‘Wat is het?’

Markie draaide het ding tussen duim en wijsvinger.
‘Een medaillon.’

Aan één kant stond een druiventros gegraveerd. Aan de andere kant een oog, omringd door kleine vlammen.

Lavendel voelde een rilling over haar armen lopen.

‘Dat oog heb ik eerder gezien.’

Markie keek op.
‘Waar?’

‘In de wijnkelder van Lady Alcina.’

De stilte die daarop volgde, was niet langer vredig. Ze werd dikker. Zwaarder. Alsof de nacht zelf dichterbij kwam staan om mee te luisteren.

Lady Alcina woonde op Château Pourpre, hoger op de heuvel, tussen oude wijnranken en cipressen die eruitzagen alsof ze al eeuwen roddels verzamelden. Ze was beroemd om haar rode wijn, haar zwarte hoed, haar scherpe glimlach en haar gewoonte om net iets te veel te weten voordat iemand iets had verteld.

Markie stopte het medaillon in zijn broekzak.

‘Dan brengen we het morgen naar haar toe.’

Lavendel keek naar de blauwe maan.
‘Morgen?’

‘Ja. Morgen. Overdag. Wanneer geheimzinnige vrouwen met grote hoeden minder geneigd zijn om uit schaduwen te verschijnen.’

‘Markie, je bent bang.’

‘Ik ben voorzichtig.’

‘Je bent bang voorzichtig.’

‘Dat is de beste soort voorzichtig.’

Op dat moment klonk er vanaf het pad naar het huis een zachte tik.

Tik.

Tik.

Tik.

Alsof iemand met een wandelstok over de stenen kwam.

Ezel spitste zijn oren.

Lavendel en Markie draaiden zich tegelijk om.

Aan het begin van het erf stond een gestalte.

Lang. Elegant. Zwart silhouet tegen het blauwige maanlicht. Een brede hoed. Een glas rode wijn in haar hand dat zo donker glansde dat het bijna zwart leek.

Lady Alcina.

‘Goedenavond,’ zei ze.

Haar stem was warm en laag, met een vleugje amusement, alsof ze net een grap had gehoord die pas over drie dagen grappig zou worden.

Lavendel zette automatisch haar glas rosé iets steviger neer op de waterputrand.
‘Alcina. Wat doe jij hier?’

Lady Alcina liep langzaam het erf op. Haar zwarte naaldhakken maakten geen geluid op het stof, wat volgens Markie onmogelijk was en daarom onmiddellijk verdacht.

‘Ik kon niet slapen,’ zei ze. ‘De blauwe maan maakt de wijn onrustig.’

Markie trok een wenkbrauw op.
‘Wijn wordt niet onrustig.’

‘Dan hebt u nog nooit echt naar wijn geluisterd, monsieur Von Zeist.’

Ze bleef staan bij de vijgenboom. Haar paarse oorbellen vingen het maanlicht. Op haar wang zat een kleine verfvlek, alsof zelfs zij, strak en glamoureus als een nachtelijke koningin, niet aan Lavendels wereld kon ontsnappen.

Haar blik zakte naar Markies broekzak.

‘Jullie hebben iets gevonden.’

Lavendel sloeg haar armen over elkaar.
‘Misschien.’

‘Onder de vijgenboom?’

‘Misschien.’

‘Een medaillon?’

Markie keek Lavendel aan.

Lavendel keek naar Ezel.

Ezel keek alsof hij dit allemaal al uren wist.

‘Dat lijkt me een bevestiging,’ mompelde Markie.

Lady Alcina stak haar hand uit.
‘Mag ik?’

Markie aarzelde.

‘Wat is het?’ vroeg hij.

Voor het eerst verdween de glimlach van Lady Alcina’s gezicht. Niet helemaal, maar genoeg om de nacht kouder te laten voelen.

‘Een sleutel.’

Lavendel fronste.
‘Dat is geen sleutel. Dat is een medaillon.’

‘Sommige sleutels openen geen deuren.’

Markie zuchtte zacht.
‘Daar gaan we.’

Lady Alcina keek hem aan.
‘U houdt niet van mysteries?’

‘Ik hou van mysteries die zich aan kantooruren houden.’

Lavendel grinnikte, maar haar ogen bleven op Alcina gericht.
‘Wat opent het?’

Lady Alcina nam een slok rode wijn. Daarna keek ze naar het atelierhuis, naar de schuur, naar de wijngaarden daarachter, en uiteindelijk naar de blauwe maan.

‘De oude perskamer onder Château Pourpre.’

Markie haalde het medaillon uit zijn zak, maar gaf het nog niet af.

‘En waarom lag de sleutel tot jouw perskamer onder onze vijgenboom?’

‘Omdat hij daar vijftig jaar geleden is begraven.’

Lavendel voelde hoe haar speelse nieuwsgierigheid plaatsmaakte voor iets anders. Iets groters.

‘Door wie?’

Alcina’s ogen glansden.

‘Door mijn grootmoeder.’

De krekels leken even zachter te zingen.

Lady Alcina draaide zich om en wees naar de heuvel waarop haar château lag. Een paar ramen gloeiden zwak in de verte, als ogen in een slapend dier.

‘Mijn grootmoeder maakte wijn zoals anderen brieven schrijven. Elke fles had een boodschap. Elke oogst een geheim. Maar in haar laatste jaar schilderde ze een etiket dat nooit op een fles is geplakt. Niemand heeft het ooit gezien.’

Lavendel vergat bijna te ademen.

‘Een schilderij?’

‘Een etiket,’ zei Alcina. ‘Maar in haar handen was dat hetzelfde.’

Markie keek naar het medaillon.
‘En dat ligt in die perskamer?’

‘Misschien.’

‘Waarom open je die kamer dan niet zelf?’

Lady Alcina’s glimlach kwam terug, maar nu zat er iets breekbaars onder.

‘Omdat de deur alleen opengaat tijdens de nacht van de blauwe maan.’

Lavendel keek omhoog.

Markie ook.

De blauwe maan hing boven hen als een oog.

‘Natuurlijk,’ zei Markie. ‘Waarom zou een deur ook gewoon op dinsdagmiddag open kunnen?’

Lavendel pakte haar jas uit de schuur, de oversized zwarte schildersjas vol kleurrijke verfspatten. Ze trok hem aan met het besluitvaardige gebaar van iemand die net heeft gekozen voor avontuur in plaats van slaap.

‘We gaan.’

Markie keek haar aan.
‘Nu?’

‘Ja, nu.’

‘Het is nacht.’

‘Precies.’

‘Er is wijn bij betrokken.’

‘Nog beter.’

‘Een geheime kelder.’

‘Onweerstaanbaar.’

‘Een mogelijk gevaarlijke aristocratische wijnvrouw.’

Lady Alcina hief haar glas.
‘Mogelijk.’

Lavendel glimlachte breed.

Ezel balkte.

Markie kneep zijn ogen dicht.
‘Ik ben omringd door mensen en dieren zonder enig gevoel voor gezonde nachtrust.’

‘Dat wordt een prachtige zin voor je boek,’ zei Lavendel.

‘Dat ís al een prachtige zin.’

Een kwartier later liepen ze over het pad tussen de wijnranken. Lavendel voorop met een lantaarn, Lady Alcina naast haar, Markie iets achter hen, en Ezel daar weer achter, beladen met twee manden: één met penselen, doeken en een schetsboek, en één met wijn, brood, kaas en een onverklaarbaar kleine pan.

‘Waarom hebben we een pan bij ons?’ vroeg Markie.

Lavendel keek niet om.
‘Je weet nooit.’

‘Dat is geen antwoord.’

‘Het is mijn favoriete antwoord.’

De lucht rook naar tijm, stof en rijpe druiven. In de verte lag het dorp als een handvol warme stenen tegen de heuvel. Geen raam bewoog. Geen deur kraakte. Alleen hun voetstappen en het zachte rinkelen van flessen in Ezels manden begeleidden hen.

Bij Château Pourpre aangekomen, leidde Alcina hen niet naar de grote voordeur, maar naar de achterkant van het domein. Daar, half verborgen achter klimop, lag een lage boogdeur in de grond.

Markie hield de lantaarn hoger.

‘Dit ziet eruit als een plek waar mensen in verdwijnen.’

‘Alle goede kelders hebben die kwaliteit,’ zei Alcina.

Ze nam het medaillon van Markie aan. Voorzichtig drukte ze het in een ronde uitsparing in de oude stenen deur.

Eerst gebeurde er niets.

Toen klonk er diep onder de aarde een doffe klik.

Ezel deed een stap achteruit.

Lavendel pakte Markies arm, niet uit angst, maar uit spanning. Markie merkte het wel, maar zei niets.

De deur schoof langzaam open.

Een adem van koude lucht steeg op uit de duisternis. Hij rook naar vochtige steen, oude eiken vaten en iets bloemigs. Lavendel herkende het onmiddellijk.

‘Lavendel,’ fluisterde ze.

Lady Alcina knikte.
‘Mijn grootmoeder geloofde dat elke wijn een herinnering moest dragen. Zij gebruikte lavendel in de kamer, nooit in de wijn. Alleen in de lucht. Volgens haar proefden mensen beter wanneer hun hart eerst iets zachts had geroken.’

Markie keek haar aan.
‘Dat is eigenlijk mooi.’

‘Pas op,’ zei Lavendel. ‘Straks word je nog poëtisch.’

Ze daalden de trap af.

De oude perskamer lag diep onder het château. De muren waren ruw uitgehakt, de vloer bestond uit ongelijke plavuizen en in het midden stond een enorme houten wijnpers, zwart geworden door tijd en druivensap. Langs de wanden lagen vaten, sommige open, sommige verzegeld met was. Aan het plafond hingen gedroogde kruiden, stofdraden en de schaduwen van lang vergeten seizoenen.

Maar aan de achterste muur hing iets dat niet oud leek.

Een doek.

Bedekt met een vaal linnen kleed.

Lavendel liep ernaartoe alsof ze werd getrokken.

‘Is dat het?’

Lady Alcina antwoordde niet.

Markie hield de lantaarn omhoog.

Lavendel pakte de rand van het kleed.

Even keek ze naar Markie.

Hij knikte.

Ze trok.

Het kleed viel op de grond.

Daar hing geen simpel wijnetiket.

Daar hing een klein schilderij, niet groter dan een boekomslag, maar zo levendig dat het leek te ademen. Een wijngaard onder een blauwe maan. Een vrouw met een zwarte hoed. Een kunstenaar met een baret. Een man met zilverwit haar. Een ezel met een strohoed. En achter hen, nauwelijks zichtbaar tussen de wijnranken, een open deur van licht.

Lavendel voelde haar hart sneller slaan.

‘Dat zijn wij.’

Markie stapte dichterbij. Zijn gezicht werd ernstig, maar niet op zijn gewone mopperige manier. Dit was anders. Dieper.

‘Dit is vijftig jaar geleden geschilderd.’

Lady Alcina fluisterde:
‘Ja.’

Ezel stak zijn kop naar voren en snoof tegen het schilderij. Alsof hij wilde controleren of hij er wel goed op stond.

Onderaan het schilderij stond in sierlijke paarse letters een zin:

Wanneer wijn, verf en woorden samenkomen, opent de weg naar wat verloren leek.

Daaronder stond een naam.

Niet die van Alcina’s grootmoeder.

Niet die van een onbekende schilder.

Maar:

Von Zeist

Markie werd bleek.

Lavendel keek naar hem.
‘Markie?’

Hij zei niets.

Zijn ogen bleven op de handtekening gericht.

Lady Alcina brak de stilte.
‘Kent u die naam?’

Lavendel lachte zacht, een beetje nerveus.
‘Dat is zijn naam.’

‘Niet alleen de mijne,’ zei Markie langzaam.

Hij stak zijn hand uit en raakte voorzichtig de geschilderde letters aan.

‘Mijn grootvader signeerde zo.’

De kamer leek kleiner te worden.

Lady Alcina zette haar glas wijn op een oud vat.
‘Uw grootvader?’

Markie knikte.
‘Hij verdween een zomer lang uit Nederland. Niemand wist waar hij was. Toen hij terugkwam, sprak hij nooit meer over Frankrijk. Alleen…’

‘Alleen wat?’ vroeg Lavendel.

Markie slikte.

‘Alleen dat hij ooit de mooiste kleur blauw had gezien. En dat hij die nooit meer had kunnen mengen.’

Lavendel keek naar het schilderij. Naar de maan. Naar de deur van licht tussen de wijnranken.

‘De blauwe maan.’

Op dat moment begon het schilderij zacht te glanzen.

Niet fel. Niet magisch op een goedkope manier. Maar alsof er achter de verf een kaars werd aangestoken. De blauwe maan in het schilderij lichtte op, en daarna de deur tussen de wijnranken.

Ezel balkte luid.

Markie deed een stap achteruit.
‘Nee.’

Lavendel keek hem aan.
‘Wat nee?’

‘Nee tegen alles wat nu gaat gebeuren.’

Lady Alcina glimlachte weer, maar haar stem trilde.
‘De weg opent.’

‘Welke weg?’ vroeg Markie.

Het antwoord kwam niet van Alcina.

Het kwam uit de muur.

Of uit het schilderij.

Of uit de wijnpers.

Een zachte stem, oud en warm, vulde de kamer.

‘Naar het verloren vat.’

Lavendel pakte Markies hand.

‘Het verloren vat?’ fluisterde ze.

Lady Alcina sloot haar ogen.
‘De laatste wijn van mijn grootmoeder.’

Markie kneep Lavendels hand iets steviger vast.
‘En mijn grootvader had hier iets mee te maken.’

De blauwe gloed werd sterker. Op de achterwand, precies naast het schilderij, verscheen langzaam een naad in de steen. Een verborgen deur.

Lavendel ademde diep in.

Rosé, stof, lavendel, oude wijn, natte steen.

Alles rook naar een verhaal.

Ze keek naar Markie.

‘Hoofdstuk achttien,’ zei ze zacht.

Hij keek terug, ernstig, ontroerd en zichtbaar tegen beter weten in nieuwsgierig.

‘Je hebt me gewaarschuwd.’

De stenen deur schoof open.

Daarachter lag geen kelder.

Daarachter lag maanlicht.

En ergens in dat maanlicht klonk het zachte rollen van een wijnvat over oude aarde.