Milo

Maandagochtend had ik drieënveertig nieuwe berichten.

Dat waren er acht van mensen die vroegen waar ze zich konden inschrijven.

Zes van mensen die wilden weten wat de Braphone kostte.

Vier van mensen die vroegen of hij ook in wit bestond.

Eén van iemand die schreef:

Kan dit ook voor mannen? Ik draag geen beha, maar ik raak wel altijd mijn oortjes kwijt.

En vierentwintig berichten gingen over Piet.

Niet over de Braphone.

Over Piet.

Noor had een filmpje geplaatst waarin hij voor zijn bord stond.

KIBBELING. OOK ZONDER BLUETOOTH LEKKER.

Daarna zei hij recht in de camera: “Maar met bluetooth is het ook prima.”

Blijkbaar vonden mensen dat heel grappig.

Ik zat met mijn telefoon aan de keukentafel bij Lena. Zij had haar laptop open. Haar haar zat in een rommelige knot en ze droeg een grote grijze trui waar volgens mij minstens twee mensen tegelijk in pasten.

Ik vond hem mooi.

Niet omdat hij bijzonder was.

Juist omdat hij duidelijk comfortabel was.

“Drieënveertig,” zei ik.

“Dat weet ik,” zei Lena.

“Hoe weet jij dat?”

“Omdat jij het al zes keer hebt gezegd.”

“Maar het zijn nieuwe berichten.”

“Ja.”

“Dat betekent dat mensen echt geïnteresseerd zijn.”

“Ja.”

“Dat is goed.”

“Ja, Milo.”

Ik keek naar haar.

Ze glimlachte.

“Het is goed,” zei ze nog een keer. “Maar je hoeft niet bij ieder bericht te doen alsof iemand persoonlijk een standbeeld voor je opricht.”

“Dat gebeurt ook niet.”

“Niet letterlijk.”

Ik pakte mijn koffie.

Die was te heet. Ik nam toch een slok en verbrandde bijna mijn tong.

Lena zag het.

“Rustig,” zei ze.

“Dat lukt me vandaag niet zo goed.”

“Dat merk ik.”

Ze draaide haar laptop naar mij toe.

Op het scherm stond een overzicht. Bovenaan had ze geschreven:

DE BRAPHONE — EERSTE STAPPEN

Daaronder stonden drie kolommen.

PRODUCT
MENSEN
VERHAAL

Ik las het.

“Waarom staat verhaal niet als eerste?” vroeg ik.

“Omdat je eerst iets moet hebben dat goed werkt.”

“Maar jij bent verantwoordelijk voor het verhaal.”

“Dat betekent niet dat ik alles bovenaan zet.”

“Dat zou ik wel doen.”

“Dat weet ik.”

Ze wees naar de eerste kolom.

“Product. Jij belt vandaag die leverancier van de speakers. En je zoekt uit wat het kost om de bandjes in kleine aantallen te laten maken.”

“Ja.”

“Niet meteen honderd bestellen.”

“Dat was ik niet van plan.”

Ze keek me aan.

“Hoeveel was je van plan?”

“Misschien vijftig.”

“Milo.”

“Twintig?”

“Dat klinkt al beter.”

Ze wees naar de tweede kolom.

“Mensen. Ik stuur de achttien inschrijvers vandaag een bericht. Ik zeg dat we blij zijn met hun enthousiasme. En dat we deze week laten weten wanneer de eerste testserie klaar is.”

“Zeg je ook dat het geen massaproduct is?”

“Ja. Eerlijkheid, weet je nog?”

“Dat weet ik.”

“Goed.”

Toen wees ze naar de laatste kolom.

“Verhaal. Daar gaan we het vandaag over hebben.”

Ik leunde naar voren.

“Over de mannenvraag?”

“Ook.”

“Wat antwoorden we?”

Lena pakte haar telefoon. Ze las het bericht van de man die zijn oortjes kwijt was.

“Hij vraagt eigenlijk niet om een beha,” zei ze. “Hij vraagt om iets waardoor hij makkelijker kan luisteren.”

“Ja.”

“Maar de Braphone is niet zomaar een speaker die ergens aan vastzit.”

“Dat weet ik.”

“Het gaat om comfort. Om hoe iets zit. Om wat mensen dragen. Daar moeten we niet snel overheen stappen omdat één man een grappige vraag stelt.”

“Hij klonk niet grappig.”

“Dat bedoel ik niet onaardig. Ik bedoel: we hoeven nu niet meteen een Braphone voor mannen te maken.”

Ik dacht aan de reacties. Aan de mensen die vroegen of hij ook als hemd kon. Of als pet. Iemand had zelfs gevraagd of ik speakers in een sok kon verwerken.

Dat laatste vond ik technisch gezien interessant.

Maar Lena had gelijk.

Als ik overal tegelijk op reageerde, bleef er niets over van het idee waarmee ik begonnen was.

“Dus we zeggen?” vroeg ik.

Ze dacht even na.

“Dat de eerste testserie gemaakt is voor mensen die een beha dragen. En dat we luisteren naar alle ideeën voor later.”

“Dat klinkt goed.”

“Dank je.”

“Echt goed.”

“Je hoeft niet iedere zin te beoordelen.”

“Maar dat is mijn functie als zakenpartner.”

“Jouw functie is productontwikkeling.”

“En positieve bevestiging.”

“Dat is geen functie.”

“Dat zou het moeten zijn.”

Lena glimlachte en begon te typen.

Na een minuut las ze het bericht voor.

“Bedankt voor je vraag. De eerste versie van de Braphone is ontworpen voor mensen die een beha dragen. We begrijpen heel goed dat meer mensen hun oortjes kwijtraken. Daarom verzamelen we ideeën voor de toekomst. Voor nu richten we ons op deze eerste testserie, zodat we die goed en veilig kunnen maken.”

Ik knikte.

“Dat is eerlijk.”

“Precies.”

Mijn telefoon ging.

Een onbekend nummer.

Ik keek naar Lena.

“Moet ik opnemen?”

“Waarschijnlijk wel.”

“Wat als het Bright & Bold is?”

“Dan zeg je hallo.”

Ik nam op.

“Met Milo van Dijk.”

“Goedemorgen, meneer Van Dijk. U spreekt met Saskia van Studio Noord.”

Ik keek naar Lena.

Ze trok haar wenkbrauwen op.

“Goedemorgen,” zei ik.

“Wij maken een lokaal programma voor Stad TV. We zagen beelden van uw testavond in De Oude Drukkerij. En we vroegen ons af of u deze week tijd heeft voor een kort item.”

Mijn mond werd droog.

“Een item?”

“Een interview. Over uw uitvinding en hoe een klein idee vanaf de markt groeit.”

Ik keek naar Lena.

Zij maakte met haar hand een rustig gebaar.

Ademen.

Niet meteen ja roepen.

“Wanneer zou dat zijn?” vroeg ik.

Saskia noemde woensdagmiddag.

“En wat moet ik doen?” vroeg ik.

“Praten over de Braphone. Misschien laat u zien hoe hij werkt. We filmen op de markt of in uw werkplaats. Wat voor u prettig is.”

Mijn eerste gedachte was dat niets hieraan prettig klonk.

Mijn tweede gedachte was dat dit misschien precies was wat we nodig hadden.

Geen grote campagne.

Geen vrouw die door een park rende.

Gewoon mijn werkplaats. De markt. Het echte verhaal.

“Mag ik u over een uur terugbellen?” vroeg ik.

“Natuurlijk.”

Toen hing ik op.

Lena keek me aan.

“Stad TV?”

Ik knikte.

“Ze willen een item maken.”

Ze sloeg haar handen voor haar gezicht.

Niet omdat ze in paniek was.

Omdat ze lachte.

“Wat?” vroeg ik.

“Jij wilde net nog weten of drieënveertig berichten belangrijk waren.”

“Ze zijn belangrijk.”

“Ja. Maar nu komt er misschien televisie.”

Ik keek naar mijn telefoon.

Televisie.

Mijn moeder zou dat geweldig vinden. Eva zou waarschijnlijk meteen vragen of ze ook in beeld mocht. Piet zou zich gedragen alsof hij al jaren een mediapersoonlijkheid was.

En Bright & Bold?

Misschien zouden zij kijken.

Dat maakte me nerveus.

Maar het maakte me ook iets anders.

Boos, misschien.

Niet de wilde soort boos. Niet het soort waarbij je iets doms doet met ducttape.

Meer het soort boos waarbij je rechtop gaat zitten.

“Moeten we het doen?” vroeg ik.

Lena klapte haar laptop dicht.

“Wat denk jij?”

Ik keek naar het bord op haar scherm. Naar de drie woorden.

Product. Mensen. Verhaal.

“Ik denk dat we het moeten doen.”

“Waarom?”

“Omdat Bright & Bold groot is. Dat kunnen we niet veranderen.”

Lena knikte.

“En?”

“Maar wij weten waarvoor de Braphone gemaakt is. En ik wil niet dat iemand anders straks vertelt wat het is.”

Haar gezicht werd zacht.

“Dan doen we het.”

“Ja?”

“Ja. Maar met regels.”

“Natuurlijk.”

“Geen technische uitleg van twintig minuten.”

“Dat zou ik nooit doen.”

Lena keek me aan.

Ik haalde adem.

“Geen technische uitleg van twintig minuten.”

“Maximaal drie minuten.”

“Dat is heel kort.”

“Dan kies je de belangrijke dingen.”

“Alles is belangrijk.”

“Dat is niet waar.”

Ik dacht even na.

Dat was moeilijker dan ik wilde toegeven.

“Comfort,” zei ik. “Geluid. Veiligheid.”

“Goed.”

“En dat het voor echte dagen is.”

Lena glimlachte.

“Dat zeg jij heel mooi.”

“Echt?”

“Echt.”

Ik pakte mijn telefoon en belde Saskia terug.

“Met Milo van Dijk,” zei ik.

“Hallo Milo.”

“Woensdagmiddag kan.”

“Geweldig. Waar zullen we filmen?”

Ik keek naar Lena.

Ze wees naar mijn oude grijze bestelauto die aan de overkant van haar raam geparkeerd stond.

Boris.

Daarachter lag de stad. De markt. De garage van mijn moeder. De Oude Drukkerij.

En ergens daarbuiten hing misschien al een grote reclameposter van Bright & Bold.

“Op de markt,” zei ik. “Daar begon het.”