Hoofdstuk 21 — Het Dorp dat Te Veel Wist
De eerste dagen na het planten van de drie blauwe druivenpitten gebeurde er niets.
Tenminste, niets zichtbaars.
Dat was volgens Markie verdacht.
‘Niets is zelden niets,’ zei hij op de derde ochtend, terwijl hij vanaf het terras naar de heuvel van Château Pourpre keek.
Lavendel zat tegenover hem aan de verweerde houten tafel. Haar zwarte schildersjas hing over de leuning van haar stoel, haar baret lag naast een pot abrikozenjam en haar blonde haar zat in een rommelige knot die zo scheef was dat het bijna architectuur werd. Ze roerde in haar koffie en keek hem geamuseerd aan.
‘Dat klinkt als een zin van iemand die te weinig heeft geslapen.’
‘Ik heb uitstekend geslapen.’
‘Je hebt vannacht om drie uur tegen je notitieboek gezegd dat het zich niet met je moest bemoeien.’
Markie keek haar scherp aan.
‘Dat was een redactioneel meningsverschil.’
Aan de rand van het erf stond Ezel. Zijn strohoed hing zoals gewoonlijk over één oor en aan zijn verfvlekkendoek zat sinds de nacht van de blauwe maan nog altijd een vage schittering, alsof er kleine stukjes sterrenstof tussen de verfspatten waren blijven hangen. Hij keek naar de heuvels met een ernst die volgens Lavendel absoluut ceremonieel was en volgens Markie voornamelijk hongerig.
‘Hij voelt het ook,’ zei Lavendel.
‘Hij voelt dat jij de broodmand op tafel hebt laten staan.’
Ezel draaide langzaam zijn hoofd naar Markie.
Markie keek terug.
‘Ik neem niets terug.’
Ezel balkte.
Lavendel lachte en brak een stuk brood af.
‘Hier, mon philosophe.’
Ezel nam het aan met de waardigheid van een koning die een klein belastingvoordeel accepteert.
Sinds de avond bij Château Pourpre was alles een beetje anders geworden. Niet groot anders. Niet stormachtig. Maar subtiel. De wijngaarden leken helderder. De lucht rook sterker naar lavendel. Zelfs de oude stenen van het atelierhuis leken iets meer warmte vast te houden wanneer de zon erop viel.
En dan waren er de dromen.
Lavendel droomde van kleuren die niet bestonden. Van blauw dat naar rijpe druiven rook. Van paarse schaduwen die op doek kropen voordat haar penseel ze had aangeraakt.
Markie droomde van een treinstation in Avignon. Iedere nacht stond hij daar op het perron, maar iedere nacht veranderde iets. Eerst zag hij alleen de vertrekkende trein. Daarna de jonge Hendrik. Daarna Marguerite. En vannacht had hij voor het eerst gehoord wat ze zei toen de trein verdween.
Je hoeft niet weg om verloren te raken.
Hij had die zin direct na het ontwaken opgeschreven.
En daarna had hij ruzie gekregen met zijn notitieboek.
Tegen de middag kwam Lady Alcina.
Niet lopend over het pad, zoals gewone mensen, maar verschijnend tussen de wijnranken alsof de Provence haar persoonlijk op het juiste moment in scène zette. Haar grote zwarte hoed wierp een elegante schaduw over haar gezicht. Haar lippen waren dieppaars, haar oorbellen glansden en in haar hand droeg ze een klein terracotta potje.
Lavendel zag haar vanaf het terras en sprong op.
‘Alcina!’
Markie keek op uit zijn aantekeningen.
‘Ze komt nooit zomaar.’
‘Niemand komt zomaar. Zelfs de bakker niet.’
‘De bakker komt omdat wij brood kopen.’
‘Ja, maar hij brengt ook drama. Elke donderdag klaagt hij over zijn schoonzus.’
Lady Alcina bereikte het terras. Ze zette het potje voorzichtig op tafel.
Lavendel boog zich eroverheen.
Uit de aarde stak een klein groen puntje.
Niet groter dan een lucifer.
Aan de rand ervan zat een nauwelijks zichtbare blauwe glans.
Lavendel sloeg haar handen voor haar mond.
‘Ze groeien.’
Alcina knikte.
‘Vanochtend. Alle drie tegelijk.’
Markie stond op en kwam dichterbij.
‘Dat is snel.’
‘Voor gewone druiven, ja.’
‘Ik begin gewone druiven te waarderen.’
Lavendel hurkte zodat ze op ooghoogte met het scheutje kwam.
‘Bonjour, kleine waarheid.’
Het plantje bewoog.
Heel even maar.
Alsof het reageerde.
Markie deed een stap achteruit.
‘Nee.’
Lavendel keek omhoog.
‘Wat nee?’
‘Ik trek de grens bij planten die terugluisteren.’
Lady Alcina glimlachte.
‘Dan raad ik u aan die grens te verplaatsen.’
Ze haalde uit haar tas een opgevouwen vel papier en legde het naast het potje.
‘Er is nog iets.’
Markie keek naar het papier alsof het hem persoonlijk kwam lastigvallen.
‘Natuurlijk is er nog iets.’
Alcina vouwde het open.
Het was een brief. Niet oud, niet vergeeld, maar vers. Geschreven op dik crèmekleurig papier, met een rood lakzegel dat al gebroken was.
Lavendel herkende het wapen niet: een druiventros, een sleutel en een open mond.
‘Van wie is dat?’
Lady Alcina’s gezicht werd strak.
‘De Confrérie du Goût Véridique.’
Markie kneep zijn ogen samen.
‘De Broederschap van de Waarachtige Smaak?’
‘Zoiets.’
Lavendel glimlachte langzaam.
‘Dat klinkt heerlijk gevaarlijk.’
‘Dat is het ook,’ zei Alcina.
Markie pakte zijn koffie.
‘Ik wist het. Iedere keer als iemand in Frankrijk een broederschap opricht, eindigt het met geheime kelders, rare hoeden en te veel formulieren.’
Alcina keek hem droog aan.
‘Deze broederschap bestaat al sinds de zeventiende eeuw.’
‘Nog erger. Dan hebben ze traditie aan hun kant.’
Lavendel nam de brief en las hardop.
Madame Alcina,
Het is ons ter ore gekomen dat op het domein Château Pourpre een zeldzame variëteit is ontwaakt.
Volgens artikel 12 van het Charter der Verborgen Oogsten dient iedere wijnstok met buitengewone eigenschappen ter keuring te worden aangeboden aan de Confrérie du Goût Véridique.
Wij zullen ons binnen drie dagen melden.
Tot die tijd verzoeken wij u dringend geen verdere rituelen, plengoffers, kelderopeningen, maanbezweringen of experimentele vinificatie uit te voeren.
Namens de Raad van Zeven Tongen,
Maître Séraphin Duvallier
Eerste Proever, Bewaarder van de Nasmaak
Lavendel keek op.
‘Raad van Zeven Tongen?’
Markie zette langzaam zijn kop neer.
‘Ik weiger die zin serieus te nemen.’
Lady Alcina tikte met haar vingernagel op het papier.
‘Ze nemen zichzelf zeer serieus. En dat maakt hen gevaarlijk.’
‘Wat willen ze?’ vroeg Lavendel.
‘Controle. Altijd controle. Als zij ontdekken wat Cuvée Vérité kan worden, zullen ze proberen de ranken op te eisen.’
Markie keek naar het kleine scheutje.
‘Kunnen ze dat?’
‘Volgens hun charter wel.’
‘Een charter is papier.’
‘Papier heeft in Frankrijk soms meer macht dan mensen.’
Lavendel streek zacht met haar vinger langs de rand van het potje, zonder het plantje aan te raken.
‘Maar deze pitten horen bij Marguerite en Hendrik. Bij jullie families. Bij ons verhaal.’
Alcina knikte.
‘Daarom ben ik hier.’
Markie zuchtte.
‘Ik hoor aan je toon dat je niet alleen koffie kwam drinken.’
‘Nee.’
‘Er komt een plan.’
‘Ja.’
‘En in dat plan moet ik vermoedelijk iets doen wat ik onverstandig vind.’
Lavendel glimlachte.
‘Je wordt er steeds beter in.’
Lady Alcina boog zich naar hen toe.
‘Over drie dagen komt de Confrérie. Tot die tijd moeten we bewijzen dat de ranken geen eigendom zijn van Château Pourpre alleen, maar onderdeel van een levend verhaal. Een verhaal dat ouder is dan hun charter en persoonlijker dan hun regels.’
Markie keek naar haar.
‘Hoe bewijs je zoiets?’
Alcina’s ogen gingen naar zijn notitieboek.
‘Met woorden.’
Daarna naar Lavendel.
‘Met beeld.’
En tenslotte naar Ezel.
‘Met getuigenis.’
Ezel hief zijn hoofd.
Markie fronste.
‘Pardon?’
‘De ezel was aanwezig bij het openen van Mémoire, bij het planten van de pitten en bij de eerste glans. In oude Provençaalse gebruiken geldt een lastdier als drager van overdracht.’
Markie keek naar Lavendel.
‘Zeg alsjeblieft dat zij dit verzint.’
Lavendel straalde.
‘Hij is officieel belangrijk.’
Ezel balkte zo trots dat er twee vogels uit de vijgenboom vlogen.
Diezelfde middag veranderde het atelierhuis in een werkplaats van bewijs.
Lavendel zette haar grootste doek op de ezel — de houten schildersezel, niet de levende, wat even tot verwarring leidde toen Ezel beledigd naast het lege frame ging staan. Op het doek wilde ze de hele geschiedenis vastleggen: Marguerite en Hendrik, de blauwe maan, het vat Mémoire, de drie pitten, Alcina met haar hoed, Markie met zijn notitieboek, zijzelf met verf op haar wang, en Ezel als trotse drager van het geheim.
‘Het wordt geen gewoon schilderij,’ zei ze.
Markie zat aan de tafel met Hendriks blauwe boekje, Marguerites oude etiketten en zijn eigen aantekeningen voor zich uitgespreid.
‘Dat verbaast niemand.’
‘Het moet voelen als wijn die net is ingeschonken.’
‘Ik zal aan het doek doorgeven dat het moet ademen.’
Lavendel stak haar tong naar hem uit en begon kleuren te mengen.
Blauw was het probleem.
Natuurlijk was blauw het probleem.
Ze probeerde ultramarijn, kobaltblauw, een vleugje violet, wat zilvergrijs. Te koud. Te glad. Ze voegde een druppel rode wijn toe uit Alcina’s fles.
Markie keek op.
‘Gebruik je nu wijn als pigment?’
‘Hendrik en Marguerite deden het ook.’
‘Dat maakt het niet minder verontrustend.’
‘Kunst moet soms een beetje plakken.’
De kleur veranderde.
Het blauw werd dieper. Warmer. Niet zomaar maanblauw, maar blauw met een herinnering erin.
Lavendel hield haar adem in.
‘Daar ben je,’ fluisterde ze.
Markie keek naar het mengsel.
Even zei hij niets.
Toen:
‘Dat is het blauw uit mijn droom.’
Lavendel keek naar hem.
Hij stond op en kwam naast haar staan.
‘Niet precies. Maar bijna.’
‘Wat ontbreekt er?’
Hij wist het antwoord niet.
Tot Ezel met zijn snuit tegen de tafel duwde en daarbij Markies kop koffie bijna omstootte. Markie greep de kop, een paar druppels vielen in het verfbakje.
Lavendel en Markie keken tegelijk naar de kleur.
Het blauw veranderde opnieuw.
Het kreeg iets aards. Iets bitters. Iets wakker.
Lavendel fluisterde:
‘Koffie.’
Markie keek naar zijn kop.
‘Mijn koffie heeft zojuist kunstgeschiedenis beïnvloed.’
‘Ik zei toch: koffie is slaap voor mensen met verantwoordelijkheden.’
‘Ik wil bronvermelding.’
Lavendel mengde voorzichtig verder. Een beetje wijn. Een beetje koffie. Pigment. Water. Een minuscule veeg paarse verf van haar eigen wang, omdat ze vond dat een waarheid altijd iets persoonlijks moest kosten.
Toen zette ze de eerste streek op het doek.
De hele ruimte leek stiller te worden.
Niet magisch luid.
Niet dramatisch.
Gewoon alsof iedereen, zelfs het stof, even wilde kijken.
De blauwe lijn glansde.
Markie legde zijn pen neer.
‘Lavendel…’
‘Ja?’
‘Dat leeft.’
Ze glimlachte, maar haar ogen waren groot.
‘Ik weet het.’
Tegen de avond ging Markie schrijven.
Niet zoals hij normaal schreef, met zinnen die hij eerst wantrouwde en daarna half toeliet. Dit keer schreef hij alsof iemand een oude kraan had opengedraaid. Hij begon bij Hendrik, maar eindigde niet bij hem. Hij schreef over Marguerite. Over wat mensen bewaren wanneer ze niet durven spreken. Over wijn als herinnering en verf als getuige. Over een dorp dat gebouwd was op steen, druiven en verzwegen zinnen.
Lavendel schilderde naast hem.
Alcina liep rusteloos heen en weer, las stukken uit het blauwe boekje, corrigeerde namen van oude wijnfamilies en schonk af en toe wijn in zonder dat iemand erom vroeg.
Ezel stond bij de deur, officieel aanwezig.
Elke paar minuten balkte hij.
‘Moet dat in het verslag?’ vroeg Markie.
‘Ja,’ zei Alcina.
Markie schreef zuchtend:
Getuige: de ezel, drager van brood, wijn en onverwerkte symboliek, bevestigde het gebeuren op eigen wijze.
Lavendel proestte het uit.
‘Dat is perfect.’
‘Het is juridisch twijfelachtig.’
‘Maar literair onmisbaar.’
Buiten zakte de zon achter de heuvels. Het atelier vulde zich met goud licht. De verf op Lavendels doek begon langzaam te drogen, maar het blauwe maanlicht bleef glanzen alsof het nat was.
En toen gebeurde het tweede teken.
Het kleine scheutje in het terracotta potje, dat Alcina op de vensterbank had gezet, begon zacht te trillen.
Niet door wind.
Niet door aanraking.
Het boog zich naar Markies tekst.
Daarna naar Lavendels doek.
Toen naar Ezel.
Ezel zette een stap achteruit.
‘Ha,’ zei Markie. ‘Nu vind jij het ook vreemd.’
Uit het plantje kwam een minuscuul blauw bloempje.
Een druivenbloesem, veel te vroeg.
Het ging open.
En een stemmetje fluisterde:
‘Niet alleen het verleden liegt. Ook het heden oefent.’
Iedereen zweeg.
Lavendel liet haar penseel zakken.
‘Wat betekent dat?’
Markie keek naar de bloesem.
‘Dat er op dit moment iemand liegt.’
Alcina’s gezicht werd donker.
‘Of iets verbergt.’
Ezel balkte kort.
Op datzelfde moment klonk er beneden op het erf een stem.
‘Bonjour? Is daar iemand?’
Lavendel keek door het raam.
Bij de poort stond een man.
Hij was klein, rond en buitengewoon netjes gekleed in een licht linnen pak. Hij had een smalle snor, glimmende schoenen en een hoedje dat zo precies op zijn hoofd stond dat het waarschijnlijk dagelijks met een meetlint werd gecontroleerd. Onder zijn arm droeg hij een leren map.
Markie keek ook naar buiten.
‘Laat me raden.’
Lady Alcina kwam naast hen staan.
Haar ogen vernauwden.
‘Séraphin Duvallier.’
Lavendel keek van de man naar de brief op tafel.
‘De Eerste Proever?’
Alcina knikte.
‘Hij zou pas over drie dagen komen.’
Markie sloot langzaam zijn notitieboek.
‘Mensen die te vroeg komen, brengen zelden goed nieuws.’
Beneden keek Séraphin Duvallier omhoog naar het open raam.
Hij glimlachte.
Niet vriendelijk.
Wel beleefd.
En dat was veel erger.
‘Madame Alcina,’ riep hij. ‘Monsieur Von Zeist. Mademoiselle Lavendel. Wat een geluk dat ik u allen tref.’
Lavendel fluisterde:
‘Hoe weet hij mijn naam?’
Duvallier hief zijn leren map.
‘Ik kom namens de Confrérie du Goût Véridique. Er is een onregelmatigheid gemeld.’
Markie keek naar het kleine bloempje.
Dat trilde opnieuw.
En fluisterde, bijna onhoorbaar:
‘Hij komt niet keuren. Hij komt nemen.’
Lady Alcina zette haar glas rode wijn neer.
Langzaam.
Zeer langzaam.
‘Niemand,’ zei ze zacht, ‘neemt iets uit mijn wijngaard zonder mijn toestemming.’
Lavendel pakte haar penseel alsof het een degen was.
Markie schoof zijn notitieboek onder zijn arm.
Ezel stapte naar voren, zijn strohoed scheef, zijn oren recht.
Beneden glimlachte Séraphin Duvallier nog altijd.
Achter hem stonden inmiddels twee zwarte koetsen bij de poort.
En op de zijkant daarvan glansde in goudverf het wapen van de broederschap:
een druiventros,
een sleutel,
en een open mond.