Hoofdstuk 22 — De Eerste Proever
Séraphin Duvallier bleef glimlachen.
Dat was het eerste wat Markie werkelijk tegen hem begon te krijgen.
Niet de koetsen bij de poort.
Niet het gouden wapen met de druiventros, de sleutel en de open mond.
Niet eens het feit dat de man drie dagen te vroeg kwam opdagen alsof tijd slechts een suggestie was voor mensen zonder leren map.
Nee.
Het was die glimlach.
Een keurige, kleine, perfect onderhouden glimlach. Zo’n glimlach die niet bedoeld was om warmte te geven, maar om afstand te meten.
Lavendel stond bij het raam van het atelier met haar penseel nog in haar hand. Aan het uiteinde hing een druppel van het nieuwe blauw. Het blauw dat ze had gemengd met pigment, wijn, koffie en een veeg van haar eigen paarse verf.
Het blauw dat leefde.
Achter haar stond Lady Alcina doodstil. Haar zwarte hoed wierp een schaduw over haar ogen. In die schaduw lag iets dat zelfs Markie niet graag schriftelijk zou vastleggen.
Ezel stond bij de deur, zijn oren recht omhoog, zijn strohoed scheef en zijn hele houding opvallend officieel.
Beneden hief Séraphin Duvallier zijn hoed.
‘Ik hoop dat ik niet stoor.’
Markie keek naar Lavendel.
Lavendel keek naar Alcina.
Alcina keek naar beneden.
‘U stoort,’ zei ze.
Duvallier glimlachte breder.
‘Uitstekend. Dan ben ik op tijd.’
Markie mompelde:
‘Ik haat hem nu al literair.’
Lavendel pakte het terracotta potje met het jonge waarheidplantje voorzichtig van de vensterbank. De blauwe bloesem trilde nog na van haar waarschuwing.
Hij komt niet keuren. Hij komt nemen.
Alcina draaide zich langzaam om.
‘Verberg het plantje.’
Lavendel trok het potje instinctief tegen haar borst.
‘Waar?’
Markie keek rond. Zijn blik viel op de kast met oude verftubes, daarna op de broodmand, daarna op Ezel.
Ezel deed onmiddellijk een stap achteruit.
‘Nee,’ zei Markie. ‘Dat was geen voorstel.’
Lavendel keek naar het schilderij op de ezel. Het doek was nog nat, maar het blauwe maanlicht daarop gloeide zacht. Alsof het schilderij ademhaalde en luisterde.
‘Daarachter,’ zei ze.
Ze zette het potje voorzichtig achter het grote doek, net buiten zicht. De bloesem boog zich even naar haar toe, alsof het plantje begreep dat het nu zelf ook onderdeel van het complot was geworden.
Beneden klonk het grind onder meerdere voetstappen.
Niet alleen Duvallier.
Uit de twee zwarte koetsen stapten vier figuren. Twee mannen, twee vrouwen, allemaal gekleed in donkergrijze mantels met paarse voering. Om hun nek droegen ze zilveren proeflepels aan kettingen. Ze bewogen met de plechtige traagheid van mensen die denken dat hun beroep een religie is.
Markie keek door het raam.
‘Ze dragen lepels.’
‘Tastevins,’ zei Alcina. ‘Proefkommen.’
‘Ze dragen soepgereedschap alsof het ridderordes zijn.’
Lavendel fluisterde:
‘Ze zijn eigenlijk best mooi.’
Markie keek haar streng aan.
‘We bewonderen de vijand niet voordat hij is vertrokken.’
‘Een kunstenaar bewondert alles met goede belichting.’
Alcina liep naar de deur.
‘Laat mij eerst spreken.’
Markie pakte zijn notitieboek onder zijn arm.
‘Dat is verstandig.’
Lavendel pakte haar schetsboek.
‘Ik ga tekenen.’
‘Dat is minder verstandig,’ zei Markie.
‘Maar nuttig.’
Ezel balkte.
‘Ja,’ zei Lavendel. ‘Jij komt ook.’
Markie keek naar Ezel.
‘Hij is getuige, geen advocaat.’
‘In dit verhaal is dat verschil dun,’ zei Lavendel.
Ze kwamen naar beneden.
De namiddagzon lag warm over het erf. De cipressen stonden stil. De oude vijgenboom wierp vlekkerige schaduw over de stenen. Alles leek vredig, alsof de Provence niets liever deed dan geheimen in mooi licht zetten.
Séraphin Duvallier stond midden op het erf.
Van dichtbij was hij nog keuriger dan van bovenaf. Zijn linnen pak was roomwit, zijn snor dun als een penseelstreek, zijn schoenen glommen alsof ze nooit hadden toegestaan dat stof bestond. In zijn hand hield hij de leren map. Op zijn ring blonk hetzelfde wapen als op de koetsen.
Achter hem stonden de vier leden van de Confrérie in een halve cirkel.
Duvallier boog licht voor Lady Alcina.
‘Madame.’
‘Maître Duvallier.’
‘U kent mijn naam.’
‘Helaas.’
Zijn glimlach bleef zitten, maar zijn ogen werden kouder.
‘Ik zal uw eerlijkheid noteren.’
‘Doe dat. Eerlijkheid zal vandaag belangrijk worden.’
Lavendel beet op haar lip om niet te glimlachen.
Markie schreef iets in zijn boekje.
Duvallier merkte het meteen.
‘Monsieur Von Zeist?’
Markie keek op.
‘Dat hangt af van wie het vraagt.’
‘Séraphin Duvallier, Eerste Proever van de Confrérie du Goût Véridique, Bewaarder van de Nasmaak, houder van de Zilveren Tong.’
Markie knikte langzaam.
‘Dat is veel titel voor één man.’
‘Traditie is zwaar.’
‘Dat verklaart uw koetsen.’
Lavendel maakte een zacht proestgeluidje dat ze probeerde te vermommen als hoesten.
Duvallier draaide zich naar haar.
‘En u moet Lavendel zijn.’
‘Dat moet ik meestal, ja.’
Zijn blik gleed over haar baret, haar blonde rommelknot, haar paarse oorbellen, haar oversized zwarte schildersjas vol verfspatten en het schetsboek onder haar arm.
‘De kunstenares.’
‘Onder andere.’
‘Interessant.’
Het woord klonk alsof hij het in azijn had gedoopt.
Daarna keek hij naar Ezel.
Ezel keek terug.
Lang.
Zwijgend.
Onverstoorbaar.
Duvallier trok één wenkbrauw op.
‘En dit dier?’
Lavendel stapte iets naar voren.
‘Ezel.’
‘Ik vroeg niet naar de soort.’
‘Dat is ook zijn naam.’
Ezel balkte.
Markie schreef opnieuw iets op.
Duvallier keek naar het notitieboek.
‘Mag ik vragen wat u noteert?’
‘Dat u de belangrijkste getuige beledigde binnen twee minuten na aankomst.’
Een van de mantelleden kuchte.
Duvallier draaide zijn hoofd heel langzaam naar hem toe. Het kuchen hield onmiddellijk op.
Toen opende hij zijn leren map.
‘Madame Alcina, ik zal kort zijn.’
‘Dat zou een aangename verrassing zijn.’
‘De Confrérie heeft betrouwbare informatie ontvangen dat er op uw domein een uitzonderlijke wijnstokvariëteit is ontwaakt. Mogelijk van herinneringsdragende, waarheidsactiverende of anderszins ongeclassificeerde aard.’
Markie keek naar Lavendel.
‘Waarheidsactiverend. Dat woord wil ik niet in mijn huis.’
Duvallier ging verder:
‘Volgens het Charter der Verborgen Oogsten, artikel twaalf, lid drie, subsectie blauw, dient dergelijke botanische afwijking onmiddellijk te worden gemeld, geregistreerd, bemonsterd en zo nodig veiliggesteld.’
Lady Alcina’s stem werd zacht.
‘Veiliggesteld.’
‘Indien noodzakelijk.’
‘Door u.’
‘Door de Confrérie.’
‘Uiteraard,’ zei Alcina. ‘Diefstal klinkt altijd beter wanneer men haar institutioneel maakt.’
Nu verdween voor het eerst een stukje van Duvalliers glimlach.
‘U vergist zich in onze bedoelingen.’
Achter het doek in het atelier, boven hen, trilde het verborgen plantje.
Niemand zag het.
Maar Lavendel voelde het.
Als een klein koud tikje achter haar hart.
‘Nee,’ zei ze plotseling.
Iedereen keek naar haar.
Duvallier glimlachte weer.
‘Pardon?’
Lavendel deed een stap naar voren.
‘Ze vergist zich niet.’
Markie keek even opzij naar haar. In zijn ogen lag waarschuwing, maar ook iets als trots.
Duvallier vouwde zijn handen op de map.
‘Mademoiselle, kunstzinnige intuïtie is charmant, maar wij werken met regels.’
Lavendel tilde haar kin op.
‘Dan hebt u vast een regel tegen liegen.’
Een stilte viel over het erf.
Een van de paarden voor de koets schudde zijn hoofd. De belletjes aan het tuig rinkelden zacht.
Duvallier keek haar lang aan.
‘Een ernstige beschuldiging.’
‘Een eenvoudige observatie.’
‘Op basis waarvan?’
Lavendel keek naar het open raam van het atelier. Naar het doek dat ze net niet kon zien, maar waarvan ze wist dat het daar stond. Naar het verborgen plantje. Naar het blauw dat waarheid voelde voordat woorden haar konden verdraaien.
‘Op basis van smaak,’ zei ze.
Markie fluisterde:
‘Mooi.’
Duvallier lachte kort.
‘Smaak is precies ons terrein.’
‘Nee,’ zei Lady Alcina. ‘Smaak is wat u bewaakt. Niet wat u bezit.’
Duvallier haalde een document uit zijn map en hield het omhoog.
‘Ik kom niet om te discussiëren. Ik kom om kennis te nemen van het verschijnsel en, indien mijn bevoegdheid dat vereist, het mee te nemen naar de kelders van de Confrérie.’
‘Welke kelders?’ vroeg Markie.
Duvallier keek naar hem.
‘Die informatie is vertrouwelijk.’
‘Hoe handig.’
‘Monsieur Von Zeist, uw familienaam komt voor in oudere dossiers van onze orde.’
Markie verstijfde nauwelijks zichtbaar.
Lavendel zag het wel.
Alcina ook.
Duvallier zag het eveneens. En genoot ervan.
‘Hendrik Von Zeist,’ vervolgde hij. ‘Een Nederlander. Schilder. Aanwezig in deze streek in de zomer van 1968. Niet geregistreerd als wijnmaker, maar wel herhaaldelijk gezien in verboden kelderzones.’
Markie’s mond werd een dunne lijn.
‘Verboden door wie?’
‘Door mensen die begrepen dat sommige experimenten gevaarlijk zijn.’
‘Of door mensen die bang waren voor wat ze zouden onthullen.’
Duvallier sloot de map.
‘Uw grootvader werd destijds gewaarschuwd.’
Lady Alcina’s ogen werden donkerder.
‘Door de Confrérie?’
‘Inderdaad.’
Lavendel keek naar Markie.
Heel even was hij niet de mopperende schrijver, niet de man met de droge zinnen, maar de kleinzoon van iemand die plots nog meer geheimen bleek te hebben nagelaten.
‘Wat hebben jullie met hem gedaan?’ vroeg Markie.
Duvallier kantelde zijn hoofd.
‘Wij hebben niets gedaan. Hij vertrok.’
‘Mensen vertrekken soms nadat ze geduwd zijn.’
Duvallier glimlachte weer.
‘Een schrijver ziet overal dramatiek.’
‘Alleen wanneer keurige mannen met leren mappen haar meebrengen.’
Ezel balkte luid.
Duvallier keek geïrriteerd naar hem.
‘Kan iemand dat dier verwijderen?’
Lavendel, Alcina en Markie zeiden tegelijk:
‘Nee.’
Ezel leek groter te worden.
Dat was onmogelijk, maar toch gebeurde het. Of misschien veranderde alleen de manier waarop iedereen naar hem keek. Zijn strohoed stond nog altijd belachelijk scheef, maar zijn ogen waren donker en rustig. Om zijn doek glinsterden de oude blauwe vonkjes van de Verborgen Wijngaard.
Een van de mantelleden deed onwillekeurig een stap achteruit.
Duvallier merkte het en trok zijn kin recht.
‘Goed. Dan gaan wij over tot inspectie.’
Hij zette een stap richting het atelierhuis.
Lady Alcina versperde hem de weg.
‘U betreedt dit huis niet zonder toestemming.’
‘Volgens artikel twaalf—’
‘Volgens mijn voordeur niet.’
Lavendel grinnikte zacht.
Markie schreef snel.
Duvallier keek naar de vier leden achter hem.
‘Getuigen, noteer: obstructie.’
Een van de vrouwen haalde een klein boekje tevoorschijn.
Markie stak zijn hand op.
‘Als we toch noteren: noteer ook dat Maître Duvallier drie dagen voor de aangekondigde datum arriveerde, zonder voorafgaande instemming, met twee koetsen en een opvallende behoefte aan bezit.’
De vrouw aarzelde.
Duvallier zei scherp:
‘Niet noteren.’
Markie glimlachte dun.
‘Interessant.’
Lavendel stapte naar voren.
‘Wij hebben ook bewijs.’
Duvallier keek haar aan.
‘Van wat?’
‘Dat de ranken niet van u zijn. Niet van een charter. Niet van een orde met zeven tongen.’
‘Raad van Zeven Tongen,’ verbeterde Duvallier.
‘Dat maakt het niet beter.’
Ze draaide zich naar Markie.
‘Het verslag.’
Markie haalde zijn notitieboek tevoorschijn.
Alcina legde Hendriks blauwe boekje op de stenen tafel onder de vijgenboom.
Lavendel zette haar schetsboek erbij.
Ezel stapte naast de tafel en snoof plechtig.
Duvallier keek naar de spullen met zichtbare minachting.
‘Aantekeningen, tekeningen en een ezel vormen geen juridisch verweer.’
Lavendel glimlachte.
‘Misschien niet juridisch.’
Markie sloeg zijn notitieboek open.
‘Maar wel waar.’
Markie begon te lezen.
Zijn stem was laag en helder. Eerst een beetje stroef, alsof de woorden nog langs zijn trots moesten. Maar al snel werd ze steviger.
Hij las over Hendrik Von Zeist die naar Frankrijk kwam om blauw te zoeken. Over Marguerite Alcina die wijn maakte alsof iedere fles een brief was. Over de zomer waarin verf en wijn elkaar vonden. Over de brief die nooit werd verstuurd. Over het schilderij dat vijftig jaar wachtte onder Château Pourpre. Over het vat Mémoire, waarin herinneringen waren bewaard die te zwaar waren voor één hart.
Duvallier luisterde zonder zichtbaar te bewegen.
Maar bij de naam Mémoire kneep zijn hand zich steviger om de leren map.
Lavendel zag het.
Alcina ook.
Ezel blijkbaar ook, want hij snoof precies op dat moment.
Markie las verder.
‘“Het vat werd niet geopend om macht te verkrijgen, maar om spijt niet langer als erfstuk door te geven. De wijn werd niet gedronken. De herinneringen werden teruggegeven aan de aarde. Uit drie pitten begint nu iets nieuws. Niet als bezit. Als gevolg.”’
Hij sloot zijn boek.
De stilte die volgde, was warmer dan daarvoor.
Een stilte waarin iets was uitgesproken dat niet meer eenvoudig terug de schaduw in kon.
Duvallier klapte langzaam zijn handen tegen elkaar.
Drie keer.
‘Heel literair.’
Markie boog nauwelijks.
‘Heel bedoeld.’
‘Maar een mooi verhaal verandert geen charter.’
Lavendel pakte haar schetsboek.
‘Dan kijkt u nog niet goed.’
Ze sloeg het open en liet de tekeningen zien. Marguerite, zoals Hendrik haar had gezien. De blauwe maan. Het vat. De Verborgen Wijngaard. De drie pitten. En Ezel, majestueuzer getekend dan hij ooit in werkelijkheid had gestaan.
Ezel boog zijn hoofd goedkeurend.
Duvallier bladerde nauwelijks.
‘Kunst is interpretatie.’
‘Precies,’ zei Lavendel. ‘Daarom is ze gevaarlijk voor mensen die alles willen vastleggen.’
Alcina opende daarna het blauwe boekje van Hendrik en Marguerite.
‘En dit?’
Ze wees naar de notities. Pigment naast druivensoorten. Maanstanden naast fermentatie. De tekening van de fles met het etiket:
Cuvée Vérité
Duvallier bleef stil.
Te lang.
Markie merkte het.
‘U kent dit.’
Duvallier sloot zijn ogen heel even.
Toen zei hij:
‘Er zijn geruchten geweest.’
Alcina’s stem werd scherp.
‘Nee. U kent dit.’
Duvallier opende zijn ogen.
‘Madame, wees voorzichtig.’
‘Waarom? Omdat waarheid gevaarlijk is?’
‘Omdat u niet begrijpt waar u mee speelt.’
Lavendel stapte dichterbij.
‘Leg het dan uit.’
Duvallier keek van Lavendel naar Markie, van Markie naar Alcina, en uiteindelijk naar Ezel, die nog steeds irritant waardig stond te zijn.
‘Cuvée Vérité is geen wijn,’ zei hij.
Markie trok een wenkbrauw op.
‘Dat horen we vaker over wijn van twijfelachtige kwaliteit.’
‘Het is een instrument.’
Alcina antwoordde ijzig:
‘Voor begrip.’
‘Voor ontwrichting,’ zei Duvallier. ‘Denkt u werkelijk dat mensen waarheid willen? Ze zeggen het, ja. Ze zingen erover, schrijven erover, schilderen haar met blauwe manen en huilende druiven. Maar zodra waarheid werkelijk komt, sluit iedereen de luiken.’
Lavendel zweeg.
Want ergens, diep onder zijn scherpe woorden, zat iets dat niet helemaal gelogen was.
Duvallier voelde dat hij terrein won.
‘Wij bewaren zulke oogsten niet uit hebzucht. Wij beschermen de wereld tegen wat zij niet kan verdragen.’
Markie keek hem aan.
‘Wie beslist dat?’
Duvallier legde zijn hand op zijn borst.
‘Wij dragen die verantwoordelijkheid al eeuwen.’
‘Nee,’ zei Markie. ‘U draagt de sleutel.’
Alcina knikte langzaam.
‘En misschien bent u vergeten dat een sleutel ook kan opsluiten.’
Duvalliers glimlach verdween.
‘Laat mij de plant zien.’
Niemand bewoog.
‘Laat mij,’ herhaalde hij, ‘de plant zien.’
Vanuit het atelier boven klonk een zacht geluid.
Een tik.
Alsof een potje tegen hout stootte.
Lavendel keek omhoog.
Duvallier volgde haar blik.
Zijn ogen glansden.
‘Ah.’
Hij liep naar de deur.
Alcina greep zijn arm.
Niet hard.
Maar genoeg.
‘U gaat niet naar binnen.’
Duvallier keek naar haar hand op zijn mouw.
‘Dit is een officiële inspectie.’
Markie stapte naast Alcina.
‘Dan heeft u vast officiële papieren.’
Duvallier hief het document.
Markie pakte het zonder te vragen uit zijn hand.
‘Dank u.’
‘Monsieur—’
Markie las snel. Zijn ogen bewogen over de regels. Toen glimlachte hij. Een kleine glimlach. Niet vriendelijk. Wel precies.
Lavendel kende die glimlach.
Dat was de glimlach van een man die een fout in een zin had gevonden.
‘Interessant,’ zei Markie.
Duvallier verstijfde.
‘Wat?’
‘Artikel twaalf, lid drie, subsectie blauw geeft u recht op keuring van een gemelde variëteit.’
‘Correct.’
‘Op het domein waar deze groeit.’
‘Eveneens correct.’
Markie tikte met zijn vinger op het papier.
‘Maar dit is niet Château Pourpre.’
Duvallier zei niets.
Lavendel keek van de een naar de ander.
Markie vervolgde:
‘U staat op mijn erf. Bij mijn atelierhuis. Zonder melding, zonder uitnodiging, zonder bevoegdheid.’
Een van de mantelleden fluisterde iets.
Duvallier draaide zich fel om.
‘Stilte.’
Markie vouwde het document keurig dubbel en gaf het terug.
‘Uw papier is moe. Neem het mee naar huis.’
Lavendel kon haar glimlach niet onderdrukken.
Lady Alcina ook niet helemaal.
Duvallier nam het document aan. Zijn vingers waren wit.
‘U speelt een gevaarlijk spel.’
‘Nee,’ zei Markie. ‘Ik lees.’
Boven klonk opnieuw een tik.
Dit keer harder.
Daarna een zacht gekraak.
Lavendel’s glimlach verdween.
‘Het plantje.’
Ze rende naar binnen.
Markie, Alcina, Ezel en, helaas, Duvallier volgden.
In het atelier was het licht veranderd.
De zon stond laag en viel door het raam precies op het schilderij van Lavendel. Het blauwe maanlicht op het doek gloeide nu feller dan ooit. Achter het doek stond het terracotta potje.
Maar het plantje was niet langer alleen een scheutje.
In enkele minuten was het gegroeid.
Een dunne rank kronkelde omhoog langs de achterkant van het schilderij, over de rand van het doek heen, dwars door het natte blauwe maanlicht dat Lavendel had geschilderd. Waar de rank de verf raakte, ontstonden kleine bloesems. Minieme blauwe sterretjes.
Duvallier bleef in de deuropening staan.
Zijn gezicht was bleek.
‘Onmogelijk.’
Lavendel keek even naar Markie.
‘Dat woord is echt populair bij mensen zonder verbeelding.’
De rank groeide verder.
Niet wild.
Niet chaotisch.
Doelgericht.
Ze volgde de geschilderde lijn van de blauwe maan, kronkelde langs de penseelstreek die de Verborgen Wijngaard voorstelde en stopte bij de plek waar Lavendel het vat Mémoire had geschilderd.
Daar opende zich één bloem.
Groter dan de rest.
Blauw met een donkerrood hart.
De kamer vulde zich met de geur van lavendel, koffie en oude wijn.
Toen sprak de bloem.
Niet fluisterend dit keer.
Helder.
‘De Eerste Proever verbergt zijn eigen nasmaak.’
Duvallier hapte naar adem.
Niemand zei iets.
De bloem vervolgde:
‘Hij kent Mémoire omdat hij ervan gedronken heeft.’
Lady Alcina draaide langzaam haar hoofd naar hem.
‘Wat?’
Duvallier zette een stap achteruit.
‘Dit is misleiding.’
De bloem trilde.
‘Hij proefde uit verboden vat. Hij zag zijn waarheid. Hij sloot haar op.’
Markie keek naar Duvallier.
‘Welke waarheid?’
Duvallier’s mond opende, maar er kwam niets uit.
Zijn glimlach was weg. Zijn keurigheid was er nog, maar nu leek die op een jas die te strak zat.
Lavendel stapte naar het schilderij.
‘Wat heeft hij gezien?’
De bloem boog zich naar haar toe.
‘Dat hij niet bewaart uit plicht.’
Een stilte.
Toen:
‘Maar uit angst.’
Ezel balkte zacht.
Deze keer lachte niemand.
Duvallier draaide zich om naar zijn vier metgezellen.
‘Dit verschijnsel is gevaarlijk. Jullie zien het zelf. Het moet onmiddellijk worden meegenomen.’
Maar de vier leden bewogen niet.
Een van de vrouwen, degene met het notitieboekje, keek naar de bloem alsof ze voor het eerst in jaren iets hoorde dat niet door een commissie was goedgekeurd.
‘Maître,’ zei ze voorzichtig, ‘als de bloem waarheid spreekt…’
‘Ze spreekt niet,’ beet hij haar toe. ‘Ze verleidt.’
Markie sloot zijn notitieboek langzaam.
‘Waarheid heeft die reputatie.’
Duvallier keek hem woedend aan.
‘U begrijpt niet wat dit kan doen.’
‘Nee,’ zei Markie. ‘Maar ik begin te begrijpen wat ú hebt gedaan.’
Lady Alcina stapte naar voren.
Haar stem was zacht, maar gevaarlijk zacht.
‘Heeft de Confrérie mijn grootmoeder bedreigd?’
Duvallier zweeg.
De bloem antwoordde:
‘Ja.’
Alcina’s gezicht verstarde.
‘Heeft u Hendrik Von Zeist laten vertrekken?’
Duvallier schreeuwde bijna:
‘Ik was toen niet eens geboren!’
De bloem boog.
‘Niet hij. Zijn voorgangers. Maar hij bewaart hun schuld alsof ze zijn kroon is.’
Markie’s ogen werden donker.
‘Waarom?’
Duvallier ademde snel.
Even leek hij ouder. Kleiner. Minder Eerste Proever en meer een man die jarenlang in een kelder had gestaan waar de lucht te zwaar was.
‘Omdat iemand het moet doen,’ zei hij. ‘Iemand moet voorkomen dat alles openbreekt.’
Lavendel keek naar hem.
‘Wat brak er bij u open?’
Duvallier keek haar aan.
En daar, heel even, kwam de waarheid niet van de bloem.
Maar uit zijn gezicht.
Verdriet.
Ruw en oud.
‘Ik proefde Mémoire toen ik jong was,’ zei hij hees. ‘Een druppel maar. Uit een gestolen fles. Ik zag mijn vader. Niet als de man die hij was, maar als de man die hij had willen zijn. Ik begreep hem. Ik vergaf hem.’
Hij slikte.
‘En daarna kon ik hem nooit meer haten.’
Niemand bewoog.
Zelfs Ezel niet.
Duvallier fluisterde:
‘U denkt dat waarheid bevrijdt. Maar soms berooft ze je van de woede die je nodig had om overeind te blijven.’
Lavendel liet haar penseel zakken.
Daar zat het.
Niet de grote boze vijand.
Maar een man die zijn pijn bewaakte alsof het bezit was.
Markie zei zacht:
‘Woede is een slechte wandelstok.’
Duvallier keek naar hem.
‘Maar het is soms de enige die je hebt.’
Lavendel stapte dichterbij.
‘Dan moet je misschien leren lopen zonder.’
Duvallier lachte schor.
‘Kunstenaars.’
‘Ja,’ zei ze. ‘Vervelend volk.’
De blauwe bloem begon zachter te gloeien.
‘Waarheid zonder zachtheid is een mes,’ fluisterde ze.
Lavendel keek verbaasd op.
‘Hé. Dat is mijn zin.’
Markie zei:
‘Blijkbaar geciteerd door een plant. Gefeliciteerd.’
Duvallier rechtte zijn rug.
Langzaam trok hij zijn keurigheid weer om zich heen. De glimlach keerde niet terug, maar zijn houding wel.
‘Ik kan niet toestaan dat deze rank ongecontroleerd blijft.’
Lady Alcina antwoordde:
‘En wij kunnen niet toestaan dat u haar meeneemt.’
De vier leden van de Confrérie stonden nog steeds in de deuropening.
Duvallier keek naar hen.
‘Wij vertrekken.’
Een van de mannen fronste.
‘Maar Maître—’
‘Wij vertrekken,’ herhaalde Duvallier.
Hij draaide zich naar Alcina.
‘Over twee dagen zal de Raad van Zeven Tongen bijeenkomen in de dorpshal van Saint-Véran.’
Markie mompelde:
‘Natuurlijk hebben ze een dorpshal nodig voor hun tongen.’
Duvallier negeerde hem.
‘Daar zal worden beslist of Cuvée Vérité onder bescherming van de Confrérie valt.’
Alcina hief haar kin.
‘Dan komen wij.’
‘Dat verwacht ik.’
Zijn blik ging naar Lavendel’s schilderij. Naar de rank. Naar de bloem.
‘En breng uw bewijs mee.’
Lavendel legde haar hand op de rand van het doek.
‘Dat was ik van plan.’
Duvallier keek daarna naar Ezel.
‘En het dier.’
Ezel balkte beledigd.
Markie zei droog:
‘De getuige.’
Duvallier hield even zijn adem in.
‘De getuige,’ corrigeerde hij.
Daarna draaide hij zich om en liep de trap af.
Zijn vier metgezellen volgden, maar niet allemaal met dezelfde zekerheid waarmee ze waren gekomen.
Vanaf het raam zagen Lavendel, Markie en Alcina hoe de zwarte koetsen het erf verlieten. Het grind kraakte onder de wielen. Het gouden wapen ving nog één keer de avondzon.
Druiventros.
Sleutel.
Open mond.
Toen verdwenen ze tussen de cipressen.
In het atelier bleef de blauwe bloem open.
Lavendel ging ervoor zitten op de vloer. Haar benen gekruist, haar baret scheef, haar penseel nog in haar hand.
‘Nou,’ zei ze. ‘Dat ging best goed.’
Markie staarde haar aan.
‘Best goed?’
‘Niemand is gearresteerd.’
‘Een lage lat.’
‘De beste soort lat.’
Lady Alcina stond bij het raam, haar blik op de weg waar Duvallier verdwenen was.
‘Hij geeft niet op.’
‘Nee,’ zei Markie. ‘Maar hij wankelt.’
Lavendel keek naar de bloem.
‘En de Confrérie wankelt misschien mee.’
Het plantje ritselde zacht.
Markie pakte zijn notitieboek.
‘We hebben twee dagen.’
Alcina draaide zich om.
‘Voor wat?’
‘Voor een verdediging.’
Lavendel keek naar haar schilderij.
‘En een tentoonstelling.’
Markie keek naar haar.
‘Een wat?’
Ze stond op. In haar ogen lag ineens dat licht dat Markie inmiddels herkende als het begin van grote problemen.
‘Als de Raad van Zeven Tongen ons wil beoordelen, dan geven we ze iets om naar te kijken. Niet alleen papieren. Niet alleen argumenten. We brengen het hele verhaal naar de dorpshal.’
Alcina glimlachte langzaam.
‘Schilderijen.’
‘Brieven.’
‘Het blauwe boekje.’
‘Getuigen.’
Ezel balkte.
Markie zuchtte.
‘En brood.’
Lavendel wees haar penseel naar hem.
‘En jij schrijft de opening.’
‘Natuurlijk doe ik dat.’
‘Je zei dat wel erg snel.’
‘Ik ben moe van mezelf tegenspreken.’
Lady Alcina pakte haar glas rode wijn van de tafel en hief het.
‘Op de waarheid.’
Lavendel pakte haar rosé.
‘Op zachtheid.’
Markie pakte zijn koffie, keek ernaar en hief die ook maar.
‘Op correcte bevoegdheden.’
Ezel stak zijn hoofd tussen hen in en beet een stuk brood van de tafel.
Niemand hield hem tegen.
Buiten viel de avond over Zuid-Frankrijk. De lucht werd paars, de krekels begonnen te zingen en ergens in de verte reed Séraphin Duvallier terug naar zijn orde met een waarheid in zijn borst die zich niet langer netjes liet opsluiten.
In het atelier boog de blauwe bloem zich naar het schilderij.
En fluisterde nog één keer:
‘De eerste tong zal spreken.’
Markie schreef het meteen op.
Lavendel keek over zijn schouder.
‘Dat klinkt als gedoe.’
‘Dat is het ook,’ zei Markie.
Hij keek naar het schilderij, naar het plantje, naar Alcina, naar Ezel, naar Lavendel.
Toen schreef hij daaronder:
Maar soms is gedoe gewoon waarheid die eindelijk haar jas aantrekt.
Lavendel glimlachte.
‘Die laten we staan.’
Markie knikte.
‘Ja,’ zei hij. ‘Die laten we staan.’