Hoofdstuk 3 – De ezel, de hoed en de eerste fles
De ochtend in Zuid-Frankrijk begon zoals alleen ochtenden daar kunnen beginnen: met goud licht over de heuvels, het zachte gezang van krekels en de geur van lavendel die zich vermengde met warme aarde, olijfbomen en een vaag vleugje wijn van gisteren.
Lavendel stond midden op het erf van de oude mas, haar zwarte baret scheef op haar blonde rommelknot, haar oversized schildersjas al vóór het ontbijt voorzien van drie nieuwe verfspatten: kobaltblauw op haar mouw, geel op haar knie en een mysterieuze paarse veeg op haar wang.
Ze keek naar haar schildersezel.
Daarna naar de echte ezel.
De ezel keek terug.
Hij droeg een strohoed die net iets te groot was en een doek om zijn rug waarop nog meer verf zat dan op Lavendels jas. Aan weerszijden hingen tassen, wijnflessen, penselen, doeken, een half stokbrood, twee perziken en iets wat verdacht veel leek op Markies reserve-notitieboek.
‘Jij bent dus duidelijk belangrijker dan wij allemaal,’ zei Lavendel.
De ezel knipperde langzaam.
‘Hij weet het,’ klonk Markies stem achter haar.
Markie Von Zeist kwam het erf op gelopen met zijn handen in de zakken van zijn spijkerbroek. Zijn zilverwitte haar stond alle kanten op, alsof hij in zijn slaap ruzie had gehad met een mistral. Zijn gezicht stond ernstig, zoals altijd, maar in zijn lichtblauwe ogen zat die kleine schittering die Lavendel inmiddels kende.
‘Hij heet nog steeds Ezel?’ vroeg Markie.
Lavendel trok haar wenkbrauwen op.
‘Hij heeft zelf nog geen bezwaar gemaakt.’
‘Dat is omdat hij diplomatieker is dan wij.’
‘Onzin. Hij wacht gewoon op wijn.’
Alsof hij het begreep, draaide de ezel zijn hoofd langzaam naar de tassen aan zijn zij, waar de hals van een fles rosé bovenuit stak.
Markie wees ernaar.
‘Het is half tien.’
Lavendel glimlachte.
‘In Parijs misschien. Hier is het zuid-Franse tijd.’
‘En wat betekent dat?’
‘Dat alles mag, zolang je er langzaam bij kijkt.’
Ze pakte een penseel, stak het als een sabel in de lucht en wees naar het pad tussen de lavendelvelden.
‘Vandaag gaan we schilderen bij de oude wijngaard.’
Markie keek naar de heuvels in de verte.
Daar lag het domein van Lady Alcina.
Zelfs van afstand leek haar landgoed anders dan de rest van de omgeving. De wijngaarden lagen strak als donkere lijnen over de hellingen. De cipressen stonden er te recht. Het huis zelf, met zijn hoge ramen en verweerde stenen muren, leek niet gebouwd maar verschenen.
‘Weet je zeker dat we daar welkom zijn?’ vroeg Markie.
Lavendel haalde haar schouders op.
‘Ze heeft ons uitgenodigd.’
‘Ze zei: “Kom als je durft.”’
‘Dat is in bepaalde kringen hetzelfde.’
Markie zuchtte.
‘Ik wist dat je dat zou zeggen.’
Lavendel boog zich naar hem toe en tikte met haar paarse oorbel bijna tegen zijn schouder.
‘Markie, lieverd, een boek schrijft zichzelf niet. We hebben mysterie nodig. Gevaar. Wijn. Een vrouw met een grote zwarte hoed.’
‘En een ezel.’
‘Vooral een ezel.’
De ezel zette precies op dat moment één stap vooruit, alsof hij vond dat zijn naam in het contract moest worden opgenomen.
Ze liepen langzaam het pad af. Lavendel voorop, zwaaiend met haar penseel alsof ze een parade leidde. Markie ernaast met zijn serieuze gezicht en zijn notitieboek onder zijn arm. De ezel sjokte achter hen aan, beladen met verf, wijn en waardigheid.
Onderweg wees Lavendel naar alles wat volgens haar geschilderd moest worden.
‘Kijk, dat licht op die stenen muur. En daar, die kromme olijfboom. En die wolk, zie je die? Die lijkt op een oude dichter die zijn belastingaangifte kwijt is.’
Markie keek omhoog.
‘Ik zie vooral een wolk.’
‘Daarom ben jij schrijver en ik kunstenares.’
‘Ik dacht dat wij allebei aan dit boek schreven.’
‘Dat klopt. Jij schrijft de zinnen, ik mors er kleur overheen.’
Hij keek naar de paarse verf op haar wang.
‘Dat doe je niet alleen op papier.’
Lavendel glimlachte tevreden.
‘Kunst moet geleefd worden.’
Toen ze bij de rand van de wijngaard kwamen, veranderde de stilte. De krekels leken zachter te zingen. De wind streek door de druivenranken met een fluistering die bijna woorden vormde.
Boven aan het pad stond Lady Alcina.
Ze droeg een grote zwarte hoed die haar gezicht gedeeltelijk in schaduw hield. Haar blonde haar zat in een losse, rommelige knot, maar dan op zo’n manier dat het onmogelijk toeval kon zijn. Haar paarse lippen glimlachten alsof ze net een geheim had geproefd. In haar hand hield ze een glas rode wijn, diep donkerrood, bijna zwart in het ochtendlicht.
‘Jullie zijn laat,’ zei ze.
Markie keek op zijn horloge.
‘Het is vijf voor tien.’
Lady Alcina glimlachte breder.
‘Precies.’
Lavendel stapte naar voren, niet onder de indruk, al kneep ze heel even haar ogen samen om de vrouw beter te bekijken.
‘We moesten wachten tot de ezel zijn hoed goed had.’
Lady Alcina keek langs haar heen naar het dier.
De ezel keek terug.
Een stilte viel.
Toen hief Lady Alcina haar glas lichtjes op.
‘Hij heeft smaak.’
‘Dat zeg ik ook steeds,’ zei Lavendel.
Markie schreef iets op.
Lavendel keek over zijn arm mee.
‘Wat schrijf je?’
‘Dat de ezel mogelijk de verstandigste van ons drieën is.’
‘Vier,’ verbeterde Lady Alcina.
Markie keek op.
‘U rekent uzelf mee?’
‘Altijd.’
Ze draaide zich om en liep zonder verder iets te zeggen tussen de druivenranken door. Haar hakken zakten geen millimeter weg in de aarde, wat Lavendel buitengewoon verdacht vond. Niemand liep zo netjes door een wijngaard. Niet zonder magie, oefening of een zeer duister familiegeheim.
‘Kom,’ zei Lady Alcina. ‘Ik laat jullie zien waar de eerste fles begraven ligt.’
Markie bleef staan.
‘De eerste wat?’
Lavendel pakte hem vrolijk bij zijn arm.
‘Fles, lieverd. Ze zei fles.’
‘Begraven.’
‘Dat maakt het literair.’
De ezel balkte zacht.
Markie keek naar hem.
‘Jij vertrouwt dit ook niet, hè?’
Maar de ezel liep al achter Lady Alcina aan.
Lavendel lachte.
‘Zie je? Zelfs hij wil weten hoe dit hoofdstuk afloopt.’
Dieper in de wijngaard stond een oude stenen put, half verscholen onder klimop en wilde rozen. Naast de put lag een platte steen met vreemde inkervingen. Geen woorden, eerder symbolen: een druiventros, een penseel, een hoed, een ezel en iets wat leek op een open boek.
Markie knielde erbij neer.
Zijn gezicht werd nog ernstiger.
‘Dit is oud.’
‘Alles hier is oud,’ zei Lavendel. ‘Zelfs de ruzies zijn waarschijnlijk erfgoed.’
Lady Alcina nam een slok wijn.
‘Onder deze steen ligt de eerste fles van Domaine Alcina. Volgens de familielegende is hij alleen bestemd voor degene die het ware verhaal kan schilderen.’
Lavendel voelde hoe haar hart sneller ging slaan.
‘Schilderen?’
‘En schrijven,’ zei Lady Alcina, met een korte blik op Markie.
Markie sloeg zijn notitieboek dicht.
‘Wat gebeurt er als iemand het verkeerde verhaal vertelt?’
Lady Alcina’s glimlach verdween niet, maar werd dunner.
‘Dan vertelt het land het zelf.’
Op dat moment trok een windvlaag door de wijngaard. De bladeren ritselden. De ezel zette zijn oren overeind. Lavendels baret waaide bijna van haar hoofd en Markie greep hem nog net uit de lucht.
Even was alles stil.
Toen klonk er vanuit de put een zachte tik.
Alsof glas tegen steen bewoog.
Lavendel keek naar Markie.
Markie keek naar Lavendel.
Lady Alcina hief haar glas.
‘Welkom in hoofdstuk drie,’ zei ze.
En ergens onder hun voeten wachtte de eerste fles.