Lena
Ik vertrouwde mannen met glanzende schoenen niet.
Dat was geen regel die ik bewust had opgesteld. Het was meer een conclusie die zich in de loop van mijn leven rustig had gevormd.
Mannen met glanzende schoenen zeiden dingen als: We moeten hier iets mee.
Of: Dit heeft potentie.
En meestal bedoelden ze daarmee: Ik wil graag dat jij het werk doet, terwijl ik het verhaal vertel.
Roderick Smit was zo’n man.
Hij had Milo niet gevraagd hoe de Braphone werkte. Hij had niet gevoeld aan de stof. Hij had geen enkele vraag gesteld over batterijen, maten of wat er gebeurde als iemand per ongeluk met het ding onder de douche stapte.
Hij had alleen gekeken naar de mensen die waren blijven staan.
Naar de jongen met zijn telefoon.
Naar de visboer.
Naar de kleine kring van nieuwsgierigen.
Hij had geen Braphone gezien.
Hij had aandacht gezien.
En aandacht was blijkbaar iets waar mannen als Roderick geld in roken.
Milo draaide het visitekaartje tussen zijn vingers.
“Bright & Bold Retail,” zei hij.
“Ja.”
“Ken jij dat?”
“Niet persoonlijk.”
“Maar je keek alsof je net een spin in je mouw zag.”
“Ik keek normaal.”
“Mensen die normaal kijken, tikken niet met hun nagel tegen een kaars.”
Ik keek naar mijn hand.
Mijn nagel rustte inderdaad tegen de glazen pot met Ik ben niet boos. Ik ben teleurgesteld.
Dat vond ik toepasselijk.
“Bright & Bold is zo’n keten,” zei ik. “Ze verkopen spullen die mensen niet nodig hebben, maar die ze ineens heel dringend willen.”
“Zoals een mini-wafelijzer in de vorm van een alpaca?”
“Precies. Of een lamp die oplicht wanneer je plant water nodig heeft.”
“Dat is best handig.”
“Je hebt geen planten.”
“Dat is waar.”
“Milo, ze verkopen ook badjassen met ingebouwde snackszakken.”
Hij dacht even na.
“Dat is misschien wel een goed idee.”
Ik kneep mijn ogen dicht.
“Je bent hopeloos.”
“Dat zeg je alsof het een slecht karaktertrekje is.”
“Dat is het ook.”
Hij stopte het kaartje in zijn jaszak.
Niet in zijn portemonnee. Niet in een vakje van zijn tas. Gewoon los in zijn jaszak, tussen een schroevendraaier en een verkreukelde energiereep.
Daaruit maakte ik op dat hij nog niet wist wat hij ermee wilde.
Dat stelde me gerust.
Een beetje.
De ochtend ging verder. De markt werd drukker. De zon brak voorzichtig door de wolken heen, alsof hij nog niet zeker wist of deze zaterdag het waard was.
Bij mijn kraam kwamen mensen kaarsen ruiken, etiketten lezen en herkenbaar lachen.
Een man kocht Ik heb vandaag al genoeg gedaan voor zijn vrouw.
“Ze werkt thuis,” zei hij. “Dus eigenlijk doet ze de hele dag van alles.”
“Dat is meestal hoe thuiswerken werkt,” zei ik.
Hij knikte alsof hij zojuist een belangrijke les had geleerd.
Een jonge vrouw kocht Mijn ex heeft een nieuwe fiets.
“Hij heeft echt een nieuwe fiets,” vertelde ze. “Met van die dunne banden. Hij zet hem zelfs in zijn woonkamer.”
“Dan is deze kaars heel geschikt,” zei ik. “Hij ruikt naar citroen, lavendel en iemand die eigenlijk best gelukkig kan zijn zonder een man met wielrenbroek.”
De jonge vrouw lachte.
“Doe er twee.”
Ondertussen verkocht Milo niets.
Dat was niet helemaal eerlijk. Hij verkocht één klein setje vervangende bandjes aan een vrouw die dacht dat het elastiek voor haar sporttas was. Toen ze ontdekte dat het bij een Braphone hoorde, wilde ze haar geld terug.
Milo gaf haar zonder discussie haar vijf euro terug.
Daarna stond hij weer achter zijn tafel.
Hij was stiller dan eerder.
Dat viel misschien niemand anders op. Milo was nog steeds vriendelijk tegen voorbijgangers. Hij zei goedemorgen. Hij legde uit wat bluetooth was aan een man die dacht dat het iets met tandartsen te maken had.
Maar zijn glimlach kwam later dan normaal.
Alsof hij hem eerst ergens vandaan moest halen.
Ik kende dat soort glimlachen.
Ik had er zelf ook een paar.
“Je kunt dat kaartje gewoon weggooien,” zei ik, terwijl ik nieuwe luciferdoosjes op mijn tafel legde.
Milo keek op.
“Dat kan ik niet.”
“Waarom niet?”
“Omdat het misschien een kans is.”
“Of een val.”
“Dat klinkt dramatisch.”
“Het leven is dramatisch. Mensen doen alleen alsof het niet zo is, omdat ze anders niet rustig hun boodschappen kunnen doen.”
Hij keek naar een Braphone in panterprint.
“Jij bent niet heel enthousiast over kansen, hè?”
Ik wilde zeggen dat ik prima enthousiast was over kansen.
Dat ik gewoon voorzichtig was.
Dat voorzichtigheid heel iets anders was dan bang zijn.
Maar ik wist al voordat ik mijn mond opendeed dat hij daar doorheen zou kijken. Niet omdat hij zo slim was. Milo keek alleen op een rare manier naar mensen. Alsof hij oprecht verwachtte dat je zou zeggen wat je werkelijk dacht.
Dat was vermoeiend.
“Mijn vorige baan begon ook met een kans,” zei ik.
Milo draaide zich volledig naar me toe.
“Je had een andere baan?”
“Natuurlijk had ik een andere baan.”
“Ik wist niet dat jij ooit ergens anders kaarsen had verkocht.”
“Ik verkocht geen kaarsen.”
“Wat dan?”
Ik zuchtte.
“Geurproducten.”
Hij wachtte.
“Voor een bedrijf.”
Hij wachtte nog steeds.
“Goed. Ik schreef teksten voor een merk dat luxe badschuim verkocht.”
Milo knipperde.
“Dat klinkt best passend.”
“Het was niet luxe. Het was paars schuim in een plastic fles. Maar op het etiket stond: Een zintuiglijke reis naar innerlijke rust.”
“Wat zat erin?”
“Parfum en teleurstelling.”
Milo lachte.
Ik wilde niet dat hij lachte. Het verhaal was niet grappig geweest toen ik er middenin zat.
Toch lachte ik zelf ook een beetje.
“Mijn leidinggevende heette Bernard,” ging ik verder. “Bernard droeg altijd beige. Beige jas, beige schoenen, beige bril. Hij zei dat ik een talent had voor taal.”
“Dat is toch mooi?”
“Dat dacht ik ook. Tot ik ontdekte dat hij mijn teksten gebruikte tijdens vergaderingen. Hij deed dan alsof hij ze zelf had geschreven.”
Milo’s glimlach verdween.
“Serieus?”
“Ja. En toen ik daar iets van zei, vertelde hij me dat ik niet zo emotioneel moest doen. Het ging tenslotte om het team.”
“Dat is vreselijk.”
“Het werd nog beter. Hij gaf me een nieuwe functie. Creatief ondersteunend medewerker.”
“Dat klinkt als minder geld voor hetzelfde werk.”
“Precies dat.”
Ik keek naar de potten op mijn kraam.
“Dus ben ik weggegaan. Ik had wat spaargeld, een kleine keuken en een hekel aan Bernard. Dat bleek genoeg om te beginnen.”
Milo keek naar mijn kaarsen.
“Toen ben je dit gaan doen.”
“Eerst maakte ik kaarsen voor vriendinnen. Daarna voor een kleine winkel. Nu sta ik hier.”
“En je hebt je eigen naam op alles.”
Ik knikte.
Op de onderkant van iedere pot stond een klein rond stickertje.
LENA LICHT. HANDGEGOTEN OP ZATERDAGAVONDEN.
“Niemand kan doen alsof mijn etiketten van hen zijn,” zei ik.
“Dat is een goede reden.”
“Het is ook een koppige reden.”
“De beste redenen zijn vaak koppig.”
Ik keek hem aan.
Hij had dat rustige gezicht weer. Niet het gezicht waarmee hij een klant probeerde te overtuigen. Niet de man van de spandoeken en de grootse plannen.
Gewoon Milo.
“Dus,” zei hij, “je denkt dat Roderick mijn Braphone wil afpakken.”
“Ik denk dat hij hem wil veranderen tot iets waar jij hem misschien niet meer in herkent.”
“Misschien kan hij me helpen hem beter te maken.”
“Dat kan.”
“Misschien weet hij hoe ik het veilig kan produceren.”
“Ook dat.”
“Misschien kan ik er echt geld mee verdienen.”
Ik zweeg.
Daar was het dus.
Niet roem. Niet aandacht. Geen fuchsia reclamebord dat boven de hele markt zou hangen.
Geld.
Ik keek naar zijn tafel. Naar de doosjes, de losse kabels, de kleine kaartjes die hij zelf had geprint. Naar de tape op het doek boven zijn hoofd.
“Heb je geld nodig?” vroeg ik.
Milo keek weg.
Dat antwoord was duidelijk genoeg.
“Het is niet heel dramatisch,” zei hij snel. “Ik heb geen schuldeisers of zo. Geen mannen met glanzende schoenen die aan mijn deur komen.”
“Dat is geruststellend.”
“Maar mijn huur is verhoogd. En de onderdelen zijn duurder geworden. Vooral de kleine speakers. En mijn moeder heeft gezegd dat ik niet eeuwig haar garage kan gebruiken als werkplaats.”
“Gebruik je haar garage?”
“Alleen de linkerhelft.”
“En wat staat er in de rechterhelft?”
“Een fiets die ze nooit gebruikt. Dus technisch gezien heeft zij ruimte zat.”
Ik glimlachte.
Toen hoorde ik iemand zijn keel schrapen.
Voor onze kraam stond de man met de prei.
Hij had inmiddels geen prei meer in zijn tas. Wel een bos tulpen en, om onduidelijke redenen, een pakje sokken.
“Ik heb een vraag,” zei hij.
Milo ging meteen rechter staan.
“Dat is goed.”
“Niet over die bh.”
Milo zakte weer iets in.
“Ook goed.”
De man wees naar een van mijn kaarsen.
“Mijn vrouw is morgen jarig. We zijn vijfendertig jaar getrouwd.”
“Gefeliciteerd,” zei ik.
“Dank je. Ik zoek iets dat niet te romantisch is.”
“Dat begrijp ik.”
“Maar ook niet te onpersoonlijk.”
“Dat begrijp ik ook.”
Hij keek naar alle etiketten. Zijn blik bleef hangen bij Familiebezoek van maximaal twee uur.
“Die is voor mijn schoonzus,” zei hij. “Niet voor mijn vrouw.”
“Dat lijkt me verstandig.”
Hij dacht lang na. Zo lang dat ik even bang was dat hij hier zijn hele huwelijk opnieuw aan het afwegen was.
Toen pakte ik een kaars van de bovenste plank.
Het etiket was zachtgeel.
THUIS IS WAAR IEMAND VRAAGT OF JE KOFFIE WILT.
De man las de woorden twee keer.
“Die,” zei hij.
“Die is een goede keuze.”
“Ruikt hij romantisch?”
“Naar koffie, warm hout en een beetje kaneel.”
“Dat is precies hoe mijn vrouw ruikt als ze op zondag een appeltaart bakt.”
Hij keek opzij, alsof hij verrast was door zijn eigen zin.
Daarna glimlachte hij.
“Die neem ik.”
Terwijl ik de kaars inpakte, zag ik Milo naar het etiket kijken.
Niet lang.
Maar lang genoeg.
De man rekende af, nam zijn tas aan en liep weg. Bij de bloemenkraam bleef hij staan om nog een extra bos tulpen te kopen.
“Vijfendertig jaar,” zei Milo zacht.
“Ja.”
“Dat is lang.”
“Dat is meestal de bedoeling.”
“Denk je dat ze nog steeds verliefd zijn?”
Ik keek hem aan.
“Wat een rare vraag.”
“Waarom?”
“Omdat je hem stelt alsof verliefdheid een batterij is. Alsof je na vijfendertig jaar moet kijken hoeveel procent er nog over is.”
“Nou ja, soms moet je dingen opladen.”
“Niet alles.”
Hij knikte langzaam.
“Wat dan wel?”
Ik keek naar het lege plekje op mijn plank waar de kaars had gestaan.
“Misschien moet je sommige dingen gewoon blijven kiezen.”
Milo zei niets.
De wind trok weer over het plein. Dit keer bleef zijn spandoek hangen. Mijn kaarsen bewogen niet eens.
Voor een moment stonden we naast elkaar, ieder achter onze eigen kraam.
De markt ging door.
Er werd gelachen, afgerekend, geroepen en geproefd. Iemand zette een accordeon neer bij de ingang van het plein en begon een vrolijk lied te spelen dat niemand kende, maar toch meteen herkende.
Milo haalde het visitekaartje van Roderick opnieuw uit zijn jaszak.
Hij keek ernaar.
Toen stopte hij het terug.
“Maandag bel ik hem,” zei hij.
Ik voelde iets in mijn buik zakken.
Niet omdat ik verrast was.
Misschien juist omdat ik dat niet was.
“Dat moet je zelf weten,” zei ik.
“Je vindt het geen goed idee.”
“Ik vind dat je vragen moet stellen.”
“Welke vragen?”
“Wie krijgt de rechten? Wie bepaalt wat er verandert? Waar wordt het gemaakt? Wat gebeurt er als het niet verkoopt? En vooral: wat willen ze van jou?”
Milo knikte. Hij pakte zijn notitieblokje en schreef alles op.
Natuurlijk schreef hij het op.
Toen keek hij naar me.
“Wil jij meegaan?”
Ik wist niet meteen wat hij bedoelde.
“Waarheen?”
“Als ik met hem ga praten. Naar Bright & Bold.”
Ik lachte kort.
“Waarom zou ik dat doen?”
“Omdat jij dingen ziet die ik niet zie.”
“Dat is geen reden om een middag vrij te nemen.”
“En omdat jij mensen met glanzende schoenen niet vertrouwt.”
“Dat is nog minder een reden.”
Hij glimlachte voorzichtig.
“En omdat ik je erbij wil hebben.”
Daar was hij weer.
Dat lampje, ergens achter zijn ogen.
Niet fel. Niet opdringerig.
Gewoon eerlijk.
Ik keek naar mijn kraam. Naar mijn potten. Naar de kaars met de geur van een nieuw begin die ik die ochtend had verkocht.
“Dat hangt ervan af,” zei ik.
“Waarvan?”
“Of ik die dag op de markt sta.”
Milo keek even verbaasd.
Toen glimlachte hij breder.
“Dus dat is geen nee?”
“Dat is absoluut geen ja.”
“Maar ook geen nee.”
Ik pakte een luciferdoosje en legde het recht naast de kassa.
“Milo.”
“Ja?”
“Verkoop eerst nog minstens één Braphone zonder dat er een visboer aan verbonden is.”
Hij keek naar zijn kraam.
“Dat lijkt me haalbaar.”
Precies op dat moment kwam de visboer naar ons toe met twee kleine bakjes kibbeling.
Hij zette er één op Milo’s tafel en één op de mijne.
“Voor jullie,” zei hij.
Milo keek naar de vis.
“Waarom?”
De visboer haalde zijn schouders op.
“Jullie hebben mijn verkoop verdubbeld.”
Lena keek naar Milo.
“Zie je wel,” zei ik. “Je product heeft potentie.”
Milo pakte een stukje kibbeling.
“Dank je.”
De visboer keek naar de Braphones.
“Maar als dat ding straks weer mijn luidspreker overneemt, stuur ik je de rekening.”
“Volkomen terecht,” zei Milo.
De visboer knikte en liep terug.
Milo hield een stukje kibbeling omhoog.
“Eerste gezamenlijke lunch?”
“Het is elf uur.”
“Eerste gezamenlijke tussendoortje?”
Ik pakte een stukje uit mijn bakje.
“Dat klinkt minder als een slechte date.”
Hij keek op.
Ik ook.
De markt ruiste om ons heen.
Toen beet ik in de kibbeling.
“Het is geen date,” zei ik.
Milo glimlachte.
“Natuurlijk niet.”
Maar hij klonk alsof hij daar nog niet helemaal van overtuigd was.