Hoofdstuk 5 — De Kelder onder de Lavendelheuvel

De ochtend begon met het geluid van krekels, een koppige ezel en Markie Von Zeist die met zijn ernstigste gezicht naar een stokbrood keek alsof het hem persoonlijk had beledigd.

“Dit brood is te hard,” mompelde hij.

Lavendel zat op het lage muurtje voor het huis, haar zwarte baret scheef op haar blonde rommelknot, een penseel achter haar oor en een glas rosé naast zich op de warme steen. Op haar wang zat een veeg paarse verf die daar sinds gisterenavond hardnekkig was blijven wonen.

“Dat heet karakter, Markie,” zei ze vrolijk. “In Frankrijk heeft zelfs brood een verleden.”

De ezel, die naast de oude olijfboom stond met zijn strohoed half over één oor, balkte instemmend. Om zijn rug hing het vertrouwde doek vol verfspatten. Aan beide kanten bungelden tassen, wijnflessen, schetsboeken en iets wat verdacht veel leek op een halve kaas.

Markie keek naar het dier.

“Die ezel smokkelt weer iets.”

“Hij heeft smaak,” zei Lavendel.

De dag beloofde warm te worden. Aan de horizon trilden de heuvels in het zachte ochtendlicht. Rijen lavendel kleurden het landschap paars, de cipressen stonden kaarsrecht als wachters langs de zandweg en ergens beneden in het dal glinsterde een dorpje met rode daken.

Vandaag zouden ze naar het oude wijnhuis gaan.

Niet zomaar een wijnhuis.

Volgens de dorpsbakker, die alles wist en niets fluisterend kon vertellen, lag er onder Château Pourpre een kelder die al vijftig jaar gesloten was. Niemand wist precies waarom. Sommigen zeiden dat er een vergeten wijn lag. Anderen beweerden dat er schilderijen verborgen waren. De slager had daar nog aan toegevoegd dat er ’s nachts muziek uit de kelder kwam, maar de slager zei wel vaker dingen nadat hij zijn lunch had gedronken.

Lavendel had het verhaal natuurlijk meteen prachtig gevonden.

Markie niet.

“Gesloten kelders zijn meestal om een reden gesloten,” zei hij terwijl hij zijn donkerblauwe polo rechttrok.

“Precies,” antwoordde Lavendel. “En die reden willen wij weten.”

“Wij?”

“Jij, ik, de ezel en mijn schetsboek.”

De ezel balkte opnieuw.

Markie zuchtte. “Ik had kunnen weten dat ik geen democratische invloed had.”

Lavendel sprong van het muurtje, pakte haar oversized zwarte schildersjas van een stoel en trok hem aan. De jas was bezaaid met verfvlekken in rood, geel, turquoise en paars. Ze zag eruit alsof ze zojuist een regenboog had verslagen.

“Kom,” zei ze. “De geheimen wachten niet eeuwig.”


De weg naar Château Pourpre liep langs een slingerend pad tussen wijnvelden en lavendel. De ezel liep voorop, waardig en langzaam, alsof hij een processie leidde. Zijn strohoed wiebelde bij elke stap.

Markie stapte naast Lavendel en keek om zich heen.

“Het is hier te stil.”

“Het is ochtend.”

“Zelfs voor ochtend.”

“Je zoekt spoken voordat er wijn is, Markie. Dat is gevaarlijk voor de verbeelding.”

Hij keek haar zijdelings aan. “Jij ziet overal avontuur.”

“En jij ziet overal aanleiding tot bezorgdheid. Daarom zijn wij zo’n goed duo.”

Markie wilde antwoorden, maar op dat moment kwam het château in zicht.

Château Pourpre lag boven op een lage heuvel. Het gebouw was oud, elegant en een tikje dramatisch. De muren waren licht okerkleurig, de luiken diep paars geschilderd. Klimop kroop langs de gevel, en voor de ingang stonden twee stenen leeuwen die eruitzagen alsof ze hun beste jaren hadden gehad maar nog steeds niet van plan waren op te geven.

Voor de poort stond een vrouw.

Lady Alcina.

Ze droeg een grote zwarte hoed die schaduw wierp over haar gezicht, maar haar paarse lippen glimlachten al voordat ze iets zei. Haar blonde haar was losjes opgestoken, met plukken die door de warme wind bewogen. In haar hand hield ze een glas rode wijn, alsof de ochtend daar vanzelf om had gevraagd.

“Lavendel,” zei ze met een stem als fluweel en gevaar. “Markie. En natuurlijk… monsieur ezel.”

De ezel bleef staan en boog zijn hoofd bijna beleefd.

Lavendel stak haar armen uit. “Lady Alcina! Wat heerlijk onverwacht.”

Markie trok één wenkbrauw op. “Onverwacht? Zij staat voor de poort van het mysterieuze wijnhuis waar wij heen gingen.”

“Dat noem ik stijlvol toeval,” zei Lavendel.

Lady Alcina glimlachte. “Toeval bestaat alleen voor mensen die slecht opletten.”

Markie keek haar strak aan. “Dat klinkt als iets wat iemand zegt vlak voordat er problemen ontstaan.”

“Of vlak voordat er een uitstekende wijn wordt geopend.”

“Vaak hetzelfde,” mompelde hij.

Lady Alcina draaide zich om en liep naar de grote houten deur van het château. “Jullie komen voor de kelder.”

Lavendel keek verrukt. “Dus het is waar?”

“Alles is waar,” zei Lady Alcina. “Alleen niet altijd op de manier waarop men het vertelt.”

Ze haalde een sleutel tevoorschijn. Een grote, oude sleutel van donker metaal, met aan het uiteinde een klein paars steentje.

Markie keek ernaar. “Waar heeft u die vandaan?”

Lady Alcina keek over haar schouder. “Uit een la die niet open wilde.”

Lavendel fluisterde: “Ik vind haar geweldig.”

“Ik vind haar verdacht,” fluisterde Markie terug.

“Dat kan tegelijk.”


Binnen rook Château Pourpre naar hout, steen, oude druiven en iets geheimzinnigs dat Lavendel onmiddellijk wilde schilderen.

De hal was hoog en koel. Aan de muren hingen portretten van vrouwen met strenge blikken en mannen met snorren die waarschijnlijk nooit om brood hadden gelachen. Overal stonden vazen met gedroogde lavendel, en in het midden van de hal lag een rond mozaïek van paarse druivenranken.

Lady Alcina leidde hen naar een gang achter de proefkamer. Daar hing een gordijn van zware rode stof.

“Daarachter,” zei ze.

Markie keek naar het gordijn. “Natuurlijk. Geheimen zitten altijd achter zware gordijnen.”

Lavendel pakte haar schetsboek. “Wacht even.”

“Wat doe je?”

“Dit moment vastleggen.”

“Wij staan mogelijk op het punt een afgesloten kelder binnen te gaan.”

“Juist. Dat vraagt om een goede compositie.”

De ezel stak zijn kop onder het gordijn en trok het met een ruk opzij.

Daarachter zat een smalle stenen trap, dalend in de duisternis.

Lady Alcina hief haar glas. “Na u.”

Markie keek naar Lavendel. “Waarom heb ik het gevoel dat ik straks spijt krijg?”

“Omdat je intelligent bent,” zei ze. “Kom.”

Ze daalden af.

De lucht werd koeler. De muren vochtig. Elke voetstap echode zacht tussen de stenen. Halverwege de trap begon de ezel te aarzelen.

“Zie je,” zei Markie. “Zelfs de ezel heeft verstand.”

Lavendel aaide het dier over zijn neus. “Kom maar, lieve kunstdrager. We beschermen je.”

De ezel snoof, dacht zichtbaar na, en liep toen toch verder — vooral omdat uit een van de tassen een stokbrood stak waar hij nog plannen mee had.

Beneden kwamen ze bij een ronde deur van donker hout. Er zaten ijzeren banden omheen, en in het midden was een ingekerfd symbool: een druiventros met daarachter een penseel.

Lavendel hield haar adem in.

“Een penseel,” fluisterde ze.

Lady Alcina stak de sleutel in het slot.

Het klikte.

Een geluid dat vijftig jaar stilte brak.

De deur zwaaide langzaam open.


De kelder was geen gewone kelder.

Het was een ondergrondse zaal.

Langs de muren lagen wijnvaten, groot als kleine huisjes. Flessen stonden in rekken tot aan het gewelfde plafond. Maar tussen de vaten, half verborgen onder doeken, stonden schilderijen. Tientallen schilderijen.

Lavendel liep naar het dichtstbijzijnde doek en trok voorzichtig het stofdoek weg.

Een landschap verscheen.

Lavendelvelden onder stormlucht.

Wijnranken die leken te bewegen.

Een vrouw met een zwarte hoed aan de rand van een ravijn.

Markie kwam naast haar staan. Zijn serieuze gezicht werd nog stiller dan anders.

“Dit is goed,” zei hij zacht.

Lavendel keek hem aan. “Jij zegt nooit zomaar ‘goed’.”

“Daarom moet je luisteren als ik het doe.”

Lady Alcina stond in het midden van de kelder, haar glas rode wijn onaangeroerd in haar hand. Voor het eerst glimlachte ze niet.

“Deze schilderijen zijn gemaakt door Isabeau Pourpre,” zei ze. “De laatste kunstenares van dit huis.”

Lavendel streek met haar vingers vlak boven de verf, zonder het doek aan te raken. “Waarom zijn ze verborgen?”

Lady Alcina keek naar een groot vat aan de achterwand. “Omdat ze iets schilderde wat niemand mocht zien.”

Markie verstijfde. “En wat was dat?”

Lady Alcina liep naar het vat. Daar hing een klein schilderijtje aan een roestige spijker. Het was donkerder dan de rest. Een nachtelijk dorpsplein. Een fontein. Drie figuren onder maanlicht.

Een vrouw met een zwarte hoed.

Een man met zilverwit haar.

Een vrouw met een baret en verf op haar wang.

Lavendel voelde de lucht uit haar borst verdwijnen.

“Dat…” begon ze.

Markie zei niets.

Hij stapte dichterbij. Zijn lichtblauwe ogen werden smaller. De lijnen in zijn gezicht dieper.

“Dat zijn wij,” zei hij.

De ezel balkte plotseling luid.

Iedereen draaide zich om.

Aan de andere kant van de kelder stond de ezel bij een halfopen kist. Met zijn neus had hij het deksel omhooggeduwd. In de kist lagen brieven, dichtgebonden met een paars lint.

Lavendel pakte de bovenste brief.

Het papier was broos. De inkt verbleekt.

Ze las hardop:

Aan degene die de verfspatten volgt,
wanneer wijn bloedrood lijkt en lavendel blauw wordt in de schemering, zal het drietal terugkeren. Niet om het verleden te herhalen, maar om het schilderij af te maken.

Markie wreef over zijn voorhoofd. “Dat is precies het soort zin waar ik hoofdpijn van krijg.”

Lavendel glimlachte langzaam. Niet omdat ze het begreep, maar omdat ze voelde dat het verhaal onder haar voeten wakker werd.

“Het schilderij afmaken,” fluisterde ze.

Lady Alcina nam eindelijk een slok wijn. “Er ontbreekt één doek.”

Markie keek op. “Natuurlijk ontbreekt er één doek.”

“Het grootste doek,” zei Lady Alcina. “Het meesterwerk van Isabeau. Men zegt dat wie het vindt, ziet wat hij het liefst verbergt.”

Lavendel keek naar Markie.

Markie keek weg.

“Waar is het?” vroeg ze.

Lady Alcina glimlachte weer, maar deze keer zat er iets droevigs in. “Dat weet niemand. Alleen de laatste regel van de brief geeft een aanwijzing.”

Lavendel vouwde de brief verder open.

Onderaan stond, in sierlijke haastige letters:

Zoek waar de ezel weigert te lopen.

De kelder werd stil.

Heel langzaam draaiden drie paar ogen naar de ezel.

Die stond inmiddels met het oude stokbrood in zijn bek en keek alsof hij van niets wist.

Markie wees naar hem.

“Hij weet iets.”

Lavendel lachte zacht. “Onze ezel is een sleutel.”

“Onze ezel is een verdachte,” zei Markie.

Lady Alcina zette haar glas op een vat. “Dan stel ik voor dat we hem volgen.”

De ezel kauwde op het brood, keek naar de trap en liep plotseling vastberaden richting uitgang.

Buiten scheen de Provençaalse zon alsof er helemaal geen geheimen bestonden.

Maar toen ze de kelder verlieten, viel Lavendels blik nog één keer op het kleine schilderij.

De drie figuren op het dorpsplein.

Achter hen, nauwelijks zichtbaar in de donkere verf, stond een vierde schaduw.

Met een strohoed.

Lavendel slikte.

“Markie?”

“Ja?”

“Volgens mij is onze ezel belangrijker dan wij dachten.”

Markie keek naar het dier dat inmiddels met opgeheven hoofd de heuvel af liep.

“Dat,” zei hij, “is het meest verontrustende nieuws van vandaag.”

En ergens in de verte begon de wind door de lavendel te ruisen alsof het landschap zelf zachtjes lachte.