Milo
Na afloop van de markt telde ik mijn geld drie keer.
Niet omdat ik rijk was geworden.
Dat was ik niet.
Ik had die dag twee Braphones verkocht. Eén aan mevrouw Van Dongen, voor haar dochter van zesendertig. Eén aan de vrouw met de rode bril, die een man had die voetbalfilmpjes keek in bed.
Daarnaast had ik een bakje kibbeling gekregen, bijna mijn hele voorraad aan de markt laten horen en een visitekaartje ontvangen van een bedrijf dat misschien mijn leven kon veranderen.
Of verpesten.
Dat laatste zei Lena niet letterlijk.
Ze hoefde het ook niet te zeggen. Haar gezicht had het visitekaartje al behandeld alsof het een verdacht pakketje was.
Ik zat op een omgekeerde krat achter mijn kraam. De markt liep leeg. De bloemenman trok een groen zeil over zijn laatste emmers. De man van de stroopwafels veegde suiker van zijn toonbank. De visboer spoelde zijn bakken schoon met een slang die veel harder stond dan nodig was.
Lena pakte haar laatste kaarsen in.
Ze werkte snel. Rustig ook. Geen onnodige bewegingen. Eerst de kleine potten, dan de hoge. Daarna de luciferdoosjes in een houten kist. De lege dozen vouwde ze plat en bond ze samen met een touwtje.
Ik keek er waarschijnlijk te lang naar.
“Als je nog één minuut zo blijft staren,” zei ze zonder op te kijken, “laat ik je meehelpen.”
“Dat was precies mijn plan.”
“Leugenaar.”
“Een beetje.”
Ze wees naar een stapel lege dozen.
“Dan mag je die vasthouden.”
Ik pakte de stapel aan.
“Dit voelt als vertrouwen.”
“Dit voelt als karton.”
“Je onderschat de emotionele waarde van karton.”
“Dat doe ik al jaren met succes.”
Samen ruimden we op. Nou ja, Lena ruimde op. Ik hield dingen vast op de plekken waar zij zei dat ze moesten liggen. Dat was een subtiel verschil, maar ik vond dat ik er goed in was.
“Niet daar,” zei ze.
Ik verplaatste de doos.
“Hier?”
“Ook niet.”
“Je hebt een heel precies systeem.”
“Ja.”
“Wat is het systeem?”
“Dat ik weet waar alles ligt.”
“Sterk systeem.”
“Dank je.”
Ik keek naar haar handen. Aan haar rechterduim zat een klein vlekje paarse was. Waarschijnlijk van een kaars die ze die ochtend nog had gemaakt.
“Waarom heten je kaarsen eigenlijk allemaal zo?” vroeg ik.
Lena zette een pot in de krat.
“Omdat geur alleen niet genoeg is.”
“Niet?”
“Lavendel ruikt lekker. Vanille ook. Maar niemand onthoudt een kaars die gewoon Lavendel heet.”
“Mijn moeder wel.”
“Jouw moeder onthoudt waarschijnlijk alles.”
“Dat is waar.”
Lena glimlachte even.
“Een naam maakt dat mensen een verhaal verzinnen,” ging ze verder. “Ze ruiken iets en denken aan iemand. Aan een huis. Aan een slechte zondag. Aan een goede zondag. Soms kopen ze een kaars voor een ander, maar eigenlijk zeggen ze iets wat ze niet hardop willen zeggen.”
Ik dacht aan de man die vijfendertig jaar getrouwd was. Aan zijn vrouw die op zondag appeltaart bakte.
“Zoals die kaars voor zijn vrouw,” zei ik.
“Ja.”
“Thuis is waar iemand vraagt of je koffie wilt.”
“Precies.”
“Dat is wel mooi.”
“Niet te enthousiast doen. Dan krijg ik het idee dat je gevoelig bent.”
“Ik ben heel gevoelig.”
“Je hebt een kraam vol bh’s die verbinding zoeken met hoortoestellen.”
“Dat sluit elkaar niet uit.”
Ze keek me aan. Haar blik bleef een tel langer hangen dan nodig was.
Toen draaide ze zich om en pakte haar jas van de stoel achter haar kraam.
“Ga je alles alleen naar huis sjouwen?” vroeg ik.
“Ik heb een steekwagen.”
“Dat is geen antwoord.”
“Jawel. Een praktisch antwoord.”
“Ik kan helpen.”
Lena wees naar mijn eigen kraam. Op de tafel lagen nog steeds zes Braphones, twee dozen kabels, een rol ducttape en een half gescheurd spandoek.
“Jij hebt genoeg aan jezelf te sjouwen.”
“Dat klinkt harder dan je bedoelt.”
“Dat was het ook.”
Ik lachte.
De visboer liep met zijn lege bakken langs ons. Hij keek naar Lena’s steekwagen, daarna naar mij.
“Help haar even, jongen,” zei hij.
Lena keek hem aan.
“Piet.”
“Wat?”
“Ik ben prima in staat om mijn eigen spullen te verplaatsen.”
Piet, zo heette de visboer dus, zette zijn bakken neer.
“Dat weet ik. Maar hij staat toch maar in de weg.”
Ik wilde protesteren, maar hij had niet helemaal ongelijk.
Lena keek naar mij.
“Eén rit,” zei ze. “Tot aan mijn busje.”
“Afgesproken.”
Ik pakte de steekwagen vast voordat ze zich kon bedenken.
Haar busje stond in een zijstraat achter het marktplein. Het was klein, wit en aan de rechterkant zat een deuk die eruitzag alsof hij al jaren bij de auto hoorde.
Op de achterdeur stond een ronde sticker.
LENA LICHT
KAARSEN VOOR ECHTE DAGEN
Ik vond hem mooi.
Niet te groot. Niet schreeuwerig. Geen glanzende letters of fuchsia doek dat bij de eerste windvlaag besloot op avontuur te gaan.
Gewoon duidelijk.
“Heb je die sticker zelf ontworpen?” vroeg ik.
“Ja.”
“Hij is goed.”
“Dank je.”
“Echt goed.”
“Je mag stoppen. Anders denk ik straks dat je iets wilt lenen.”
“Een ontwerpster, bijvoorbeeld.”
Ze keek me aan.
“Voor je verpakking?”
“Misschien.”
“Dat was snel.”
“Je zegt zelf dat mijn verpakking beter kan.”
“Ik zei dat je moeder dat zou zeggen.”
“Mijn moeder heeft vaak gelijk.”
“Dat is een angstaanjagende eigenschap.”
We zetten de laatste krat in haar busje. Lena deed de achterdeur dicht en veegde haar handen af aan haar jas.
De straat achter de markt was stiller. Hier rook het niet naar vis of stroopwafels. Alleen naar koude stenen en uitlaatgassen. Op de hoek zat een man op een bankje met een papieren beker koffie. Hij keek niet op toen we langs liepen.
Lena stak haar handen in haar jaszakken.
“Dus,” zei ze. “Ga je maandag bellen?”
Ik hoefde niet te vragen over wie ze het had.
“Ja,” zei ik.
Ze knikte.
“Goed.”
“Goed?”
“Ik heb niet gezegd dat je het niet moet doen.”
“Je keek wel zo.”
“Ik kijk vaak zo.”
“Dat geloof ik niet.”
Ze zuchtte.
“Prima. Ik vind het spannend.”
“Waarom?”
“Omdat je zo graag wilt dat het lukt.”
Die zin kwam harder aan dan ik had verwacht.
Ik keek naar de grond.
Er lag een nat blaadje op de stoep. Iemand had er met een karretje overheen gereden. Het plakte half aan een wielspoor.
“Is dat zo duidelijk?” vroeg ik.
“Ja.”
“Dat is vervelend.”
“Niet per se.”
Ik keek haar weer aan.
Lena stond tegen haar busje. De wind had een pluk haar losgetrokken uit haar knot. Ze duwde hem niet meteen terug.
“Je wilt dat mensen de Braphone serieus nemen,” zei ze. “Niet alleen omdat je er geld mee wilt verdienen. Je wilt dat iemand zegt dat je iets hebt gemaakt wat ertoe doet.”
Ik wilde er een grap van maken.
Ik had kunnen zeggen dat ik vooral wilde dat mensen er muziek mee luisterden zonder de markt om te roepen. Dat ik tevreden zou zijn als niemand ooit meer vroeg of het apparaat visnieuws kon ontvangen.
Maar ik deed het niet.
“Ooit,” zei ik, “had ik een leraar natuurkunde. Meneer Bakkum. Hij zei tegen mij dat ik goed was in ideeën, maar slecht in afmaken.”
Lena wachtte.
“Hij bedoelde het waarschijnlijk niet eens gemeen. Ik had toen een lamp gemaakt die aanging als je kamerplant dorst had. Alleen gaf hij ook licht als de plant gelukkig was. Of als het buiten regende. Of als ik erlangs liep.”
“Dat klinkt toch best indrukwekkend.”
“Hij noemde het een enthousiast nachtlampje.”
Lena beet op haar lip, alsof ze niet wilde lachen.
“Dat is eigenlijk wel grappig.”
“Het was vernederend.”
“Een beetje grappig én vernederend.”
“Dank je voor je steun.”
“Graag gedaan.”
Ik schopte zacht tegen een steentje.
“Daarna heb ik van alles bedacht. Een broodtrommel die je herinnert aan fruit. Een paraplu met een ingebouwde zaklamp. Een riem die je waarschuwt als je te lang zit.”
“Die laatste klinkt irritant.”
“Dat was hij ook. Hij trilde bij elke lunch.”
“En de Braphone?”
“Die wil ik afmaken.”
Mijn stem klonk lager dan ik wilde.
“Niet alleen als idee. Niet alleen als iets waar mensen om lachen op een markt. Ik wil dat hij echt goed wordt.”
Lena knikte langzaam.
“Dan moet je niet zomaar ja zeggen tegen de eerste man die dat belooft.”
“Dat is dus waarom jij mee moet.”
Ze keek op.
“Ik heb geen ervaring met contracten.”
“Je hebt ervaring met mensen die mooie woorden gebruiken.”
“Daar word je niet vrolijk van.”
“Maar wel slimmer.”
Lena keek naar haar busje. Naar de sticker op de deur. Daarna naar mij.
“Wanneer wil hij afspreken?”
“Dat weet ik nog niet. Ik moet eerst bellen.”
“Bel dan maandagochtend.”
“Dat is vroeg.”
“Je bent uitvinder. Je hebt geen kantooruren.”
“Dat is precies het probleem.”
Ze glimlachte.
“Stuur me een bericht als je weet wanneer.”
Mijn hart deed iets raars. Niet heel groots. Geen vuurwerk. Eerder een klein elektrisch schokje, ergens bij mijn ribben.
“Dus je gaat mee?”
“Dat heb ik niet gezegd.”
“Maar je wilt wel weten wanneer.”
“Dat heb ik ook niet gezegd.”
“Lena.”
Ze trok haar sjaal wat hoger op.
“Ik wil alleen voorkomen dat jij je Braphone per ongeluk verkoopt aan iemand die er een pratende sportbeha van maakt.”
“Hij praat nu al.”
“Je begrijpt wat ik bedoel.”
“Ja.”
Even stonden we stil.
Aan het eind van de straat klonk een auto die startte. Op het plein riep Piet nog één keer iets naar een collega. De zaterdag liep langzaam dicht, zoals een jas die je aantrekt tegen de kou.
Lena pakte haar autosleutels.
“Tot volgende week, Milo.”
“Volgende week?”
“Wij staan naast elkaar. Herinner je je dat nog?”
“Dat herinner ik me heel goed.”
“Mooi.”
Ze stapte in haar busje.
Ik liep al een paar passen terug richting de markt toen ze haar raampje omlaag deed.
“Milo?”
“Ja?”
“Doe vanavond niets meer met bluetooth.”
Ik knikte ernstig.
“Dat kan ik niet beloven.”
“Probeer het dan.”
“Ik zal mijn best doen.”
“Dat is precies waar ik bang voor ben.”
Ze reed weg voordat ik iets terug kon zeggen.
Ik bleef even op de stoep staan.
Toen liep ik terug naar mijn kraam.
Mijn telefoon trilde in mijn jaszak.
Een nieuw bericht.
Van mijn moeder.
Hoe ging het? En wie is Lena?
Ik keek naar het scherm.
Daarna keek ik naar het witte busje dat de hoek om verdween.
Ik typte terug:
De markt ging goed.
Lena verkoopt kaarsen.
En ze is gevaarlijk eerlijk.
Mijn moeder reageerde bijna meteen.
O.
Dus je vindt haar leuk.
Ik stopte mijn telefoon terug in mijn zak.
Dat was natuurlijk onzin.
Ik kende Lena pas één dag.
Ze vond mijn spandoek lelijk. Ze vertrouwde niemand met glanzende schoenen. Ze had me verboden om ’s avonds bluetooth te gebruiken, alsof ik een kind was met lucifers.
Nee.
Ik vond haar niet leuk.
Ik vond alleen dat de markt al stiller klonk nu ze weg was.