Hoofdstuk 6 — Waar de Ezel Weigert
De ezel liep alsof hij plotseling een afspraak had met het lot.
Dat was vreemd, want normaal liep hij alsof het lot eerst maar eens netjes een brief moest sturen, daarna een mandje vijgen moest aanbieden en vervolgens geduldig moest wachten tot hij uitgeslapen was.
Maar nu stapte hij vastberaden de heuvel af, zijn strohoed wiegend in de zon, de verfbespatte doek over zijn rug, en aan weerszijden de tassen die rinkelde van wijnflessen, penselen, kaas, brood en geheimen.
Lavendel liep erachter met haar schetsboek tegen haar borst gedrukt.
“Zie je hoe doelgericht hij is?” zei ze.
Markie Von Zeist keek naar de ezel met dezelfde blik waarmee hij eerder naar het te harde stokbrood had gekeken.
“Ik zie vooral een dier dat ons mogelijk naar een nog groter probleem brengt.”
Lady Alcina liep naast hen, elegant en kalm, haar grote zwarte hoed laag over haar gezicht. In haar hand had ze geen glas wijn meer, maar een fles rode wijn die ze uit de kelder had meegenomen.
“Een goede reis vraagt voorbereiding,” had ze gezegd.
Markie had geantwoord: “Een goede reis vraagt een kaart.”
Waarop Lady Alcina had geglimlacht. “Kaarten zijn voor mensen zonder instinct.”
“Dat verklaart veel,” mompelde Markie.
De weg slingerde naar beneden tussen lavendelvelden die zó paars waren dat Lavendel bijna vergat adem te halen. De lucht trilde boven de aarde. Krekels zongen hun droge zomerlied. In de verte blafte een hond alsof hij bezwaar maakte tegen het bestaan van de middag.
De ezel keek niet om.
Hij liep langs het château, langs de oude vijgenboom, langs een lage stenen muur waar hagedissen zonnebaden, en sloeg toen een pad in dat bijna verborgen lag tussen wilde rozemarijn en cipressen.
Lavendel bleef staan.
“Dit pad heb ik nog niet eerder gezien.”
Markie kneep zijn ogen samen. “Dat is omdat verstandige mensen het negeren.”
“Of omdat het op ons heeft gewacht.”
“Paden wachten niet.”
Lady Alcina keek naar hem. “Oude paden wel.”
Markie draaide zijn hoofd langzaam naar haar. “U maakt het er met opzet niet geruststellender op.”
“Mais oui.”
De ezel balkte kort, alsof hij vond dat er te veel gepraat werd, en liep het smalle pad op.
Ze volgden hem.
Het pad voerde omhoog, weg van de gewone wereld.
De lavendelvelden werden smaller. De wijnranken verdwenen achter hen. Het landschap werd ruiger, met rotsen, kromme dennen en hoge grassen die langs hun benen streken. Af en toe zagen ze tussen de bomen een glimp van het dal, blauwgroen en zonovergoten, alsof niets daar beneden iets wist van oude brieven, verborgen schilderijen en ezels met een verdacht goed geheugen.
Lavendel probeerde te schetsen terwijl ze liep.
Dat ging niet.
Na drie struikelpartijen, twee bijna-botsingen met Markie en één penseel dat in een rozemarijnstruik verdween, besloot ze dat inspiratie soms beter even kon wachten.
“Dit is geen pad,” zei Markie na een tijdje. “Dit is een suggestie.”
Lady Alcina glimlachte. “Een uitstekende omschrijving.”
“Het was geen compliment.”
De ezel stopte.
Iedereen botste bijna tegen hem aan.
Voor hen lag een kleine open plek.
In het midden stond een oude fontein.
Niet groot. Niet indrukwekkend. Maar vreemd.
De fontein was gemaakt van bleke natuursteen en half overwoekerd door mos. Er kwam geen water uit. Rondom groeide wilde lavendel, donkerder dan in de velden beneden, bijna blauw. Aan de rand van de fontein was iets ingekerfd.
Lavendel liep ernaartoe en veegde met haar mouw voorzichtig stof en mos weg.
Een druiventros.
En daarachter een penseel.
“Hetzelfde symbool als op de kelderdeur,” fluisterde ze.
Markie kwam dichterbij. “En dit is het dorpsplein uit het schilderijtje.”
Lavendel keek om zich heen.
Er was geen dorp.
Geen huizen, geen plein, geen klinkers, geen kerk. Alleen bomen, rotsen, gras en een fontein die al jaren droog stond.
“Maar op het schilderij stonden wij hier,” zei Lavendel.
“Misschien was hier vroeger een dorp,” zei Lady Alcina zacht.
Markie keek haar aan. “Wist u dit?”
“Niet zeker.”
“Dat is geen nee.”
“Het is ook geen ja.”
“U bent bijzonder vermoeiend voor iemand met zo’n rustige stem.”
Lady Alcina glimlachte zonder schuldgevoel.
De ezel liep naar de fontein, snoof aan de stenen rand en deed toen iets opvallends.
Hij zette één hoef vooruit.
Daarna trok hij hem onmiddellijk terug.
Hij weigerde verder te lopen.
Lavendel voelde een rilling over haar armen gaan, ondanks de warmte.
“Waar de ezel weigert te lopen,” zei ze zacht.
Markie keek naar de fontein. “Dus hier.”
De ezel balkte laag. Niet grappig. Niet koppig. Eerder waarschuwend.
Lavendel hurkte neer en keek naar de grond voor de fontein. Tussen het gras lagen platte stenen, half verzonken in de aarde. Ze waren nauwelijks zichtbaar. Op één ervan zat een donkere vlek.
Geen schaduw.
Geen mos.
Verf.
Paarse verf.
Lavendel raakte de vlek voorzichtig aan.
“Die is niet oud,” zei ze.
Markie verstijfde. “Wat bedoel je?”
“Verf droogt, barst, verkleurt. Deze niet. Deze is hooguit een paar dagen oud.”
Lady Alcina boog zich over haar schouder. “Dan zijn wij niet de eersten die zoeken.”
Het werd ineens stiller.
Zelfs de krekels leken hun adem in te houden.
Markie keek langzaam om zich heen. Zijn gezicht was strak, zijn lichtblauwe ogen scherp onder zijn zware wenkbrauwen.
“Wie nog meer weet hiervan?”
Lady Alcina antwoordde niet meteen.
Dat was antwoord genoeg.
“Alcina,” zei Lavendel.
De wijndomina keek naar de fontein. Haar paarse lippen vormden een dunne lijn.
“Er is een man in het dorp,” zei ze. “Een kunsthandelaar. Hij noemt zichzelf monsieur Armand Delacourt. Hij koopt oude doeken, oude huizen, oude verhalen. Vooral verhalen waarvan mensen niet beseffen dat ze waarde hebben.”
Markie snoof. “Een aasgier met visitekaartjes.”
“Precies.”
Lavendel keek naar de paarse verf op de steen.
“En hij zoekt het ontbrekende schilderij.”
Lady Alcina knikte. “Al jaren.”
“Waarom zei je dat niet eerder?” vroeg Markie.
“Dan was je niet meegekomen.”
Markie opende zijn mond.
Sloot hem weer.
Keek naar Lavendel.
“Dat is helaas mogelijk waar.”
Lavendel glimlachte heel even, maar haar blik bleef bij de fontein.
“Als Delacourt hier was, heeft hij iets gevonden.”
“Of iets geprobeerd,” zei Markie.
Lavendel stond op. “Dan moeten wij kijken wat hij gemist heeft.”
Ze onderzochten de fontein.
Markie deed dat methodisch, met de concentratie van een man die het universum ervan verdacht slordig te zijn ingericht. Hij tikte tegen stenen, duwde tegen randen en inspecteerde voegen.
Lady Alcina liep langzaam om de fontein heen, alsof ze luisterde naar iets wat anderen niet konden horen.
Lavendel maakte schetsen.
Niet omdat het praktisch was.
Maar omdat haar hand soms dingen zag voordat haar hoofd ze begreep.
Ze tekende de fontein. De stenen. De gebarsten rand. De wilde lavendel. De plek waar de ezel had geweigerd.
De ezel zelf stond op veilige afstand en at met grote ernst aan een struikje dat waarschijnlijk geen toestemming had gegeven.
Na een paar minuten keek Lavendel naar haar schets.
Er klopte iets niet.
Ze keek naar de fontein.
Naar de schets.
Terug naar de fontein.
“Markie?”
“Ja?”
“Zie jij dit?”
Hij kwam naast haar staan.
Ze wees naar haar tekening. “De schaduw van de fontein valt verkeerd.”
Markie keek omhoog naar de zon. Toen naar de grond. Toen naar de fontein.
“Je hebt gelijk.”
Lavendel trok haar wenkbrauwen op. “Zeg dat nog eens.”
“Misbruik dit moment niet.”
“Te laat. Ik bewaar het voor later.”
Hij wees naar de fonteinrand. “De schaduw daar is te breed. Alsof de steen verder uitsteekt dan hij lijkt.”
Lady Alcina knielde neer bij de rand. Met haar vingers streek ze langs een dunne kier die verborgen zat onder mos.
“Een deksel,” zei ze.
Markie zuchtte diep. “Natuurlijk. Een geheim vak. Waarom zou een fontein ook gewoon een fontein zijn?”
Ze werkten samen om het mos weg te halen. Lavendel gebruikte de achterkant van een penseel. Markie gebruikte een zakmes. Lady Alcina gebruikte een zilveren kurkentrekker met een handvat in de vorm van een druivenrank.
Markie keek ernaar. “Waarom heeft u dat bij zich?”
“Waarom niet?”
Na wat wrikken kwam er beweging in de steen.
Een platte ronde schijf in de rand van de fontein schoof een paar centimeter opzij.
Daaronder zat een holte.
Lavendel hield haar adem in.
Markie stak voorzichtig zijn hand erin en haalde iets tevoorschijn.
Een metalen kokertje.
Donker van ouderdom.
Verzegeld met paarse was.
In de was stond opnieuw het symbool van druiven en penseel.
Niemand zei iets.
Zelfs de ezel stopte met kauwen.
Markie keek naar het kokertje alsof het hem elk moment kon bijten.
“Als hier weer een cryptische tekst in zit, neem ik ontslag.”
Lavendel glimlachte zacht. “Je hebt geen baan bij dit avontuur.”
“Dan neem ik alsnog ontslag.”
Lady Alcina nam het kokertje aan. “Mag ik?”
Ze brak voorzichtig het zegel.
Binnenin zat geen brief.
Er zat een smal stuk beschilderd linnen in.
Lavendel rolde het voorzichtig uit op de vlakke steen van de fontein.
Het was een fragment van een schilderij.
Een stukje van een groter doek.
Ze zagen een hand.
Een vrouwenhand, met paarse verf op de vingers.
Die hand hield een sleutel vast.
Achter de hand was een achtergrond geschilderd van blauwachtige lavendel en donkere wijnranken. In de hoek stond een deel van een gezicht, maar niet genoeg om te herkennen wie het was.
Onder het fragment stonden drie woorden.
Niet geschreven.
Geschilderd in dunne rode letters:
La Porte Bleue
Lavendel las het hardop. “De blauwe deur.”
Markie sloot zijn ogen. “Natuurlijk. We zoeken nu een deur.”
“Een blauwe,” zei Lavendel behulpzaam.
“Ik had dat deel begrepen.”
Lady Alcina leek bleker dan eerst.
Lavendel merkte het meteen.
“Jij weet waar die is.”
De vrouw met de zwarte hoed keek naar het fragment alsof het een herinnering was die ze liever in een diepe kelder had laten liggen.
“Misschien.”
Markie wees naar haar. “Dat betekent ja.”
Lady Alcina vouwde haar handen voor zich.
“In het oude dorp stond ooit een atelier. Van Isabeau Pourpre. Men zei dat ze daar haar laatste doek schilderde. Na haar verdwijning is het atelier gesloten. Later stortte een deel van het dorp in na een aardverschuiving. Iedereen dacht dat het atelier verloren was.”
“Maar?” vroeg Lavendel.
Lady Alcina keek naar het pad achter de fontein.
“Maar er is nog één muur over. En daarin zit een blauwe deur.”
De wind streek door de wilde lavendel.
De geur werd plotseling sterker.
Zoet.
Kruidig.
Bijna bedwelmend.
De ezel balkte luid.
Niet naar de fontein.
Niet naar hen.
Maar naar de bomen aan de overkant van de open plek.
Markie draaide zich onmiddellijk om.
“Daar is iemand.”
Tussen de cipressen bewoog iets.
Een schaduw.
Een hoed.
Niet de grote zwarte hoed van Lady Alcina.
Een smalle strogele hoed, te netjes voor het ruige pad.
Daarna kraakte een tak.
“Wie is daar?” riep Markie.
Een man stapte uit de schaduw.
Hij was lang, dun en uitzonderlijk verzorgd voor iemand die op een verborgen pad achter een verlaten fontein stond. Hij droeg een licht linnen pak, een zijden sjaaltje om zijn hals en handschoenen die beslist nooit zelf druiven hadden geplukt. Zijn snor was zo precies geknipt dat hij bijna gemeen leek.
In zijn hand hield hij een wandelstok met een zilveren knop.
Hij glimlachte.
“Mes amis,” zei hij. “Wat een charmante samenkomst.”
Lady Alcina’s gezicht werd hard.
“Delacourt.”
Markie ging iets rechter staan. “De aasgier met visitekaartjes, neem ik aan.”
De man glimlachte breder. “Ik zie dat mijn reputatie mij vooruit reist.”
Lavendel rolde het schilderijfragment snel op, maar Delacourt had het al gezien.
Zijn ogen glinsterden.
“Ah,” zei hij. “Dus Isabeau heeft toch nog een kruimel achtergelaten.”
De ezel zette een stap naar voren en balkte woest.
Delacourt keek naar hem alsof hij een vieze vlek op een dure jas zag.
“En zelfs het lastdier speelt zijn rol.”
Lavendel voelde iets warms in haar borst opkomen. Niet vrolijk warm. Niet rosé-warm.
Boos warm.
“Hij heet niet lastdier,” zei ze. “Hij is onze vriend.”
Markie keek heel even naar haar, en in zijn ernstige gezicht verscheen iets dat bijna trots was.
Delacourt boog overdreven. “Mijn excuses aan monsieur ezel.”
De ezel snoof.
Hij accepteerde het duidelijk niet.
Delacourt tikte met zijn wandelstok tegen de grond. “Ik zal kort zijn. Het fragment hoort bij een schilderij dat van grote historische waarde is. Ik heb de middelen om het te bewaren.”
“U bedoelt verkopen,” zei Markie.
“Bewaren via een particuliere collectie.”
“Verkopen dus.”
Lavendel hield het kokertje stevig vast. “U krijgt het niet.”
Delacourt keek haar aan. Zijn glimlach werd dunner.
“Madame, u begrijpt niet wat u in handen heeft.”
“Jawel,” zei Lavendel. “Een stukje verhaal. En verhalen geef je niet aan mensen die ze opsluiten.”
Even veranderde Delacourts gezicht.
Heel kort.
Alsof iemand een gordijn opzij trok en daarachter iets kouds zichtbaar werd.
Toen glimlachte hij weer.
“Hoe poëtisch.”
Lady Alcina stapte naar voren. “Ga terug naar het dorp, Armand.”
“En u, Alcina? Nog steeds de poortwachter van geheimen die niet van u zijn?”
Haar ogen flitsten.
“Beter poortwachter dan grafrover.”
De woorden hingen scherp in de lucht.
Delacourt keek van haar naar Markie, van Markie naar Lavendel, en uiteindelijk naar de ezel.
“U zult de blauwe deur zoeken,” zei hij. “Natuurlijk zult u dat doen. Avonturiers kunnen zelden weerstand bieden aan een half antwoord.”
Markie zei droog: “En kunsthandelaren niet aan andermans bezit.”
Delacourt lachte zacht.
Toen maakte hij een kleine buiging.
“Tot bij de deur.”
Hij draaide zich om en verdween tussen de bomen, alsof de schaduw hem terugnam.
Nog lang nadat zijn voetstappen waren verstomd, bleef niemand bewegen.
Toen zei Lavendel: “Ik mag hem niet.”
“Dat is verstandig,” zei Markie.
Lady Alcina keek naar het pad waar Delacourt verdwenen was.
“Nu moeten we opschieten.”
Lavendel stopte het fragment terug in het kokertje en stak het diep in haar tas, tussen haar penselen en een half pakje koekjes.
“Waar is die blauwe deur?”
Lady Alcina wees naar het noorden, waar de rotsen hoger werden en de bomen dichter op elkaar stonden.
“Boven de oude terrassen. Voorbij de ruïne van Saint-Véran.”
Markie keek naar de zon, die al langzaam begon te zakken.
“Dat redden we niet voor donker.”
“Jawel,” zei Lavendel.
Hij keek haar aan.
Ze glimlachte, maar haar ogen waren ernstig.
“Want als Delacourt ons volgt, wil ik liever niet dat hij daar eerder is.”
De ezel balkte instemmend.
Daarna draaide hij zich om, liep drie passen richting het noordelijke pad en bleef staan.
Hij keek achterom.
Alsof hij zei: Nou? Komen jullie nog?
Markie zuchtte.
“Het moment waarop ik mijn routeplanning aan een ezel overlaat, had ik graag later in mijn leven bereikt.”
Lavendel haakte haar arm door de zijne.
“Toe maar, Markie. Een beetje vertrouwen.”
“Dat zeg je nu al zes hoofdstukken.”
“En kijk eens hoeveel avontuur het ons heeft gebracht.”
“Dat is precies mijn bezwaar.”
Lady Alcina liep voor hen uit, haar zwarte hoed als een donkere bloem tegen de gouden namiddagzon.
De ezel volgde.
Lavendel en Markie liepen erachteraan.
Achter hen bleef de oude fontein achter tussen de wilde lavendel.
En op de steen waar het kokertje had gelegen, verscheen langzaam, alsof de zon het uit de schaduw trok, nog een dun spoor van paarse verf.
Het vormde geen woord.
Nog niet.
Maar wel een pijl.
Naar het noorden.
Naar de ruïne.
Naar de blauwe deur.