Lena

Op zondag maak ik kaarsen.

Dat is geen hobby. Het is ook geen rustgevende bezigheid, zoals mensen vaak denken wanneer ze horen dat ik met geuren en warme was werk.

Het is vooral een kwestie van opletten.

Te heet, en de geur verdwijnt.
Te koud, en de bovenkant wordt hobbelig.
Te snel roeren, en er komen luchtbellen in.
Te langzaam roeren, en je denkt na.

Dat laatste was die zondag mijn grootste probleem.

Ik stond in mijn keuken met een pan was op een laag vuur. Buiten tikte regen tegen het raam. Op de radio speelde iemand een nummer dat ik kende, maar waarvan ik de titel niet wist.

Voor me stonden twaalf lege glazen potten.

Op mijn werkblad lagen etiketten klaar.

KOFFIE VOORDAT IK MENSELIJK WORD.
MIJN EX HEEFT EEN NIEUWE FIETS.
IK BEN NIET BOOS. IK BEN TELEURGESTELD.
NIEUW BEGIN, MET ENIGE TWIJFEL.

Ik pakte het laatste etiket op.

Dat was een fout.

Niet omdat het geen goede naam was. Het was juist een van mijn beste namen. Eenvoudig. Eerlijk. Een beetje hoopvol, maar niet zo hoopvol dat mensen er meteen zenuwachtig van werden.

Ik had er die ochtend al vier nieuwe van gedrukt.

Vier.

Dat was belachelijk veel voor een kaars die ik eigenlijk niet persoonlijk wilde maken.

Mijn telefoon lag op tafel. Met het scherm naar beneden.

Ik had hem daar zelf neergelegd.

Heel bewust.

Want als ik het scherm kon zien, zou ik ieder kwartier kijken of Milo al had gebeld. Niet omdat ik nieuwsgierig was. Natuurlijk niet.

Ik wilde alleen weten wanneer hij met Bright & Bold zou gaan praten.

Dat was iets heel anders.

Mijn telefoon trilde.

Ik schrok zo hard dat ik bijna de maatbeker met geurolie omstootte.

Ik draaide het toestel om.

Een bericht van mijn zus Noor.

Leef je nog? Mam zegt dat je zaterdag iets hebt gegeten met een man.

Ik staarde naar het scherm.

Mijn moeder en Noor vormden samen een bijzonder efficiënt roddelnetwerk. Blijkbaar had mam Piet gezien. Of misschien had Piet mijn moeder gezien. In een stad van deze omvang was dat allebei mogelijk.

Ik typte terug.

Ik heb kibbeling gegeten. Op de markt. Naast een man.

Het antwoord kwam meteen.

Dus een date.

Nee.

Hij heet zeker Milo.

Ik keek naar de regen tegen het raam.

Toen typte ik:

Hoe weet jij dat?

Noor stuurde een lachende emoji. Daarna:

Mam koopt vis bij Piet. Piet praat veel.

Dat was waar.

Piet praatte zelfs wanneer hij alleen was. Hij praatte tegen zijn vis, tegen zijn kassa en waarschijnlijk ook tegen zijn slaap.

Ik besloot niet te reageren.

Mijn telefoon trilde opnieuw.

Dit keer was het geen bericht van Noor.

Het was Milo.

Mijn hart maakte een klein, onhandig sprongetje. Alsof het zelf ook niet wist waarom.

Hoi Lena. Ik heb gebeld. Roderick kan dinsdag om drie uur. Bij hun kantoor aan de Havenstraat. Kun je mee? Geen druk. Nou ja, een beetje druk, want ik wil graag dat je meegaat.

Ik las het bericht twee keer.

Daarna nog een keer.

Zijn woorden waren typisch Milo. Eerst deed hij alsof het nergens om ging. Daarna zei hij precies waar het wel om ging.

Ik legde mijn telefoon neer.

Ik keek naar de kaarsen.

Ik roerde de was.

Mijn telefoon bleef stil.

Dat hielp niet.

Dinsdag om drie uur kon ik. De markt was alleen op zaterdag. Ik had een bestelling voor een kleine yogastudio die ik die ochtend moest afleveren, maar dat was geen probleem. Mijn agenda was niet vol. Mijn week was meestal rustig genoeg.

Toch voelde het alsof ik ergens toestemming voor moest vragen.

Niet aan Milo.

Aan mezelf.

Ik had het druk gehad met bouwen aan mijn eigen kleine bedrijf. Met potten, etiketten, geuren en marktdagen. Dat was overzichtelijk. Daar wist ik wat ik deed. Ik wist waar mijn geld vandaan kwam. Ik wist dat niemand mijn werk op een groot scherm zou zetten en daarna zou doen alsof het van hen was.

Met Milo was niets overzichtelijk.

Hij was een man met een beha die op de markt visreclames had uitgezonden. Hij wilde iets groots maken van een idee waar ik, eerlijk gezegd, nog steeds niet helemaal in geloofde.

Maar ik geloofde wel in hem.

Dat was vervelender.

Ik pakte mijn telefoon en typte:

Ik kan dinsdag. Maar ik neem geen verantwoordelijkheid als jij iets tekent zonder het te lezen.

Zijn antwoord kwam zo snel dat hij blijkbaar met zijn telefoon in zijn hand had gezeten.

Afgesproken. Ik neem ook geen verantwoordelijkheid als jij Roderick uit het raam duwt.

Ik keek naar het bericht.

Toen schreef ik:

Dat hangt van Roderick af.

Er verschenen drie puntjes.

Dat is geruststellend.

Ik glimlachte.

Daarna keek ik streng naar mezelf, hoewel er niemand in de keuken was om daar indruk van te hebben.

“Het is geen date,” zei ik hardop.

De pan was antwoordde niet.

Dat vond ik verstandig.


Dinsdagmiddag stond ik voor het kantoor van Bright & Bold Retail met een kartonnen beker koffie in mijn hand en een knoop in mijn maag.

Het pand lag aan de Havenstraat, tussen een sportschool en een winkel waar je telefoonhoesjes kon laten bedrukken met foto’s van je huisdier.

Bright & Bold zat op de tweede verdieping.

De ramen waren groot. De letters op de deur waren zwart en strak.

BRIGHT & BOLD RETAIL
VERRASSEND HANDIG. ONVERWACHT LEUK.

Dat was precies het soort zin dat ik niet vertrouwde.

Milo stond al buiten te wachten. Hij droeg een donkerblauwe trui, een nette jas en schoenen die hij waarschijnlijk speciaal voor deze afspraak had gepoetst.

Zijn haar zat anders dan op de markt.

Niet beter.

Alleen duidelijk met meer inzet.

Hij zag me en zijn gezicht lichtte op.

“Je bent er.”

“Dat was de afspraak.”

“Ja, maar toch.”

Ik gaf hem een korte knik.

“Je ziet eruit alsof je gaat solliciteren bij een bank.”

Hij keek naar zichzelf.

“Is dat goed of slecht?”

“Voor jou? Een beetje allebei.”

“Dank je.”

“Dat was geen compliment.”

“Dat hoor ik vaker.”

Ik wilde mijn ogen rollen, maar het lukte niet helemaal. Zijn glimlach was te open. Te blij dat ik er was.

“Heb je gegeten?” vroeg ik.

Milo keek verbaasd.

“Ja.”

“Echt gegeten?”

“Een broodje kaas.”

“Wanneer?”

“Half elf.”

Ik keek op mijn telefoon. Het was tien voor drie.

“Dus nee.”

“Ik heb ook een koffie gehad.”

“Dat is geen maaltijd.”

“Dat is een filosofisch standpunt.”

Ik haalde een mueslireep uit mijn tas en gaf hem aan.

Hij keek naar het pakje.

“Heb je standaard noodeten bij je?”

“Ik sta elke zaterdag naast jou. Natuurlijk heb ik noodeten bij me.”

Hij nam het aan.

“Dank je.”

“Eet hem op voordat je iets belooft wat je niet begrijpt.”

“Dat is een heel specifieke voedingsinstructie.”

“Je krijgt er nog meer.”

Hij scheurde het pakje open. Terwijl hij kauwde, keek hij omhoog naar de ramen van Bright & Bold.

“Denk je dat dit echt iets kan worden?”

Ik keek met hem mee.

“Dat weet ik niet.”

“Dat is eerlijk.”

“Maar ik denk dat je moet luisteren. En vragen stellen. Niet alleen horen wat je graag wilt horen.”

Milo knikte.

“Wil jij dan opletten wanneer ik te enthousiast word?”

“Dat kan een lange middag worden.”

“Dat is geen nee.”

“Het is absoluut geen nee.”

Hij glimlachte.

We liepen naar binnen.

De ontvangsthal rook naar koffie, schoonmaakmiddel en een geur die waarschijnlijk Zakelijk Succes heette. Aan de muur hingen foto’s van producten. Een opblaasbare voetenbank voor in de auto. Een waterfles met tijdstippen erop. Een lampje dat van kleur veranderde wanneer je te lang naar een scherm keek.

Ik had gelijk gehad.

Ze verkochten dingen die niemand nodig had.

En toch wilde een klein deel van mij die voetenbank proberen.

Bij de balie zat een vrouw met een headset. Ze glimlachte professioneel.

“Meneer Van Dijk?”

“Dat ben ik.”

“En u bent?”

“Lena,” zei ik.

De vrouw keek op haar scherm.

“U staat niet op de afspraak.”

“Nee,” zei ik. “Dat is meestal hoe verrassingen werken.”

Milo kuchte zacht.

“Ze is mijn… eh…”

Hij keek naar mij.

Ik keek terug.

Wat was ik?

Zijn marktb buurvrouw klonk vreemd. Zijn vriendin was onjuist. Zijn adviseur was veel te serieus, en bovendien niet waar.

“Mijn second opinion,” zei ik.

De vrouw achter de balie glimlachte opnieuw. Dit keer iets minder professioneel.

“Prima. Roderick verwacht u.”

We namen de lift naar de tweede verdieping.

In de spiegelwand zag ik ons naast elkaar staan.

Milo, met zijn nette jas en zijn half opgegeten mueslireep.

Ik, met mijn groene jas, mijn koffie en mijn tas vol notitieboekjes, bonnetjes en één reserveaansteker.

We zagen eruit alsof we per ongeluk in de verkeerde film waren beland.

De liftdeuren gingen open.

Roderick wachtte ons op in een ruimte met glazen wanden. Op de tafel stonden drie flesjes water, een schaal met pepermuntjes en een map met het logo van Bright & Bold.

Hij droeg opnieuw glanzende schoenen.

Ik keek ernaar.

Milo zag het.

“Niet doen,” fluisterde hij.

“Ik kijk alleen.”

“Je kijkt gevaarlijk.”

Roderick stak zijn hand uit.

“Meneer Van Dijk. Fijn dat u er bent.”

“Milo is goed.”

“Uiteraard. En u bent Lena, begrijp ik?”

“Dat begrijpt u goed.”

Zijn glimlach bleef staan.

Dat was knap.

“Neemt u plaats.”

We gingen zitten.

Milo pakte geen pepermuntje. Dat was goed. Mensen die meteen een pepermuntje pakken, lijken vaak rustiger dan ze zijn. Milo was nerveus, maar hij probeerde niet te doen alsof.

Roderick opende de map.

“De Braphone,” zei hij. “Luister & Lift. Een opvallend concept.”

“Dank u,” zei Milo.

“Wij zien mogelijkheden.”

“Welke mogelijkheden precies?” vroeg ik.

Roderick keek naar mij.

“Dat hangt af van de samenwerking.”

“Dat is geen antwoord.”

Milo keek even naar me. Niet boos. Eerder dankbaar.

Roderick legde zijn handen op de map.

“Bright & Bold kan helpen met productie, verpakking, distributie en marketing. We hebben contacten met leveranciers. We weten hoe je een product veilig op de markt brengt. En we hebben winkels door het hele land.”

Milo knikte langzaam.

Dat waren precies de woorden die hij wilde horen.

Veilig. Productie. Winkels.

Roderick draaide een vel papier naar ons toe. Daarop stond een afbeelding van de Braphone. Niet Milo’s eigen ontwerp, maar een gladde, digitale versie. Roze, paars en met een zilveren logo op de bandjes.

Bovenaan stond:

BRAPHONE BY BRIGHT & BOLD
HEAR IT. WEAR IT. OWN IT.

Ik voelde mijn nek warm worden.

Milo staarde naar het ontwerp.

“Dat is snel,” zei hij.

“We houden van tempo,” zei Roderick. “De markt wacht niet.”

“Waar komt die zilveren rand vandaan?” vroeg Milo.

Roderick keek naar de afbeelding.

“Dat is onze ontwerper. Die denkt aan een premium uitstraling.”

“En die tekst?” vroeg ik.

“Internationale mogelijkheden,” zei Roderick. “Engels verkoopt.”

“Maar Milo verkoopt op een Nederlandse markt.”

“Voor nu.”

Ik keek naar de afbeelding.

De Braphone zag er niet uit als Milo’s Braphone. Hij was te glad. Te netjes. Te bedacht door een vergadertafel.

“Hoeveel van zijn ontwerp blijft van hem?” vroeg ik.

De glimlach van Roderick veranderde nauwelijks.

Maar ik zag het.

Een heel klein beetje.

“Wij willen natuurlijk samenwerken,” zei hij. “Milo blijft het gezicht van het product. De uitvinder. Zijn verhaal is juist belangrijk.”

“En het ontwerp?”

“Dat wordt gezamenlijk verder ontwikkeld.”

“Wie beslist uiteindelijk?”

Roderick vouwde zijn handen in elkaar.

“Daar kunnen we goede afspraken over maken.”

Dat was opnieuw geen antwoord.

Naast mij tikte Milo met zijn vingers tegen zijn knie. Hij deed dat alleen wanneer hij nadacht of wanneer hij iets wilde zeggen, maar niet wist hoe.

Ik legde mijn hand even op zijn arm.

Niet lang.

Alleen lang genoeg.

Hij stopte met tikken.

Roderick keek naar mijn hand. Daarna weer naar Milo.

“Misschien,” zei hij, “moeten we eerst over het aanbod praten.”

Hij schoof een tweede vel papier naar voren.

“Wij bieden een bedrag voor de rechten op de Braphone. Daarnaast krijgt Milo een percentage per verkocht exemplaar.”

Milo las het bedrag.

Zijn ogen werden groter.

Niet overdreven.

Gewoon echt.

Ik zag dat hij meteen dacht aan zijn huur. Aan de speakers. Aan de garage van zijn moeder. Aan een werkplaats die alleen van hem zou zijn.

Roderick leunde iets naar voren.

“Dit kan een begin zijn, Milo. Een groot begin.”

Milo keek naar het papier.

Ik keek naar Milo.

En ik wist dat deze afspraak veel gevaarlijker was dan een man met glanzende schoenen.

Want Roderick bood hem precies datgene aan waar hij al jaren op wachtte.