Milo
Het bedrag op het papier was hoger dan ik had verwacht.
Veel hoger.
Ik had mezelf voorbereid op een klein bedrag. Iets waarmee ik misschien nieuwe speakers kon bestellen. Een betere naaimachine. Een website die niet door mijn neef Tim werd gemaakt in ruil voor pizza en bier.
Maar dit bedrag betekende meer.
Het betekende dat ik mijn huur een tijd niet hoefde te vrezen.
Dat ik mijn moeder kon vertellen dat haar garage weer gewoon een garage mocht worden.
Dat ik eindelijk een werkbank kon kopen die niet wiebelde wanneer ik iets soldeerde.
Het betekende dat iemand geloofde dat de Braphone geld waard was.
Niet alleen aandacht.
Niet alleen gelach op de markt.
Geld.
“Dat is een serieus aanbod,” zei ik.
Roderick knikte.
“Dat vinden wij ook.”
Lena zei niets.
Dat was erger dan wanneer ze iets scherps had gezegd.
Ik keek naar haar. Ze zat naast me met haar handen om haar kartonnen koffiebeker. Haar gezicht stond rustig, maar ik kende haar inmiddels goed genoeg om te zien dat haar hoofd op volle snelheid draaide.
Ze las niet alleen de cijfers.
Ze las de ruimtes eromheen.
“Hoeveel procent?” vroeg ik.
Roderick sloeg een bladzijde om.
“Vijf procent van de netto-opbrengst.”
Ik wist niet precies wat netto-opbrengst betekende in dit soort gesprekken. Natuurlijk wist ik dat er kosten afgingen. Productie, vervoer, verpakking. Maar vijf procent klonk als een percentage. En een percentage was meer dan niets.
Lena boog iets naar voren.
“Van welke netto-opbrengst?” vroeg ze.
Roderick keek haar aan.
“Van de winst na kosten.”
“Welke kosten?”
“Dat hangt af van de productie.”
“Dus Milo weet nu nog niet waar die vijf procent uiteindelijk over gaat?”
Roderick glimlachte beleefd.
“Dat wordt allemaal duidelijk in het contract.”
“Dan wil ik dat contract lezen,” zei Lena.
Ik keek haar aan.
Roderick ook.
“Uiteraard,” zei hij. “Maar laten we het grotere plaatje niet uit het oog verliezen. Milo krijgt een voorschot. Wij nemen het financiële risico. Wij verzorgen de ontwikkeling en brengen het product naar een veel groter publiek.”
Hij schoof een glanzende brochure naar me toe.
Op de voorkant stond een vrouw in een felroze sporttop. Ze sprong lachend door een stadspark. In haar hand hield ze geen telefoon. Er zat geen draad in haar oren.
Boven haar stond:
BRAPHONE. BE FREE. BE HEARD.
Ik keek naar de foto.
“Dat is geen bh,” zei ik.
“Het is een eerste sfeerbeeld,” zei Roderick.
“Maar de Braphone is wel een bh.”
“Zeker. Alleen willen we de doelgroep misschien breder trekken. Denk aan sport, lifestyle, wellness. Een comfortabel audio-accessoire.”
Lena zette haar koffie neer.
“Een audio-accessoire?”
“Dat klinkt toegankelijker.”
“Het klinkt alsof u bang bent om het woord beha te gebruiken.”
Roderick lachte kort.
“Wij zijn nergens bang voor, Lena.”
“Mooi. Dan kunt u het vast gewoon zeggen.”
Ik voelde de neiging om te lachen, maar ik hield hem tegen.
Roderick keek weer naar mij.
“Uiteindelijk gaat het erom dat jouw idee mensen bereikt, Milo.”
Mijn idee.
Hij zei het goed. Precies goed.
Mijn idee.
“Mag ik vragen waarom jullie dit willen?” zei ik.
Roderick leek even verrast. Misschien omdat hij dacht dat het antwoord vanzelf sprak.
“Waarom?” herhaalde hij.
“Ja. Jullie verkopen veel dingen. Waarom een Braphone?”
Hij leunde achterover.
“Omdat het opvalt. Omdat het gesprek oproept. En omdat wij denken dat er een echte behoefte achter zit.”
“Welke behoefte?”
“Gemak. Vrijheid. Technologie die met je meebeweegt.”
Dat klonk prachtig.
Het klonk ook alsof hij een folder had ingeslikt.
Ik keek naar de digitale Braphone op het papier. De zilveren rand. Het glanzende logo. De vrouw die lachend door het park rende zonder ook maar één keer te hoeven uitleggen waar het geluid vandaan kwam.
Ik dacht aan de eerste keer dat ik het idee had.
Dat was bijna twee jaar geleden geweest. Mijn zus Eva had haar oortjes weer kwijtgeraakt. Ze stond in de keuken, met haar telefoon tussen haar schouder en oor geklemd, terwijl ze probeerde een pan pasta af te gieten.
“Waarom maken ze niet gewoon een beha met speakers?” had ze gezegd. “Daar zit alles tenminste altijd op dezelfde plek.”
Ze had het lachend bedoeld.
Ik niet.
Diezelfde avond had ik mijn oude koptelefoon opengeschroefd. Daarna een sport-bh gekocht bij een goedkope winkel aan het station. Het eerste prototype had eruitgezien alsof iemand een broodrooster in lingerie had verstopt.
Maar het werkte.
Niet goed.
Niet veilig.
Niet lang.
Maar er kwam geluid uit.
Dat moment had ik nooit vergeten.
“Het begon als een grap,” zei ik.
Roderick knikte, alsof hij dat wist.
“De beste ideeën beginnen vaak zo.”
“Maar ik wil niet dat het alleen een grap blijft.”
“Dat hoeft ook niet.”
Lena keek naar me.
Ik wist niet precies wat ik in haar ogen zag. Waarschuwing, misschien. Maar ook begrip.
Ze wist dat ik dit wilde.
Niet Roderick.
Niet zijn glanzende brochure.
Ik wilde dat iemand de Braphone serieus nam.
Roderick schoof de map iets verder naar me toe.
“Neem hem mee,” zei hij. “Lees alles rustig door. Bespreek het met wie je wilt bespreken.”
Zijn blik ging kort naar Lena.
“Maar wacht niet te lang. Er zijn meer partijen die kijken naar slimme draagbare audio.”
“Zijn er meer beha’s met bluetooth?” vroeg ik.
“Niet precies,” zei hij. “Maar de markt beweegt snel.”
Dat klonk als druk.
Heel beleefde druk.
Lena stond op.
“Dank u voor uw tijd,” zei ze.
Ik keek op.
“Gaan we al?”
“Ja.”
Roderick kwam ook overeind.
“Natuurlijk. Denk erover na. Ik hoor graag uiterlijk vrijdag van je.”
Hij gaf me een hand.
“Dit kan groot worden, Milo.”
Ik schudde zijn hand.
“Dat zei u al.”
“En ik meen het.”
Buiten op de gang liep Lena zonder iets te zeggen richting de lift. Ik droeg de map onder mijn arm. Hij voelde zwaarder dan papier hoorde te voelen.
Pas toen de liftdeuren dichtgingen, keek ze me aan.
“Wat denk je?” vroeg ze.
Ik keek naar mijn spiegelbeeld in de metalen wand.
Mijn haar zat nog steeds netjes. Mijn jas ook. Maar ik zag er niet uit als iemand die wist wat hij moest doen.
“Dat weet ik niet.”
“Dat is goed.”
“Goed?”
“Beter dan wanneer je meteen had gezegd dat je ging tekenen.”
“Maar het geld, Lena.”
“Ik weet het.”
“Het is genoeg om een echte werkplaats te huren.”
Ze knikte.
“Dat weet ik.”
“En hij kan helpen met productie.”
“Ook waar.”
“Hij zei dat ik het gezicht van het product blijf.”
Ze trok één wenkbrauw op.
“Wil je het gezicht van een product zijn?”
Ik dacht aan de foto in de brochure. Aan de vrouw in de sporttop. Aan de woorden Be Free. Be Heard.
“Nee,” zei ik. “Niet echt.”
“Mooi.”
“Maar ik wil wel dat de Braphone bestaat.”
“Dat snap ik.”
De lift stopte op de begane grond. De deuren gingen open.
In de hal zat de vrouw met de headset nog steeds achter de balie. Ze keek op toen wij langs liepen. Milo van een uur geleden had haar waarschijnlijk een vrolijke knik gegeven.
Nu liep ik gewoon door.
Buiten waaide de wind hard langs de Havenstraat. Mijn nette haar was binnen drie seconden weer gewoon mijn haar.
Lena ging naast me staan.
“Heb je honger?” vroeg ze.
Ik keek haar aan.
“Je hebt een bijzondere manier om ernstige gesprekken te voeren.”
“Dat is geen antwoord.”
“Ja.”
“Echte honger?”
“Ja.”
“Goed.”
Ze wees naar de overkant. Daar zat een klein eethuisje met een groen bord boven de deur.
BROOD & ZO
“Daar hebben ze soep,” zei ze. “En broodjes die groter zijn dan je hoofd.”
“Dat klinkt als een verkooptekst waar ik gevoelig voor ben.”
“Dat weet ik.”
We staken over.
Binnen was het warm. De ramen besloegen een beetje. Achter de toonbank stond een jongen met een pet die ons begroette alsof hij ons al jaren kende.
“Voor twee?” vroeg hij.
Lena keek naar mij.
“Ja,” zei ze.
We gingen aan een tafel bij het raam zitten. Ik zette de map van Bright & Bold tussen ons in.
Hij lag daar als een derde persoon.
Een stille, glanzende man met schoenen.
Lena bestelde tomatensoep en een broodje geitenkaas. Ik bestelde dezelfde soep en een broodje gezond, omdat ik het woord gezond op dat moment nodig had.
Toen de jongen weg was, tikte Lena tegen de map.
“Mag ik?”
“Tuurlijk.”
Ze opende hem.
Niet voorzichtig. Niet onvriendelijk ook. Gewoon vastberaden.
Ze bladerde door de pagina’s met afbeeldingen, plannen en woorden als merkstrategie, consumentenbeleving en groeipotentieel.
“Hier,” zei ze na een tijdje.
Ze wees naar een alinea op een van de laatste bladzijden.
Ik leunde naar voren.
“Wat staat er?”
“Dat Bright & Bold alle rechten wil op toekomstige ontwerpen die voortkomen uit de Braphone.”
“Wat betekent dat?”
“Dat betekent dat als jij later een andere versie maakt, zij kunnen zeggen dat die ook van hen is.”
“Maar dat is toch niet eerlijk?”
“Nee.”
“Is dat normaal?”
“Misschien. Dat maakt het niet beter.”
Ik las de zin opnieuw. De woorden waren klein. Netjes. Zakelijk.
Toch voelde het alsof iemand ongemerkt een hand in mijn jaszak had gestoken.
“En hier,” zei Lena.
Ze wees naar een ander stuk.
“Ze willen dat je drie jaar niet meewerkt aan vergelijkbare producten als de samenwerking stopt.”
“Drie jaar?”
“Ja.”
“Dan kan ik drie jaar lang geen Braphone maken?”
“Zo lees ik het wel.”
Mijn soep kwam op tafel.
De jongen zette twee dampende kommen neer, plus een mandje brood.
“Eet smakelijk,” zei hij.
“Dank je,” zei Lena.
Ik keek naar de soep.
“Mijn moeder zou zeggen dat ik niet moet tekenen.”
“Je moeder kent het contract niet.”
“Ze kent mij wel.”
Lena pakte haar lepel.
“Wat zou je vader zeggen?”
Ik keek op.
Dat was een andere vraag.
Mijn vader was al zes jaar dood. Hij had me nooit met de Braphone gezien. Hij had de prototypes niet gezien. Niet de mislukte. Niet de goede. Niet de versie die op de markt plotseling kibbeling begon te verkopen.
Soms dacht ik dat hij erom had gelachen.
Soms dacht ik dat hij had gezegd dat ik het beter kon afwerken.
Waarschijnlijk allebei.
“Hij zou zeggen dat ik niet moet tekenen voordat ik weet welke schroeven ze gebruiken,” zei ik.
Lena glimlachte klein.
“Dat klinkt verstandig.”
“Hij vertrouwde goedkope schroeven niet.”
“Dat is een uitstekende levenshouding.”
Ik pakte een stuk brood.
“Maar wat moet ik dan?”
“Je kunt onderhandelen.”
“Met Roderick?”
“Ja.”
“Hij is professioneel.”
“Dat is geen superkracht.”
“Hij heeft een kantoor met glazen wanden.”
“Dan kan iedereen zien wanneer hij liegt.”
Ik lachte.
Lena nam een hap van haar broodje.
“Je hoeft niet te kiezen tussen alles houden en alles weggeven,” zei ze. “Je kunt vragen wat jij nodig hebt. Een eigen merknaam. Zeggenschap over het ontwerp. Duidelijke afspraken over geld.”
“En als hij nee zegt?”
“Dan weet je genoeg.”
Ik keek naar de map.
Voor het eerst voelde hij niet alleen als een kans.
Hij voelde ook als een test.
Niet van de Braphone.
Van mij.
“Wil jij me helpen met die vragen?” vroeg ik.
Lena depte haar mond met een servet.
“Je bedoelt: wil ik met jou een lijst maken van alles wat Roderick ontwijkt?”
“Dat klinkt heel goed.”
“Dan ja.”
Mijn hart maakte opnieuw dat rare kleine sprongetje.
“Dank je.”
“Je hoeft me niet steeds te bedanken.”
“Waarom niet?”
“Omdat ik anders ga denken dat we samenwerken.”
“Maar we werken toch samen?”
Lena keek me aan.
“Op dit moment eten we soep.”
“Dat is ook een vorm van samenwerking.”
Ze zuchtte.
Maar ze glimlachte.
Daarna trok ze mijn notitieblokje uit mijn jaszak. Ik wist niet eens dat het daar zat.
Ze sloeg een lege bladzijde open en schreef bovenaan:
VRAGEN VOOR MENSEN MET GLAZEN KANTOREN
Ik keek naar haar handschrift. Stevig, rond en iets te groot.
“Dat is een goede titel,” zei ik.
“Dat weet ik.”
“Je hebt echt een talent voor taal.”
“Pas op,” zei ze. “Straks ga je mijn teksten nog in vergaderingen voorlezen.”
Ik werd meteen serieus.
“Dat zou ik nooit doen.”
Lena keek op.
Toen verzachtte haar gezicht.
“Ik weet het,” zei ze.
Buiten reed een bus door de regen. Mensen liepen haastig over de stoep, met hun schouders opgetrokken tegen de wind.
Binnen rook het naar soep en warm brood.
Lena schreef de eerste vraag op.
Wie bezit het ontwerp?
Daaronder schreef ze:
Wie bepaalt wat er verandert?
Ik pakte mijn pen.
Samen vulden we de bladzijde.
En voor het eerst sinds Roderick zijn map over tafel had geschoven, voelde ik iets wat verdacht veel op rust leek.